Terug naar Ecclesianet.nl

Bij het aftreden van de paus

Toen ik voor het vorige nummer van Ecclesia een bijdrage schreef rondom de abdicatie van koningin Beatrix kon ik niet vermoeden dat ik twee weken later een artikel zou schrijven over het aangekondigde aftreden van paus Benedictus XVI. Er is voor een dergelijk terugtreden bij mijn weten geen officieel woord, eenvoudigweg omdat het slechts één keer eerder in de geschiedenis is gebeurd dat een paus zijn ambt heeft neergelegd.

Vriend en vijand heeft paus Benedictus XVI verrast door op maandag 11 februari jl. aan te geven dat hij 28 februari a.s. zou aftreden. Als reden noemt hij zijn ouderdom en de daarmee verbonden afname van zijn krachten. Met andere woorden: de taak werd hem te zwaar om dit ambt naar behoren te kunnen blijven uitoefenen.

De paus heeft er enkele keren op gezinspeeld dat het mogelijk moest zijn dat een zittende paus zou aftreden. Ik vermoed dat hij daarbij gedacht heeft aan de laatste jaren van zijn voorganger paus Johannes Paulus II, met wie hij erg vertrouwd was. Voor iedereen was het destijds duidelijk dat deze paus gedurende de laatste jaren van zijn leven niet meer echt in staat was leiding te geven aan de wereldkerk. Zijn gezondheidstoestand liet dat niet toe. Het was een zegen voor hem dat hij in deze jaren terug kon vallen op een staf, waarvan de trouwe kardinaal Ratzinger de belangrijkste man was. In feite steunde de paus destijds op hem. Nu kardinaal Ratzinger zelf paus is geworden en tekenen van ouderdom begint te merken moet hem de vraag bezig gehouden hebben of hij het zich kon veroorloven dezelfde weg op te gaan als zijn voorganger.

Ik vermoed dat de paus vooral de laatste tijd besefte dat dit niet het geval was. Het oud-worden brengt met zich mee dat men minder alert wordt. In het besturen van de wereldkerk die de Rooms-katholieke kerk is, kan het daar niet aan ontbreken, tenzij men een staf heeft die loyaal en betrouwbaar is. Gelet op het feit dat er zich juist in de afgelopen jaren tal van intriges voordeden in zijn eigen omgeving, waarbij mensen op wie hij steunde, hem in de steek lieten, kon hij er niet zomaar van uitgaan dat dit een uitgemaakte zaak was. Bovendien moet hij beseft hebben dat in een turbulente tijd waarin wij leven, iemand aan het roer van de kerk moet staan die sterk bestuurlijke en communicatieve kwaliteiten heeft. Dat heeft hem ertoe gebracht het besluit te nemen dat dagenlang het wereldnieuws bepaalde.

Kritiek

Ondertussen is over de hele wereld met respect kennis genomen van de woorden die de paus sprak. Lovende woorden werden gesproken aan zijn adres. En terecht. Aan kritiek ontbrak het ook niet. Het lijkt me dat die ook geleverd kan worden.

Toen kardinaal Ratzinger aantrad, was al duidelijk dat hij het paus-zijn zag als een roeping, niet iets dat je voor jezelf wenst. Hij kon zich aan het beroep dat op hem gedaan werd, niet onttrekken. Ongetwijfeld heeft hij in die dagen teruggedacht aan veel bekende kerkvaders die bijna gedwongen moesten worden om het ambt van bisschop te gaan bekleden. Velen van hen bezaten echter als kerkelijk leider iets wat Benedictus niet echt eigen is: een natuurlijk talent voor leiderschap en communicatie met de buitenwereld. Daardoor is hij in meerdere valkuilen, die het pausschap met zich meebrengt, gevallen. Zo die ene keer dat hij bisschop Richard Williamson rehabiliteerde (2009), zonder te weten dat deze de holocaust ontkende. Dit had hij moeten weten. Dat hij het niet wist, viel ook zijn staf kwalijk te nemen. Toen men erachter kwam, was het kwaad al geschied. Of: zijn reactie op het kindermisbruik in de Rooms-katholieke kerk. Daarop had adequater gereageerd moeten worden. Vast staat dat de paus het zich erg heeft aangetrokken. Maar dit had, zeker in de eerste jaren na de bekendwording ervan, beter kunnen worden gecommuniceerd. Zo zijn er meer dingen te noemen.

Niet dat de paus niet in staat is te communiceren. Dat is hij wel degelijk, maar dan vooral op een terrein waarop hij zich zeker voelt: het gebied van de theologie, van de bijbeluitleg en van de biografische schetsen die hij gaf van mensen, mannen en vrouwen, die veel betekend hebben in de kerk en de wereld. Veel harten wist hij te raken met zijn boeken over Jezus van Nazareth, die stuk voor stuk helder leesbaar en uitmuntend van inhoud zijn en om die reden ook veel protestanten aanspreken. Dat geldt ook voor zijn encyclieken, vooral voor de encycliek Deus Caritas est (God is liefde, 2005), waarin hij laat zien dat Gods liefde de fundamentele vooronderstelling is voor de echte menselijke liefde, ofwel de liefde tot de naaste.

In feite wilde de paus niets liever dan uitleggen, onderwijzen en zo overtuigen. Daar lag zijn kracht. Maar wat te doen in situaties waarin dit niet wordt opgepikt en een dialoog met argumenten niet echt welkom is? Wat als de mensen grof zijn en ongemanierd en het aan een luisterhouding ontbreekt? Wat als de pers onwelwillend is, een zinsnede uit een betoog haalt en dit in een ander kader stelt, waardoor er een vertekend beeld ontstaat? De paus was daar niet altijd op bedacht en voorzag niet altijd wat het effect kon zijn van zijn woorden. Zo die ene keer in Regensburg (2006), toen hij een Byzantijnse keizer aanhaalde, die aangaf dat Mohammed niets wezenlijks had bijgedragen aan de godsdienst in de wereld en niets goeds had gebracht. Men merkte wel dat de paus zelf achter deze woorden stond. De protesten waren enorm en hij voelde zich genoodzaakt een gebaar te maken richting de moslimwereld. Voor een kerkleider is dit gebrek aan inschatting van de gevolgen van zijn woorden een groot manco. Hij zal dat ook zo ervaren hebben.

Oecumene

Kritiek kwam er ook op zijn aarzelende houding t.o.v. de oecumene. Het is de vraag of deze kritiek terecht is. Tekenend zijn wat dat betreft de toespraken die hij ruim een jaar geleden hield tijdens zijn reis in Duitsland, toen hij ook Erfurt bezocht, waar Luther zijn eerste kloosterjaren doorbracht. Men had gehoopt op een verzoenend gebaar richting de protestanten. Het kwam er niet van. Wel hield hij een toespraak waarin hij door liet schemeren waar het bezwaar van katholieke zijde tegen een mogelijke intensivering van de oecumene ligt. De paus sprak lovende woorden over Luther en diens worsteling om een genadige God. Maar impliciet hield hij de Duitsers een spiegel voor: zijn de protestanten nog zoals destijds Luther was? Kun je van de Rooms-katholieke kerk enthousiasme verwachten voor een oecumene waar de geloofsinhoud van de grote protestantse kerken verwaterd is en de kerken nauwelijks meer staan voor die dingen waar Luther nog wel voor stond? Weinigen waren er die de kern van zijn boodschap begrepen.

Dat de paus echter wel degelijk in staat was om authentieke protestanten te waarderen en de hand te reiken, blijkt ondermeer uit het volgende. De paus belegde vanaf zijn aantreden elke zomer een studieweek voor een groot aantal van zijn beste studenten. Zij kwamen bijeen in Castello Gandolfo in de buurt van Rome. Ongeacht het feit dat zij oerprotestants waren, nodigde hij in de zomer van 2008 Martin Hengel en Peter Stuhlmacher, beiden emeriti-hoogleraren Nieuwe Testament in Tübingen, uit om voor hem en zijn leerlingen enkele lezingen te verzorgen. Hij waardeerde hun boeken en hun talenten en vooral het authentieke geloof dat zij met hem deelden. Niet voor niets herdacht hij in zijn tweede boek over Jezus van Nazareth in zijn woord-vooraf Martin Hengel met dankbaarheid.

Mevrouw Hengel vertelde me dat er op geen enkele manier een barrière gevoeld werd tussen de aanwezigen.1 Dat de paus terughoudend was met een toenadering tot de protestanten hing dan ook daarmee samen dat het modernisme dat hij altijd bestreden had, diep in de protestantse kerken is ingedrongen. De geest van secularisatie die hij altijd bestreden had, had zich genesteld in de protestantse kerken. Deze geest wilde hij buiten de Rooms-katholieke kerk houden.

Nederland

Ik schreef over kritiek en lof. Aangezien ik rond 11 februari vanwege een griep thuis moest blijven, had ik de gelegenheid om via internet de berichtgeving uit veel delen van de wereld te volgen. Wat mij opviel was dat de Nederlandse nieuwsgaring zich in veel gevallen onderscheidde door grofheid en respectloosheid. Ik noem maar enkele dingen die me opvielen: de losse, luchtige manier van spreken van radioverslaggevers, met een voortdurende ondertoon van spot; de mensen die geïnterviewd werden op carnavalsfeesten; de meningen van luisteraars die over de radio naar voren kwamen, met de ene one-liner na de andere; het voortdurend de maat nemen van wat de Roomskatholieke kerk voorstaat, met als maatstaf hetgeen voor de moderne mens acceptabel is en het daarop afrekenen van die kerk.

Het was vaak stuitend. Om maar te zwijgen van dat ene tv-programma waarin twee coryfeeën eerst een gesprekje hadden over paardenvlees in ons eten, dat – natuurlijk – uitliep op een paar grove opmerkingen over  genetaliën, waarna zij in gesprek gingen met een priester over de paus, een gesprek dat alweer geforceerd geduwd werd in de richting van iets waarover toen ik jong was alleen lastige pubertjes het liefst spraken…

Wat een verschil van toon met buitenlandse media! Ik geef de lezer enkele bijzonderheden door, die ik vond tijdens mijn ‘rondreis in de wereld van de kranten’:

President Obama liet weten “Namens de Amerikanen van overal in deze wereld willen Michelle en ikzelf onze dank betuigen aan en onze gebeden uitspreken voor Zijne heiligheid Paus Benedictus XVI.”

De Australische premier stelde: “Toen kardinaal Ratzinger verkozen was tot paus zei hij dat hij niets anders wenste dan een eenvoudige arbeider te zijn in de wijngaard van de Heer. In alle opzichten heeft hij de reikwijdte van deze nederigheid laten zien.”

De groot-rabbijn van Israël liet weten: “Onder zijn gezag zijn de banden tussen het Groot Rabbinaat en de Kerk, het Jodendom en het Christendom vele malen hechter geworden, hetgeen geleid heeft tot een vermindering van anti-semitische acties in de wereld.” Heel treffend was wat ik las in een speciale editie van de gerenommeerde krant Le Figaro in Frankrijk. In het redactioneel artikel las ik: “Aan deze man, die zo toegewijd is aan studie en het onderwijzen van de theologie was een bijna onmogelijke taak voorbehouden: hij werd door Johannes Paulus II geplaatst aan het hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer, vervolgens werd hij verkozen tot hoofd van de Katholieke Kerk. Beide keren stond ‘erin toestemmen’ voor Joseph Ratzinger gelijk aan gehoorzamen, voordat hij zijn stempel kon drukken op de zending die hem daarmee werd toevertrouwd. Zijn pontificaat werd gekenmerkt door enkele grootse gebaren. De intellectuele paus sprak enkele gewaagde lezingen uit, zoals aan het college van de Bernardijnen of in Regensburg, hij schreef enkele persoonlijke werken over Jezus Christus (…) Benedictus XVI handelde vanuit een innerlijke intuïtie, een zekerheid, terwijl hij onverschillig leek voor het gekletter van de media. De onverwachte aankondiging van zijn aftreden komt uit deze kracht van zijn karakter voort. Zij getuigt ook van een andere karaktertrek waarvoor het past iemand, die zozeer bespot en van wie zo’n karikatuur gemaakt wordt (men noemde hem de ‘pantserkardinaal’) te eren: nederigheid. Benedictus heeft aangevoeld dat de uitdagingen van de hedendaagse kerk zijn krachten te boven gingen. Hij heeft zijn ambt vaak uitgelegd als een dienst en niet als een uitoefening van macht. Het is dan ook des te vrijwilliger dat hij er afstand van doet, voor het oog van een volledig verbaasde wereld. Terwijl hij dat doet, herneemt hij als een echo een oud lied van hoop, dat van de grijsaard Simeon in de avond van zijn leven: ‘Nunc dimittis’, “Nu, o Heer, kunt u uw dienaar laten gaan…”

H. Klink, Hoornaar

 

Noot
1 Het was overigens juist tijdens zulke weken dat de paus het meest tot zijn recht kwam. Mevrouw Hengel vertelde me dat een van de aanwezigen tijdens een studiebijeenkomst een vraag in het midden legde, waar de paus zelf antwoord op gaf. Een uur lang was hij aan het woord, onvoorbereid, waarbij hij uit het hoofd citeerde. In dat uur hield hij een betoog dat door een ringetje te halen viel, wat woordkeus en opbouw en helderheid betrof.