Terug naar Ecclesianet.nl

Deel 1 Verzameld Werk J.H. Gunning (II)

Leer en leven

De beide laatste publicaties in deel I van het Verzameld Werk dateren uit 1878 en dragen als opschrift: Het ethisch karakter der waarheid.1 Onder deze titel schreef Gunning in 1878 een open brief, gericht aan de Utrechtse hoogleraar J.J. van Oosterzee, een van de voormannen van de zgn. apologetische school. In deze brief legde hij rekenschap af van zijn theologische inzichten. Nam Van Oosterzee zijn uitgangspunt in de leer (van de leer naar het leven), Gunning achtte alleen de omgekeerde weg mogelijk: het wedergeboren leven moet dienen als bron en uitgangspunt van de leer. Maar werd hiermee, aldus Van Oosterzee (en Abraham Kuyper), niet de deur opengezet voor het subjectivisme? Nee, zei Gunning, alleen het wedergeboren leven bezit objectieve werkelijkheid, daar Christus zelf dit leven door de Heilige Geest in ons werkt. Juist de zgn. ‘objectieve’ leer is subjectief, omdat zij een tijdgebonden beschrijving van deze objectieve werkelijkheid is.

In het tweede deel van zijn brief kwam Gunning op dit thema terug. De dogmatiek (de leer) moet rusten op de ethiek, d.w.z. op het nieuwe leven, dat Christus in de gelovige werkt. Gunning acht het dan ook volstrekt onjuist, wanneer de Groningse hoogleraar E.F. Kruyf2, stelt, dat de ethische theologie “het historisch karakter van het christendom miskent” door de hoofdzaken van het geloof “op zuiver zielkundige grondslagen te handhaven.” Het nieuwe, hogere leven, dat Christus in ons werkt, is historisch werkzaam, en deze werking rust op haar beurt op heilsfeiten in de geschiedenis. Met andere woorden: van een miskenning van het historisch karakter van het christendom door de ethische theologie kan geen sprake zijn (blz. 598). Het is zelfs veeleer zo, dat La Saussaye – naast Gunning door Kruyf als representant van de ethische richting aangehaald – “veel krachtiger dan Dr. Kruyf het historisch karakter van het christendom bevestigt” (blz. 636.).

Geloof en wetenschap

In de ethische richting heeft men zich veelvuldig met de verhouding tussen geloof en wetenschap beziggehouden. Zowel van moderne als van confessionele zijde werd de antithese verkondigd. De moderne theologen beschouwden de historisch-kritische wetenschap als de enige weg tot de waarheid, terwijl voor confessionelen als Abraham Kuyper de moderne wetenschap als “zonde” gold: echte wetenschap is alleen mogelijk op de grondslag van Bijbelse of gereformeerde beginselen. Ethische theologen als La Saussaye en Gunning konden met deze antithese niet uit de voeten. Zij zochten naar een nieuwe eenheid tussen geloof en wetenschap, tussen christendom en cultuur. Zij wilden het geloofsbegrip verbreden. “In het leven van de gelovige en van de kerk breekt een nieuwe wereld door, waarin de humaniteit hersteld is. Humaniteit betekent voor hen dat de rede zich niet emancipeert van het geloof in God, maar in het geloof haar eigenlijke wortel ziet.3 De rede, die over zijn eigen bestaansvoorwaarden nadenkt, ontdekt dat zij een gave Gods aan de mens is en dat zij geroepen is de goddelijke bestemming van de mensheid te dienen” (blz. 20).

Geestelijke opwekking

Het spreekt vanzelf, dat er niet aan te denken valt in een bespreking van iemands Verzameld Werk zelfs maar een poging te wagen om aan alle publicaties, hierin opgenomen, recht te doen. Wij zouden echter tekortschieten, wanneer wij geen aandacht zouden besteden aan de brochure Geestelijke opwekking (Revival), in 1875 door Gunning geschreven naar aanleiding van de massale opwekkingsbeweging, die kort tevoren in het Engelse Brighton had plaatsgevonden, waar het optreden van de Amerikaanse evangelisten D.L. Moody en L.D. Sankey en de prediking van hun landgenoot R. Pearsall Smith, leider van de zgn. “Holiness Movement” (heiligingsbeweging) , duizenden mensen op de been gebracht had. Een evenement, dat ook in ons land zijn invloed had doen gelden.

Gezien de ontwikkelingen, die in de laatste tientallen jaren in ons land op het kerkelijk erf hebben plaatsgevonden, mag deze brochure wel als hoogst actueel bestempeld worden, waarom het alleszins de moeite waard is, enige tijd stil te staan bij de kanttekeningen, die Gunning bij het fenomeen “opwekking” heeft geplaatst.

Hoewel Gunning zelf, die het geestelijk niveau van zijn tijd “smartelijk laag” achtte, vurig verlangde naar “een nieuwe krachtige werking van de Heilige Geest onder ons” (blz. 455), stond hij vrij sceptisch tegenover de angelsaksische revivalbewegingen. Hij constateerde, dat zij doorgaans “een snelle uitbreiding nemen”, maar op den duur weinig uitwerken.4 Dit verwonderde hem echter niet. “Al wat een grote, beslissende invloed toont op de geschiedenis der mensheid, heeft niet als deze Revivals een brede oppervlakte en snelle uitbreiding om daarna smal en weinig beduidend te eindigen, maar het begint integendeel klein, stil en eenvoudig. Dit geldt bovenal voor het allergrootste werk dat op aarde volbracht is. De Heer Jezus heeft nooit een opwekking in die zin bewerkt” (blz. 446).

Revolutionair

Nu zou Gunning niet graag willen beweren, dat de Brighton-beweging niets om het lijf heeft. Integendeel zelfs. “Zij is openbaring van behoefte aan hoger geestelijk leven.” Maar toch had zij niet zijn sympathie. Hij zag er “de algemeen geldende wet van de valse vrijheid, van de revolutie” in aan het werk. Terwijl de revolutie op maatschappelijk gebied door veel vrome mensen wordt verworpen, is men, zo stelt hij, in geestelijke dingen volstrekt revolutionair: men breekt met alle instellingen en toestanden, die in de loop der jaren zijn ontstaan. “Men vraagt niet naar hetgeen rondom ons is, naar de gaven aan ons gegeven, naar de weg om het onze te verbeteren en aldus beter te gebruiken, naar de onder ons werkende herders, leraars, onderwijzers. Men wil een volstrekt individualisme. De kerk voor de vergadering der bekeerden houdende, en ziende dat de tegenwoordige aan die eis niet beantwoordt, is men in de grond baptist. De betekenis van het natuurlijke dat het geestelijke voorbereidt, wordt miskend; men loochent dat de maatschappij, zoals zij is, iets met Gods koninkrijk te maken zou hebben. Op ieder gebied, onder iedere vorm verwerpt men de natuurlijke bemiddeling. Dit baptisme is een ontkenning van de natuurlijke ordeningen Gods.”

Nu is dit miskennen van de kerk, net als de revolutie in de maatschappij, weliswaar een oordeel Gods, een natuurlijke reactie op haar massiviteit en geesteloosheid, - een oordeel, dat zij ten volle heeft verdiend, maar zij, die dit oordeel voltrekken, zijn daardoor niet verontschuldigd. Wie zich aan de kerk onttrekt, onttrekt zich aan het lijden, dat de gemeenschappelijke (!) schuld ook over hemzelf zou moeten brengen: “Ik ga waar ik het goed heb”, is zijn devies. Hij is als een logé, die alleen aan de aangename en gezellige samenkomsten, de hoogtepunten van het huiselijk leven, deelneemt, maar die de zorgen, het werk en het overleg over de dagelijkse behoeften en noden aan de huisgenoten overlaat.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

 

Noten
1 Over de betekenis van het woord ‘ethisch’ is in de loop der jaren veel geschreven. In de tweede stelling bij zijn dissertatie, Daniël Chantepie de la Saussaye. Eene historisch-dogmatische studie, zegt A.M. Brouwer: ‘De la Saussaye gebruikt het woord ‘ethisch’ niet als afleiding van ‘ethiek’ (zedekunde), maar in wijsgeerigen zin ter onderscheiding van ‘idealistisch’ en ‘empirisch’, afgeleid van ‘ethos’ in de beteekenis van het innerlijk wezen, de levenskern, des menschen.’ Wat Brouwer hier zegt over La Saussaye geldt ongetwijfeld ook van Gunning.
2 Kruyf was de opvolger van D. Chantepie de la Saussaye als kerkelijk hoogleraar. Hij was een leerling van Van Oosterzee.
3 Cursivering JGB.
4 Dit geldt niet voor de “heerlijk gezegende” methodistische beweging van John Wesley en George Whitefield, maar “daar is het aan bijzondere omstandigheden toe te schrijven.”