Terug naar Ecclesianet.nl

H.F. Kohlbrugge en J.H. Gunning jr. over réveil en heiliging (III)

De weg die Gunning voor zich ziet naar een ‘krachtige vernieuwing van het leven’, is niet die van het heilloze opwekkingsindividualisme. Laten we ons eerst verootmoedigen voor God en ‘onze ontzettend zware schuld’ belijden omdat we de Heilige Geest hebben tegengestaan. Laten we de ‘historisch bestaande toestanden’ eren, en laten we ons richten op het gehele, volle leven. Want de Heilige Geest leert ons dat de ons toevertrouwde waarheid een leven is. Het doel waar alles op uitloopt, is het Koninkrijk van God en wij moeten ‘in de gistende ontwikkelingen van onze tijd’ niet alleen de zonde en de afval zien maar ook ‘het verborgen werk der toebereiding van zijn Koninkrijk’. Daarom moeten wij ‘de maatschappij in haar duizendvormig woelen, de wetenschap in haar hoogst belangrijke voortgangen, het zwoegend en overal nieuwe banen zoekend streven der kinderen dezes tijds niet verachten’, maar daarop ingaan ‘in het besef dat Jezus Christus de Koning is aller eeuwen’. Ons geloof moet ons ons niet doen terugtrekken in een ‘angstvallig piëtisme’. Ons geloof moet ons ‘ver van alle bekrompenheid en vreeze’ dapper in deze wereld doen staan en de diepten der wetenschap niet schuwen. Er is maar één redmiddel, zo citeert Gunning zowel aan het begin als aan het einde van zijn brochure zijn leermeester Chantepie de la Saussaye: ‘Een uitstorting van de Heilige geest over de Kerk, over haar leraren en hoogleraren, over koning en vaderland.’

Het scherpe betoog van Gunning laat aan duidelijkheid weinig te wensen over, en ook zijn geestverwantschap met Kohlbrugge komt duidelijk naar voren. Natuurlijk is er ook een verschil tussen de spiritualiteit van Da Costa en de zijnen aan de ene kant, waar Kohlbrugge zich tegen keerde, en de opwekkingsvroomheid waar Gunning tegen protesteerde aan de andere kant. Elout en Kuyper keerden zich tegen de Engelse opwekkingsvroomheid toen duidelijk werd dat de leer van de volmaakbaarheid van de christen tot te hoge verwachtingen, en diepe teleurstellingen, leidde, en toen verschillende vertegenwoordigers van de beweging zich tegen de calvinistische uitverkiezingsleer uitspraken. Da Costa en de zijnen hadden het ook niet over een tweede bekering die zou bestaan in de beslissing om voortaan zondeloos te leven. Maar de overeenkomst bestaat hierin dat zowel Da Costa als de opwekkingspredikers aan de bekering en de rechtvaardiging een volgende stap toevoegden, de stap van de heiliging, waarvoor de christen zich met alle macht en ijver moest inzetten. Voor Kohlbrugge bestond dit streven uiteindelijk en ten diepste in een loochening van het exclusieve heil in Christus. Ook Gunning benadrukte dat de christen de allerkleinste zonde niet in zichzelf kan overwinnen dan door het besef dat hij in Christus geheel gereinigd is. Het absolute moet vooraf gaan, anders komt het betrekkelijke nooit.

Kohlbrugge heeft zich in zijn preken en verhandelingen uitsluitend op de soteriologie (leer van de verlossing) toegelegd. Hij concentreerde zich op deze kern, waar de dwalende schapen door de herdershonden van het lijden en het zondebesef altijd weer naar moeten worden teruggeleid. Dat ligt bij Gunning anders. Vanuit eenzelfde geloofsbegrip wilde hij het denken en leven van christenen breed laten uitwaaieren, over het gehele leven, ook over de samenleving ‘in haar duizendvormig woelen’, ook over de wetenschap. Dat volle leven heeft bij Kohlbrugge nooit veel aandacht gekregen. Hij leefde bij de dag en richtte zich op het hart. Dat was zijn kracht, en daar ligt ook de lacune in zijn theologie.

III.
Gunning heeft zijn gedachten over de heiliging nader ontvouwd en onderbouwd, academischer en filosofischer, in een openingscollege over de zedenleer dat hij in 1892 aan de universiteit van Leiden heeft gegeven (Wordt volmaaktheid trapsgewijze bereikt? Een woord ter opening der lessen over de zedenleer, 1892/93 ). Hij wilde daarmee ‘de hoofdgedachte van mijn onderwijs’ verantwoorden. Hij formuleerde die hoofdgedachte als volgt: ‘De volmaaktheid, ons aller doel, wordt niet trapsgewijs, allengs, bereikt, maar met de vergeving der zonden in Christus door de Heilige Geest gegeven, wordt zij dadelijk geheel en volkomen ons deel. En dit werkt niet een ophouden om naar ontvouwing van die volmaaktheid te streven, maar is enig en alleen de grond waarop men inderdaad daarnaar streven kan.’

Volmaaktheid, aldus Gunning, is de eis van de wet van de driemaal heilige God. Met minder dan volmaaktheid kunnen wij voor God niet bestaan. Het is niet mogelijk die volmaaktheid vanuit de krachten van onze gevallen natuur op te bouwen, al wordt ons streven tot de edelst mogelijke volkomenheid verheven. Wat is dan nodig?, vraagt Gunning. ‘Gehele veroordeling van dit gevallen leven, geen verbetering maar bekering, geen ontwikkeling maar wedergeboorte, vernieuwing van het leven uit de Heilige Geest.’ Dit is de eenvoudige kern van het Evangelie. Volmaaktheid is Gods gave en de bestemming van de mens. God zelf heeft onze heiliging ter hand genomen. Hij werkt het willen en volbrengen in ons. Niet alleen onze rechtvaardiging voor zijn gericht, maar ook onze heiliging is geheel alleen zijn werk.

De wereld vóór Christus streefde al naar het ware mens-zijn. Maar dat is niet gelukt, zelfs de edele Grieken slaagden daar niet in. En het is niet gelukt omdat de mens het in het worden zoekt. Hij begrijpt niet dat de geest van het geheel tot de delen afdaalt en denkt dat de delen tot het geheel kunnen opklimmen. Hij wil de volmaaktheid dus trapsgewijs bereiken. Maar dat kan niet, omdat een ‘eindeloos aantal eindeloze grootheden nimmer ook maar het kleinste begin van het oneindige zijn’. Eerst uit het zijn volgt het worden. Eerst moet de boom goed zijn, dan zal de vrucht goed zijn.

Gunning gaat nog een stap verder. Waarom zoeken mensen – heidenen en afvallige christenen – hun heil in het streven en worden? Omdat het streven het beste middel is om te voorkomen dat wij de volmaaktheid bereiken. Want ten diepste willen wij dat helemaal niet. Wie God wil zien, moet immers sterven. En ieder mens poogt in zijn bestaan te volharden, wil niet sterven, maar eindeloos leven, wil wel reizen maar niet zijn bestemming bereiken, want daartoe moet hij eerst sterven en een nieuw leven uit genade ontvangen.

De waarachtige zedelijkheid is met Jezus Christus in de wereld gekomen. Het goede is geen zaak, geen ideale werkelijkheid, geen wet die men steeds stipter kan vervullen zodat het ideaal steeds dichterbij komt, maar een Persoon. In Christus kwam God tot ons en nam ons in. Volmaaktheid is gemeenschap met God in Christus, persoonlijke gemeenschap door met Christus gekruisigd en begraven te zijn. Die gemeenschap is er of zij is er niet. Men is niet veel of weinig in Christus. Men is in Hem of men is niet in Hem. Als wij in Christus zijn, dan zijn wij geheel in Hem en ook in Hem volmaakt, met de roeping nu “in deze genade op te wassen”, haar geheel in ons te laten heersen. Niet het volbrengen van een wet, niet het nastreven van een ideaal, maar een persoonlijke liefde als antwoord op de eeuwige persoonlijke Liefde, een vruchtdragen als ranken aan de Wijnstok – dat is de ware zedelijkheid. En door die zedelijkheid komt de mens tot zijn natuurlijke bestemming en ontstijgt hij zijn ‘benedennatuurlijke’ toestand van verlatenheid als gevolg van zijn afval van God.

B.J. Spruyt, Gouda