Terug naar Ecclesianet.nl

Bij de tweehonderdste geboortedag van Sören Kierkegaard (II, slot)

“Een idee om voor te leven en te sterven”

Bovenstaande woorden vormen de titel van een boekje1 dat in het afgelopen jaar door Uitgeverij Damon werd uitgegeven ter gelegenheid van de tweehonderdste geboortedag van de Deense denker Sören Kierkegaard (1813 – 1855). Het bevat een negental essays, waarin de leden van de Redactieraad Kierkegaard Werken hun gedachten laten gaan over de kern van Kierkegaards denken. De titel van het boekje is ontleend aan het zgn. Galileje-fragment, een passage uit een van Kierkegaards dagboeken, daterend uit 1835, toen de 22-jarige student met vakantie was in het vissersplaatsje Gilleleje op het Deense eiland Sjaelland, het eiland, waarop ook Kopenhagen ligt. Kierkegaard schrijft hier: “Waar het mij eigenlijk aan ontbreekt, is met mijzelf in het reine te komen over wat ik moet doen […]. Het komt erop aan mijn bestemming te begrijpen, te zien wat de godheid eigenlijk wil dat ik doe, het gaat erom een waarheid te vinden die voor mij waarheid is, de idee te vinden waarvoor ik wil leven en sterven” (blz. 22v.).

“Met deze woorden”, zo lezen wij op de achterflap van het boekje, “schreef de jonge Kierkegaard zich de onsterfelijkheid in. Ze (…) vormen de kiem van een omvangrijk en invloedrijk oeuvre in de geschiedenis van de wijsbegeerte en de theologie.” In het dagboek wordt het fragment voorafgegaan door een – nooit verzonden - brief van Kierkegaard aan een zekere Peter Wilhelm Lund, een natuurwetenschapper, met wie hij in contact was gekomen, toen deze, teruggekeerd van een reis naar Brazilië, enige tijd in Kopenhagen doorbracht. Kennelijk heeft de ontmoeting met Lund bij de jonge student een vraag doen rijzen: “Wat wil ik eigenlijk in mijn leven gaan doen?”, - een vraag, die gedurende zijn verblijf in Gilleleje gaandeweg veranderde in: “Wat wil ik eigenlijk met mijn leven gaan doen?” “Deze wending van het objectiveerbare naar het existentiële zal de latere denker en schrijver blijven kenmerken”, aldus Frits Florin in zijn opstel “Zo begon Sören Kierkegaard te denken” (blz. 38).

Persoonlijke kennis

Het is niet mogelijk de idee, waar het Gilleleje-fragment om draait, in directe bewoordingen weer te geven. “Haar ten volle expliciteren, als dat al mogelijk zou zijn, betekent”, aldus Karl Verstrynge in zijn bijdrage aan de bundel (“Te leven voor een idee”), “net de grootste ontrouw aan datgene wat hij met zijn schrijverschap heeft willen bereiken en bewerkstelligen.” Het is nu juist een cruciale gedachte in Kierkegaards denken, dat datgene, wat ons leven schraagt en betekenis geeft, persoonlijk is en niet in directe of objectieve termen is weer te geven. “De cruciale momenten in de existentie van elke mens ontsnappen aan elke wetenschappelijke of uitputtende beschrijving. Net dat inzicht heeft er toe bijgedragen hem de vader van het existentialisme te noemen” (blz. 47v.).

En inderdaad: Kierkegaard heeft de concrete, unieke bestaanswijze van de mens tot uitgangspunt van zijn wijsgerige reflectie gemaakt. Maar er is een groot verschil tussen zíjn denken en dat van de existentialisten. Terwijl denkers als Jean-Paul Sartre en Albert Camus uitgaan van een volstrekt immanent existentiebegrip - elke zinvolle verwijzing naar een hogere orde wordt door hen met grote stelligheid van de hand gewezen - denkt Kierkegaard vanuit het geloof. Hij is een christelijk denker: in eigenlijke zin existeert de mens pas voor God.

Reeds in het Gilleleje-fragment komt dit tot uiting: het is Kierkegaard erom te doen, “te zien wat de godheid eigenlijk wil dat ik doe.” Op zoek neer “een waarheid voor mij” weet hij zich aangewezen op een wenk, die “van boven komt.” Verstrynge concludeert: “De gedachte dat een godheid zou willen dat hij iets doet, laat eigenlijk al vermoeden dat Kierkegaard zich voor een religieuze taak gesteld zag, dat hij iets ten uitvoer diende te brengen, dat hem van hogerhand was opgelegd. Een vluchtige blik op enkele titels uit zijn omvangrijke oeuvre leert al snel dat aan zijn gedachtegoed inderdaad een religieuze overtuiging ten grondslag ligt waarvan Kierkegaard ook zelf herhaaldelijk beweert dat elk werk (hoe onwaarschijnlijk ook) ervan is doordrongen”. Stelliger nog dan Verstrynge drukt Pieter Vos zich uit, die in zijn opstel “Toen begon die enorme kolos te wankelen” concludeert, dat Kierkegaard in zijn geschriften “in allerlei opzichten trouw blijft aan het orthodoxe geloof en daarbij ook centrale christelijke dogma’s en theologoumena als uitgangspunten aanvaardt”, zodat het niet aangaat om uit bovenstaande uitspraak in Kierkegaards brief aan Lund een “totale afrekening met het christelijk geloof” te distilleren2.

Integendeel, Kierkegaard heeft steeds vastgehouden aan de objectieve waarheid van het bijbels getuigenis, de waarheid van Christus’ zelf-getuigenis “Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Johannes 14 : 6). Hij wist wel terdege van het christelijk geloof als een geloof, gegrond in heils-feiten, in feiten, waar het geloof aan hangt.

Maar, zo vraagt men zich dan af, hoe valt deze trouw aan de orthodoxe traditie te rijmen met het hartstochtelijk verlangen, in het Gilleleje-fragment verwoord, naar een subjectieve waarheid, een “waarheid die voor mij waarheid is”? “Wat zou het voor nut hebben”, vraagt Kierkegaard, “als ik een zogenaamde objectieve waarheid zou vinden? […] Wat voor nut zou het voor mij hebben de betekenis van het christendom uiteen te kunnen zetten, vele afzonderlijke fenomenen te verklaren, als die voor mijzelf en voor mijn leven geen diepere betekenis zouden hebben? […] Wat voor nut zou het voor mij hebben als de waarheid koud en naakt voor mij zou staan, onverschillig of ik haar al dan niet zou kennen, waardoor ze veeleer een angstig beven dan een vertrouwensvolle overgave teweeg zou brengen?” (blz. 22).

Levende kennis

Wanneer men dit leest, vraagt men zich onwillekeurig af, of hier geen sprake is van een totale versubjectivering van het geloof en van de christelijke leer, zoals men die ook in onze dagen vaak tegenkomt: “Waarom zou ik mij de wet laten voorschrijven door wat eeuwen geleden schriftelijk is vastgelegd en daarna door het ene geslacht aan het andere is doorgegeven? Ik ben ik, en ik laat mij alleen gezeggen door wat ikzelf als waarheid ervaar.” Krijgen wij uit het Gilleleje-fragment niet de indruk, dat men zich voor uitspraken als deze op Kierkegaard kan beroepen?

Ja, zo lijkt het wel. En toch: Kierkegaard ontkent dit. Hij houdt vol, dat hij – nog steeds - uitgaat van “een imperatief van het kennen” en dat deze ook invloed uitoefent op de mensen, maar, zo voegt hij hieraan toe, “dan moet de kennis levend in mij opgenomen worden, en dat beschouw ik nu als de hoofdzaak. Daar snakt mijn ziel naar, zoals de woestijn in Afrika naar water” (ibid.). Ware kennis heeft voor Kierkegaard betrekking op de eigen existentiële werkelijkheid. Zij is ten diepste zelf-kennis, en zelfkennis is de bron, van waaruit alle waarachtige kennis ontpringt. Dit betekent niet, dat objectieve kennis er niet toe doet. Zij is wel degelijk van belang, maar dat, waar het om draait, is de eigen verhouding tot deze kennis. “Het komt aan op een innerlijk handelen van de mens, dat is het brandpunt waar alle middellijnen bijeenkomen”, aldus Vos in zijn bijdrage aan de bundel (blz. 75).

Navolging

Kierkegaards behoefte – een schreeuwende behoefte, mag men wel zeggen - aan levende kennis ontlaadt zich in een ongekend scherpe kritiek op de traditionele orthodoxie, die hij – “in een stijl die eerder aan Nietzsche doet denken dan aan een aan het christendom toegewijd apologeet” (Vos) – keer op keer onder vuur neemt. Nee, niet het christelijk geloof als zodanig moet het bij hem ontgelden, maar de ontaarding van de orthodoxie tot een geheel van leerstellingen, die objectief waar zijn. Vooral in zijn brief aan Lund hekelt hij het rationalisme - zowel in de klassieke dogmatiek als in de moderne theologie3 - dat een halfslachtig verbond met het christendom heeft gesloten zonder er werkelijk mee te integreren. Kenmerkend zowel voor de orthodoxe als voor de modern-rationalistische theologie is de systeemdwang, die tekortdoet aan tegenstellingen en ongerijmdheden, zoals deze zich nu eenmaal in de realiteit voordoen: de werkelijkheid wordt genegeerd. En om die werkelijkheid is het Kierkegaard nu juist te doen.

Reeds in november 1834 schrijft Kierkegaard in zijn dagboek: “De christelijke dogmatiek moet, lijkt mij, een ontwikkeling zijn van Christus’ werkzaamheid, en dat des te meer omdat Christus niet een of andere leer opstelde maar werkte. Hij leerde niet dat er een verlossing is voor de mens, maar hij verloste de mens.” Welnu, staat in het christendom Christus’ werkzaamheid op de voorgrond, dan kan het niet anders, of ook in het christen-zijn gaat het niet om het aanvaarden van een geheel van leerstellingen, maar om een manier van leven. En wat dit inhoudt, wordt men gewaar, wanneer men kennisneemt van het oorspronkelijke, authentieke christendom, dat ons laat zien, wat de navolging van Christus inhoudt. De kardinale vraag, door Kierkegaard als een knuppel in het hoenderhok geworpen en in de loop der jaren gaandeweg vaker door hem aan de orde gesteld, is: Wat betekent de orthodoxe leer voor de concrete werkelijkheid van het menselijk bestaan?

Nadere Reformatie

Op de keper beschouwd is deze vraag niet nieuw. Zij is in de loop der eeuwen vaker gesteld, vooral in tijden, waarin het intellectualisme hoogtij vierde. In dit verband denken wij bijvoorbeeld aan de Nadere Reformatie, die de doorwerking van de leer in het leven centraal stelde. Maar de radicaliteit, zoals men deze bij Kierkegaard, de man van het christen-worden, aantreft, is wel degelijk nieuw. Een radicaliteit, die nog wordt versterkt door de zware nadruk, die hij legt op de navolging als een volgen van Christus in zijn lijden, hetgeen vooral tot uiting komt in zijn boek Oefening in christendom, waarin de idee van de gelijktijdigheid, het eeuwig-gelijktijdige van Christus’ leven op aarde, zo’n grote plaats inneemt: “Kunt gij het niet op uzelf verkrijgen om, als stond gij tot Hem in de verhouding van tijdgenoot, een christen te worden; of kan Hij, als ware Hij uw tijdgenoot, u niet treffen en u tot zich trekken: dan wordt gij nooit christen.”4

Samenvattend zou ik willen zeggen, dat het Gillelejefragment ons veel te zeggen heeft. Het drukt ons met de neus op de realiteit. Een realiteit, die ons niet in de eerste plaats bepaalt bij het probleem van de massale kerkverlating in onze tijd, maar bij de noodzaak van een proces van bezinning bij hen, die de kerk tot nog toe trouw gebleven zijn. Bij deze bezinning kan de Deense denker ons als een uiterst betrouwbare gids ten dienste staan.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

 

Noten
1 ISBN 978 94 6036 065 7. Aantal pagina’s : 132. Prijs: € 14,90.
2 Vos verwijst hier naar Kierkegaards Opbouwende toespraken, Filosofische kruimels, Het begrip angst, De ziekte tot de dood en Oefening in christendom.
3 Deze oud-liberale theologie, door Noordmans in zijn Geestelijke Perspectieven (blz. 90) getypeerd als “een verschoten gereformeerde leer”, gaf in de tijd van Kierkegaard ook in ons land – nog steeds – de toon aan.
4 “Keur uit de werken van Sören Kierkegaard”, uit het Deens vertaald door R. Chantepie de la Saussaye, blz. 245.

 

Naschrift
Het boek Kierkegaard in discussie van Onno Zijlstra en het Gilleleje-fragment dienden als uitgangspunt voor het Kierkegaard- symposium, dat op vrijdag, 1 februari j.l. onder auspiciën van de PThU, in samenwerking met Uitgeverij Damon en de redactieraad Kierkegaard Werken in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit heeft plaatsgevonden.