Terug naar Ecclesianet.nl

Bonhoeffers ontmoeting met Rooms-katholicisme en islam (1924)

‘Ik begin, geloof ik, het begrip ‘kerk’ te begrijpen.’ Deze woorden schreef Dietrich Bonhoeffer na het bijwonen van een vesper in de Trinità dei Monti te Rome en de hoogmis op palmzondag in de St. Pieter enkele dagen daarvoor. Heel wat theologische consequenties zijn verbonden aan deze uitspraak van de 18-jarige Bonhoeffer. Zo meent menig rooms-katholiek daarom Bonhoeffer aan roomse zijde te kunnen scharen.1 In welke context schreef hij dit? En wat schreef hij dan over de katholieke kerk? De uitgave van een nieuw boek met zijn dagboekaantekeningen geeft daar uitstekend zicht op. Zijn notities beperken zich niet tot het Rooms-katholicisme, maar gaan ook over het protestantisme en de islam.

Dietrich Bonhoeffer verbleef, samen met zijn vijf jaar oudere broer Klaus, van april tot juni 1924 in Italië. Klaus was juist afgestudeerd in de rechten, Dietrich was eerstejaars theologiestudent. Italië was nog een koninkrijk. Victor Emanuel III was koning en Pius XI zetelde als paus in het Vaticaan.

Korte tijd in Rome studeren (een semester) was een vurige wens van Dietrich Bonhoeffer. Welke colleges hij heeft gevolgd en waar dat was,is niet bekend. Hoofddoel van de reis van de twee broers was Rome, maar daarvandaan maakten zij twee uitstapjes naar Sicilië en Afrika (Tripoli en de woestijn van Libië).

Tijdens deze drie maanden hield Dietrich een dagboek bij. Eerder verscheen dit al in de reeks Dietrich Bonhoeffer Werke.2 Nu is het afzonderlijk uitgegeven (door Gütersloher Verlaghaus) en voorzien van een inleiding van de hand van de Italiaan Fulvio Ferrario.3 Het boek is verrijkt met beeldmateriaal en brieven. Vooral de brieven uit deze periode voegen waarde toe. Dikwijls zijn deze meer evaluerend dan zijn dagboeknotities.

Bonhoeffer was cultureel breed geïnteresseerd en kon in Rome natuurlijk zijn hart ophalen. Daarvan getuigt zijn ‘Tagebuch’. Het lijkt wel alsof de 18-jarige Dietrich meer afwist van het antieke Rome dan van het Rooms-katholicisme.

Islam

Het is nauwelijks bekend dat hij samen met broer Klaus en fotograaf Paul Hommel tijdens deze reis tien dagen in Libië is geweest. Libië was sinds 1911 een kolonie van Italië. Te midden van de oriëntaalse cultuur maakte hij daar onder meer kennis met de islam. Deze kennismaking heeft minder aandacht getrokken dan die met het Rooms-katholicisme. Niet verwonderlijk, want bij de Arabieren is zijn kerkbegrip weinig verrijkt. Hoe waardeerde hij de islam?

In Bonhoeffers dagboek is opvallend weinig te vinden over zijn avontuur in Afrika. Een avontuur was het wel, want om onbekende redenen werd het tweetal Libië uitgezet. De meeste informatie vinden we in een brief van 9 mei 1924 aan zijn ouders. Hij gaat daarin tamelijk uitgebreid in op de islam. Veel overeenkomsten zag hij tussen de islamitische en oudtestamentische vroomheid en manier van leven. Leven en godsdienst zijn binnen de islam niet zo gescheiden als bij de christelijke kerk (waaronder ook de katholieke kerk). ‘Bij ons gaat men even naar de kerk en wanneer men terugkomt, begint weer een heel ander leven. Bij de islam is dat totaal anders.’

Joden en Arabieren lijken in Bonhoeffers ogen op elkaar in hun sterke gevoelens voor en trots op het eigen ras. Is hij hier getroffen door het verschil tussen de situaties die hij aantrof bij de bedoeïenen in vergelijking met de katholiciteit in de Sint Pieter? ‘De Arabier onderscheidt zich van andere rassen als mens van dier. Mohammed is als profeet afkomstig van Arabische stammen. Daaruit komt de tendens tot propaganda voort, net als vroeger, waarbij men geen zending bedrijft onder christenen, maar hen eenvoudig als niet-Arabieren, dat wil zeggen: ongelovigen, ombrengt. In dergelijke omstandigheden speelt de kerk slechts een bescheiden rol. Zo is ook oorlog dienst aan Mohammed en Allah. (…) De islam en het Jodendom moeten wel uitgesproken wetsgodsdiensten zijn, als alle nationale en cultische elementen zo vermengd zijn, ja, samenvallen. Alleen zo kunnen zij zo sterk van de andere godsdiensten verschillen. Een religie die een wereldgodsdienst wil zijn, zoals het christendom of boeddhisme, kan inderdaad geen wetsgodsdienst zijn. Een islamitische neger is in de ogen van een Arabische moslim een neger als voorheen, bekering telt nauwelijks. Het zou zeer interessant zijn om de islam langer tot op de bodem te bestuderen, maar het is moeilijk om toegang te krijgen tot de culturele zaken.’ (82-83)

Terug in Sicilië schreef hij in zijn dagboek: ‘men mag eigenlijk niet onvoorbereid naar Afrika gaan. De schrik is te groot en neemt van dag tot dag toe, zodat men blij is weer terug te kunnen keren naar Europa.’ (86)

Katholicisme

Tijdens zijn verblijf in Rome was Bonhoeffer kind aan huis in de Sint Pieter. Hij raakte gefascineerd door het Rooms-katholicisme zoals hij het daar aantrof. Wat maakte dat Bonhoeffer zo onder de indruk raakte?

Nog voor zijn aankomst in Rome met de trein vanuit Berlijn (via München, Brenner, Verona, Bologna en Florence) zag hij de St. Pieterskerk, ‘een zeldzaam plechtig ogenblik.’ (37) Nog op de dag van aankomst zelf bezocht hij de kerk. De architectuur maakte een overweldigende indruk. Bijna aan het einde van zijn reis schreef hij: ‘St. Pieter, het was niet de kerk, nee, het was heel Rome dat zich in de kerk het duidelijkst laat samenvatten.’ (90)

Op palmzondag bezocht hij, van 10.00 tot 12.30 uur, de hoogmis in de Sint Pieter. Allereerst roemt hij het ‘ongelofelijke’ knapenkoor. ‘Bij het altaar stonden naast de kardinaal nog vele hoge geestelijken, seminaristen en monniken. Fabelachtig is de geestelijke universaliteit van de kerk: blank, zwart, geel; allen in een geestelijk streven zich te verenigen in de kerk. Dat lijkt zeer ideaal.’ (50)

Het verslag gaat naadloos over in een ‘onbeschrijfelijk bezoek’, twee dagen later, van een vesper met gezang door jonge meisjes, op weg om non te worden. ‘De indruk van deze novicen was veel groter dan het geweest zou zijn bij nonnen, omdat nu elk spoor van routine ontbrak. Het ritueel was zeker niet slechts een ritueel, maar godsdienst in de zuivere betekenis. Het geheel maakte een ongelooflijk ongerepte indruk van innige vroomheid.’ Tot in de gevangenis in 1944 denkt hij terug aan dit vesper dat zo een grote indruk op hem maakte.4 ‘Toen na een half uur de deur weer openging’, zo besluit Bonhoeffer zijn aantekeningen voor deze dag in zijn dagboek, ‘had men de heerlijkste blik over de koepels van Rome bij ondergaande zon. Ik ging nog wat wandelen op de Pincio. De dag was heerlijk geweest; de eerste dag dat ik iets werkelijks zag in het katholicisme, niets van romantiek etc. Maar ik begin, geloof ik, het begrip ‘kerk’ te begrijpen.’ (51)

Ook bij latere bezoeken aan liturgische bijeenkomsten in de St. Pieter sprak vooral de muziek hem aan. Bij zijn laatste bezoek trof hem de engelachtige koorzang, afgewisseld met zang van de gemeente die was samengekomen. ‘Het maakte een ongekende indruk. Nog eenmaal zag ik tot slot wat het katholicisme is en weer had ik het van harte lief.’ (116)

Naast de lof op het katholicisme – hij was ook zeer geraakt door de praktijk van de biecht - plaatste Bonhoeffer ook enkele kritische opmerkingen:

De verwachtingen over een audiëntie bij de paus5 bleken te hoog gespannen. ‘Het was tamelijk onpersoonlijk, koel en plechtig. De paus maakte een onverschillige indruk. Hij mist alles wat pauselijk is, iedere grandezza.’ (114)

’De katholieke dogmatiek versluiert alles wat ideaal is in het katholicisme, zonder dat men erg in heeft. Er is een geweldig verschil tussen de biecht en de leer van de biecht; helaas ook tussen ‘kerk’ en kerk in de dogmatiek.’ (60)

Zijn grootse opmerkingen over het katholicisme moeten mijns inziens gezien worden tegen de achtergrond van wat biografische gegevens. Vier factoren hebben zijn fascinatie voor het katholicisme opgeschroefd.

De eerste factor die meegewogen moet worden in Bonhoeffers enthousiasme voor de katholieke kerk is dat hij op deze reis nog maar achttien jaar is. Daarvan getuigt, naast de onmiskenbare vroege rijpheid, toch zijn jeugdige enthousiasme waarmee hij de dingen verwoordt (‘onbeschrijflijk’, ‘ongelooflijk’, e.d.).

Vervolgens wil ik er de vinger bij leggen dat hij thuis wel christelijk is opgevoed, maar niet binnen een (hoog)liturgische traditie is opgegroeid omdat de Bonhoeffers nauwelijks ter kerke gingen. De provinciale kerk van het lutherse Pruisen was een fenomeen dat in het leefpatroon van de Bonhoeffers praktisch onbekend was. Zijn vader repte er nooit over, zijn broers spraken er rechtuit hun minachting over uit en zelfs zijn moeder scheen er weinig waarde aan te hechten.6 Wel vertelde moeder Bonhoeffer veel Bijbelverhalen aan de kinderen en zong men als gezin veel kerkliederen. Bethge wijst erop dat wanneer Bonhoeffer tijdens zijn Italiëreis over zijn kerkelijke afkomst sprak, hij nooit het woord ‘kerk’ gebruikt, maar ‘steeds nog over ‘protestantisme’. Dat was gebruikelijk in zijn ouderlijk huis.’7

Aan de universiteit in Tübingen, de derde factor, volgde Bonhoeffer in 1923 college bij Adolf Schlatter. Deze stimuleerde een open houding en gebruikte theologische teksten die gewoonlijk alleen maar gebruikt werden door katholieke theologen. Eric Metaxas wijst erop dat Bonhoeffer een aangeboren verlangen had om deze ‘katholieke’ teksten oecumenisch opnieuw te betrekken bij de algemene christelijke theologie.8

Als laatste wijs ik op zijn buitengewoon muzikale interesse. Het is opmerkelijk dat zijn enthousiasme voor het katholicisme in zijn dagboek vaak gepaard gaat met ervaringen van muzikale verrukking.

Bonhoeffer begon het begrip ‘kerk’ te begrijpen. Waar het de Rooms-katholieke kerk betreft, lijkt het erop dat het vooral om twee componenten gaat: de rassenoverstijgende universaliteit (het is wellicht beter om te spreken over de katholiciteit van de kerk) en de hoog gekwalificeerde muziek als onderdeel van de liturgie.

Protestantisme

In het licht van zijn bevindingen in ‘de eeuwige stad’ deed Dietrich Bonhoeffer ook enkele reflecties op het protestantisme.

Terugkerend contact heeft hij met Platte-Platenius, een jonge priester, die hem veel uitlegde van de roomse kerk en met wie hij veel discussieerde, bijvoorbeeld over de betekenis van het offer in de Roomskatholieke kerk. Het brengt hem tot de conclusie dat ‘het moderne katholicisme symboliseert wat men verstandelijk niet begrijpen kan; het protestantisme laat hier zelfs ook de symboliek vallen, staat meer los van de traditie en is eerlijker.’ (57)

Het Katholicisme kan nog een lange tijd verder zonder het protestantisme, zo schrijft hij zijn ouders op 19 april. ‘Het volk is er nog zeer aan gehecht. Vaak lijkt de protestantse kerk, als je de geweldige plechtigheden hier ziet, een kleine sekte.’ (61)

Wanneer hij later een doopplechtigheid meemaakt spreekt hij ook over een kleine sekte, de Baptistengemeente in Trastevere in de Via della Lungaretta. Het bezoek is voor hem aanleiding voor een uitvoerige reflectie op de kerk als volkskerk. De contouren van zijn latere denken over kerk en de verhouding kerk en staat zijn al zichtbaar. Vanwege het belang (én de actualiteit), citeer ik uitvoerig. ‘Misschien had het protestantisme er nooit naar moeten streven landskerk te worden, maar een grote sekte moeten blijven die het altijd eenvoudiger heeft – dan zou het er op dit ogenblik niet zo rampzalig voorstaan. Een landskerk gelooft in staat te zijn zichzelf zo uit te breiden, dat zij aan allen iets kan geven. Dat het protestantisme dat toen bij zijn ontstaan kon, lag hoofdzakelijk aan de politieke strekking van de problemen waarover tegenwoordig toch niet meer gediscussieerd wordt. Daarom is, hoe meer de politieke situatie veranderde, zijn kracht om de menigte te boeien, teruggelopen. Totdat tenslotte onder de naam protestantisme veel schuil gaat wat men, eerlijk en open gezegd, alleen maar materialisme kan noemen, zodat in het protestantisme alleen nog maar gezien en gewaardeerd wordt dat men er ‘vrijdenker’ in kan zijn, wat de reformatoren echter in heel andere zin bedoeld hebben. Nu de officiële band tussen kerk en staat verdwenen is, staat de kerk voor de waarheid; zij is al te lang een asiel geweest voor dakloze geesten, de herberg voor een onontwikkelde verlichting. Als zij nooit landskerk geworden was, zou de zaak heel anders liggen; dan zou zij nog altijd een niet gering aantal geestdriftige aanhangers bezitten, men zou gezien haar grootte haar echt niet als sekte kunnen aanduiden. Zij zou een buitengewoon verschijnsel van religieus leven en vroomheid vormen. Zij zou dus de ideale vorm van godsdienst zijn waarnaar wij in onze dagen zo op zoek zijn (…) Zij zou de kerk geworden zijn in de zin van de reformatoren, wat zij nu niet meer is. Wellicht ligt hier een mogelijkheid om een oplossing te vinden voor de verschrikkelijke nood van de kerk: zij moet beginnen zichzelf te beperken en in ieder opzicht een keuze te maken, vooral op het gebied van de geestelijke leiders en van de stof; en zich in ieder geval zo snel mogelijk helemaal losmaken van de staat, misschien zelfs het recht op godsdienstonderwijs opgeven. (…) Zou er een mogelijkheid bestaan zich los te maken? Of niet? Zijn eigenlijk alle troeven uitgespeeld? Zou het mogelijk zijn binnenkort terug te keren in de schoot van de alleenzaligmakende onder de schijn van verbroedering?’ (113 en 114)

Tot zover Bonhoeffers hartstochtelijk pleidooi voor kerk-zijn in de lijn van het prille protestantisme. Gedachten die ook in 2013 tot nadenken stemmen.

Evaluatie

Evaluerend wil ik stellen dat Bonhoeffers fascinatie voor het Rooms-katholicisme vooral is ingegeven door de hoge kwaliteit van de muziek in de liturgie en de katholiciteit van de Rooms-katholieke Kerk. Het laatste in schril contrast met wat hij tegen is gekomen binnen de islam.

Het algemeen aangenomen beeld achter de uitspraak dat Bonhoeffer het begrip ‘kerk’ begint te begrijpen moet op twee punten worden bijgesteld. Allereerst wordt direct een verbinding gelegd tussen zijn uitspraak en zijn bezoek aan de Sint Pieter. Zoals we zagen zaten daar enkele dagen tussen9, waardoor zijn ontwikkeling van het kerkbegrip tenminste ook verbonden is aan zijn bezoek aan een vesper enkele dagen later in de Trinità dei Monti.

Een bezoek aan een Baptistenkerk brengt hem, dat is het tweede punt, tot reflectie op de protestantse kerk waarbij hij juist teruggrijpt op de wortels van de hervorming. De invloed van het Rooms-katholicisme op Bonhoeffers groeiend kerkbegrip tijdens zijn Italiëreis is dus niet volledig, maar gedeeltelijk. Tegenover de Rooms-katholieke leer handhaaft hij een wetenschappelijke, kritische distantie.

De bevindingen uit zijn dagboek zijn niet representatief voor Bonhoeffers volledige denken over het Rooms-katholicisme. Wel is duidelijk dat zijn ontmoeting in Rome met deze kant van het christendom in Rome van invloed is geweest op zijn verdere doordenking van het kerk-zijn en de gemeenschap. Verspreid door zijn werk is dat te vinden. Met name in zijn Sanctorum Communio (1927) en Akt und Sein (1930), maar ook in Gemeinsames Leben (1938).

Na zijn verblijf in Rome heeft Bonhoeffer de waarde van het katholicisme verdedigd en gewaarschuwd voor geestelijke arrogantie.10

Ik sluit af met een citaat van (de ‘latere’) Bonhoeffer over de kerk waarin veel van zijn gedachten over de kerk in een ‘nutshell’ samenkomen. Het is genomen uit een collegereeks over Het wezen van de kerk die hij verzorgde in de zomer van 1932. ‘De kerk, de gemeente is daar, waar het woord van God over de hele werkelijkheid vernomen, geloofd en gehoorzaamd wordt. Deze kerk is het centrum van de wereld. Niet dat zij op zichzelf als centrum zou kunnen wijzen, zoals Rome doet. Zij wijst op God, die Zelf in het centrum staat. De christenheid is niet van de wereld afgezonderd. Zij behoort geheel tot de profane wereld. Haar woord moet de sfeer van het alledaagse leven zoeken. Zij is niet een ‘licht voor bijzondere gelegenheden’, dat zich van de wereld zou mogen laten scheiden.’11

Arthur Alderliesten, Culemborg

 

Noten
1 Zie bijvoorbeeld Arthur Alderliesten, Bonhoeffer: ontmoetingspunt voor Rome en Reformatie? Ecclesia, 102e jaargang, pag. 50-51
2 Dietrich Bonhoeffer Werke Band 9, Jugend und Studium 1918- 1927, Berlin 1986, pag. 81-136
3 Dietrich Bonhoeffer, Italienreise 1924, Gütersloher Verlagshaus 2012, 121 pag. ISBN 978-3-579-07144-2, € 17,99
4 Dietrich Bonhoeffer Werke Band 8, Widerstand und Ergebung, Berlin 1998, pag. 335
5 Pius XI (1857-1939, paus van 1922 tot 1939)
6 Mary Bosanquet, Leven en dood van Dietrich Bonhoeffer, Utrecht 1969, pag. 56
7 Eberhard Bethge, Dietrich Bonhoeffer. De biografie, Baarn 2002, pag. 65
8 Eric Metaxas, Dietrich Bonhoeffer. Pastor, martelaar, profeet, spion, Heerenveen 2012, pag. 65
9 Verschillende biografen koppelen Bonhoeffers uitspraak aan zijn bezoek aan de Rooms-katholieke St. Pieter door het bezoek en de uitspraak op dezelfde dag te laten vallen. (Eric Metaxas, a.w., pag. 62; Edwin H. Robertson, Dietrich Bonhoeffer. Leben und Verkündigung, Göttingen 1989, pag. 54)
10 Eberhard Bethge, a.w., pag. 69
11 Dietrich Bonhoeffer, het wezen van de kerk, Baarn z.j., pag. 22 (Uit collegedictaten samengesteld door Otto Dudzus). Vgl. Dietrich Bonhoeffer Werke Band 11, Ökumene, Universität, Pfarramt 1931-1932, Gütersloh 1994, pag. 250-251 (samengesteld uit collegedictaten en aangevuld met aantekeningen van diverse studenten). Het geciteerde gedeelte verschilt tekstueel, maar is in essentie gelijk.