Terug naar Ecclesianet.nl

H.F. Kohlbrugge en J.H. Gunning jr. over Réveil en heiliging (IV, slot)

Niet alleen m.b.t. de zedelijkheid denkt Gunning vanuit de gemeenschap met God die ons in Christus geboden wordt. Vanuit deze gedachtegang, dit fundament, zet Gunning de stap naar de wetenschap. Wij moeten, ook in de wetenschap, niet denken vanuit de natuurlijke wereld en proberen van daaruit iets over God te zeggen. Nee, we moeten bij God beginnen, en van daaruit tegenover ‘de creatuur die zichzelf niet verstaat’ God ter sprake brengen.

Het wetenschappelijk onderzoek naar de vraag naar God, of Hij bestaat en wie Hij is, is volgens Gunning ten diepste een omkering van de bewijslast. Wij mensen zijn schuldenaren. Krachtens onze oorsprong en ons wezen zijn wij verschuldigd wél iets van God te weten en God tegenover de wereld en de natuur te verkondigen. Maar in plaats daarvan verlangt de mens van de wereld en de natuur dat ze zijn geest tot God zullen leiden. En als die wereld en natuur onduidelijk spreken of zwijgen, concludeert de mens dat God en de dingen des geestes onzeker en voor discussie vatbare problemen zijn. Het moet precies andersom. Wij zijn in Christus volmaakt, en het is de taak van ons leven om deze in beginsel gegeven volmaaktheid uit te breiden over ons gehele lichamelijke en geestelijke leven en vervolgens over de wereld. Want de verschijning van Christus en Zijn leer resulteert niet in ‘trage werkloosheid, maar in een wereldherscheppend streven.’ Christenen moeten niet ‘in het geloof’ of ‘in het gezag der Heilige Schrift zich als in een ontoegankelijke burcht terugtrekken en van daaruit, ‘hooghartig of vreesachtig’, een gedachtewisseling met de onbevangen wetenschap schuwen. Wetenschap die uitgaat van de mens ‘buiten Gods persoonlijke openbaring’, verdient het predicaat ‘wetenschappelijk’ niet. Zij gaat namelijk niet uit van een beschouwing van de mens die de vrucht van een onbevangen waarneming is, maar baseert zich op de kunstmatige, onnatuurlijke toestand van de mens die Gods oorspronkelijke openbaring vaarwel heeft gezegd.

Als wij tot een afronding komen van de artikelenreeks over Kohlbrugge en Gunning en het bovenstaande willen samenvatten, kunnen we dat doen aan de hand van de volgende conclusies:

– Kohlbrugge en Gunning hebben zich beiden gedistantieerd van bepaalde opvattingen over de heiligmaking van de christen zoals die in Réveilkringen leefden. In zijn polemiek met Da Costa benadrukte Kohlbrugge dat er ook voor de bekeerde, wedergeboren mens geen weg vanuit hemzelf naar God is. Met onze heiligingskrukken komen wij de berg Gods niet op. Dat hoeft ook niet, want God is in Christus van die berg afgedaald en heeft ons in Hem de volkomen zaligheid, rechtvaardigheid en heiligheid, geschonken. Al ons streven om ons zelf die heiligheid eigen te maken staat God alleen maar in de weg, en neemt geen genoegen met het Lam. In zijn discussie met de Réveilkringen uit zijn dagen heeft Gunning zich verzet tegen de tendens om rechtvaardiging en heiliging als twee opeenvolgende bekeringen uit elkaar te trekken. Dat is onmogelijk, en leidt alleen maar tot onheil. In Christus zijn wij geheel heilig. De allerkleinste zonde kunnen wij vanuit onszelf niet overwinnen zonder dit besef.

– Kohlbrugge heeft zich in zijn prediking zijn leven lang op deze christologische boodschap geconcentreerd. Hij hield het bij dit centrale gegeven uit de soteriologie en stelde dat zijn gemeenteleden binnen en buiten Elberfeld onvermoeibaar voor – mensen die vanuit hun zondige natuur moesten leren grijpen naar het bovennatuurlijke wonder in Christus, in Wie wij zijn wat wij zelf niet zijn. Bij Gunning zien we dat dit centrale gegeven van het heil niet alleen in Christus wordt gegrond, maar ook in de schepping, de ontologie (Zijnsleer). Wie in Christus gelooft, wordt mens, in hem herstelt zich de oorspronkelijke natuur. De zonde is niet natuurlijk, maar on- of benedennatuurlijk.

– Vanuit dit verschil waaiert het denken van Gunning breed uit, anders dan dat van Kohlbrugge. Vanuit de ontologie van de volmaaktheid in Christus kan de gelovige het gehele leven, inclusief de wetenschap, overzien, en daar ware en juiste dingen over zeggen omdat hij die wereld niet beziet vanuit de zogeheten onbevangenheid van de moderne wetenschap maar vanuit God, en dus de wereld ziet zoals zij is en door God is bedoeld. Gunning zocht ‘de eenheid des levens’. O. Noordmans heeft hem getekend als ‘een mens in agonie’, een mens die ‘naar adem gaapt en bezwijkt’ (Noordmans citeert hier Luther), een mens die vol onrust was over de geestelijke dampkring van zijn tijd en de overlevingskansen van het christendom. Hij was zich ervan bewust getuige te zijn en deel te nemen aan een ‘eindstrijd’. Hij wist de geest van zijn tijd ‘te onderscheiden met een scherpte, die hij dankte aan zijn intens gebedsleven en de nabijheid Gods, waarin hij leefde.’ Gunning was een man van de ascese, van de zelfverloochening en de concentratie. Maar juist zijn eschatologisch levensbesef heeft hem niet in fideïsme doen vluchten, maar hem juist aangespoord de eenheid des levens te zoeken. Omdat, zoals C.S. Lewis het later verwoordde, het geloof weliswaar niet op argumenten en bewijs gebaseerd is, maar een geloof zonder argumenten en bewijs in een kil en seculier klimaat alleen maar kan verkommeren.

– De kritiek van Gunning op het Réveil was al eerder verwoord door geestverwanten als Alexandre Vinet (1797-1847) en Daniël Chantepie de la Saussaye (1818-1874). Beide theologen waren, evenals Gunning zelf, intens dankbaar voor het vele goede dat het Réveil had gebracht. Maar na de opwekking van het geloof die het Réveil was, na deze herleving van het historisch christendom, moest een volgende stap worden gezet. Het Réveil moest worden voltooid door de ontwikkeling van een christelijke filosofie. Op de ‘renaissance van het geloof’ moest een ‘renaissance van het christelijke intellect’ volgen. Vinet zei dat al in 1837, bij zijn aantreden als hoogleraar praktische theologie in Lausanne. La Saussaye heeft deze kritiek herhaald, in enkele geschriften en in correspondentie met Groen van Prinsterer. Ook hij waarschuwde tegen een geloof dat zich terugtrok in de burcht van piëtisme en dode orthodoxie. Er moest een nader Réveil komen waarin de erfenis van het Réveil ook in de theologische wetenschap, ook in de confrontatie met de Schriftkritiek, werd uitgewerkt. De betogen van Gunning zouden we kunnen zien als een poging de agenda van dit nadere Réveil te formuleren. Geen ‘angstvallig piëtisme’ zoals dat vanuit Engeland kwam overwaaien, maar een geloof dat de werkelijkheid vanuit Gods werkelijkheid ziet en, bijvoorbeeld, de gegevens van de historisch-kritische methode dankbaar aanwendt om de Bijbel als het Woord van God nog beter te verstaan.

– Bij Kohlbrugge én Gunning vinden we dus een onopgeefbare en essentiële bevindelijke diepte die bij Gunning is uitgewerkt tot een katholieke breedte die kan uitmonden in het ideaal van Vinet: een renaissance van geloof en intellect, een open, christelijke levens- en wereldbeschouwing die stand houdt in de confrontatie met tijdgeest en wetenschap. In de strijd tegen externe en interne secularisatie die zich in onze dagen meedogenloos aan ons opdringt, is de vorming en toerusting van christenen harder nodig dan ooit. Die vorming kan geen beter fundament hebben dan de combinatie van beide tradities – die van Kohlbrugge en Gunning - in een ethisch-Kohlbruggiaanse synthese waarin de eenheid des levens wordt hersteld.

B.J. Spruyt, Gouda

 

Korte aantekening
Over de beweging van Moody, Sankey en Pearsall Smith en hun invloed in Nederland publiceerde H. Krabbendam een artikel dat in mei 1991 in het Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800 is verschenen. Over het (overbekende) conflict tussen Da Costa en Kohlbrugge heeft de hebraïcus en historicus Bart Wallet recent een interessant artikel geschreven waarin toch weer nieuwe aspecten aan de orde komen. Da Costa wilde het Nieuwe Testament Joods, d.w.z. vanuit het ‘Oude Testament’ lezen, terwijl Kohlbrugge, omgekeerd, het ‘Oude Testament’ strikt christologisch interpreteerde. In zijn poging de kerk vanuit de Joodse traditie te vernieuwen, kon Da Costa de visie niet accepteren dat de Joodse wet een ‘lijk’ werd genoemd. Het artikel van Wallet (‘Het Réveil als “joodsche Hervorming”’) is verschenen in Fred van Lieburg (red.), Opwekking van de natie: het protestantse Réveil in Nederland (uitgeverij Verloren, 2012). Gunnings brochure over Geestelijke opwekking (Revival) is onlangs herdrukt in deel I van het Verzameld werk van Gunning (uitgeverij Boekencentrum, 2012). Bij de weergave van de citaten in bovenstaand artikel heb ik de spelling en interpunctie soms wat gemoderniseerd maar geen woorden veranderd.