Terug naar Ecclesianet.nl

De kerk in de theologie van Dr. A. van de Beek (I)

Opnieuw ligt er een boek van de emeritus-hoogleraar Dr. A. van de Beek voor mij: Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en de Heilige Geest1, deel 2.2 in de reeks Spreken over God.

Het is, zoals de meeste lezers van Ecclesia bekend zal zijn, niet voor het eerst, dat ik in ons blad aandacht vraag voor een boek van Van de Beek. Nadat ik in 2002 zijn oratie Ontmaskering had besproken2, volgde vier jaar later zijn Israëlstudie Kring om de Messias3 en nog eens vijf jaar later zijn boek over de eschatologie: God doet recht4.

Lichaam en Geest van Christus is een heel omvangrijk werk, zoals wij dat van Van de Beek gewend zijn: het telt niet minder dan 560 bladzijden. Van de Beek is een veel-schrijver. Het veel-schrijven gaat bij hem echter niet ten koste van de inhoud, hoewel bepaalde thema’s met een zekere regelmaat in zijn publicaties terugkeren. Wat Van de Beek vooral typeert, is zijn niet zelden volkomen tegendraadse manier van schrijven. Hij prikkelt zijn lezers niet alleen tot nadenken, hij daagt hen ook uit te reageren op wat hij naar voren brengt. En dat is héél wat!

Geest en Kerk

Wat de schrijver ons in zijn nieuwe boek te zeggen heeft, komt behalve in de titel, die hij het meegegeven heeft: Lichaam en Geest van Christus, ook reeds uit in de afbeelding op het omslag: een indrukwekkend mozaïek in de San Clemente te Rome: Het kruis des levens. In het centrum van dit mozaïek zien wij Christus, als de Gekruisigde. “Zonder Hem kan niet over de kerk en de Geest worden gedacht”. Op het kruis zien wij een twaalftal duiven, als symbool van de twaalf apostelen, die “expressie van de kerk” zijn. De Heilige Geest heeft geen aparte plaats, naast de gekruisigde Christus en de kerk, maar “in de kerk krijgt Hij gestalte in het apostolische getuigenis (martyrium). Dat is de wijze waarop Gods hand zich uitstrekt naar de wereld.”

De kerk en de Heilige Geest zijn dus nauw met elkaar verbonden: wie “Heilige Geest” zegt, zegt: “kerk”. De Geest van Christus woont in het lichaam van Christus. “Het gaat”, zegt Van de Beek in het Woord vooraf, “om Christus en als we expressie van zijn Geest zoeken, dan is dat in de kerk. Als we met verbazing ontdekken dat de kerk de paradoxale presentie van God in de wereld is, dan worden we vanzelf in de richting van de Geest van Christus gedrongen. God is aanwezig in de grootste ontluistering. Dat geldt ook voor zijn Geest” (blz. 10).

Door de leer van de Heilige Geest nauw te verbinden met de christologie en de ecclesiologie keert Van de Beek zich tegen “de tendens in de hedendaagse theologie om de pneumatologie breed te laten uitwaaieren en zelfs uit te spelen tegen de christologie”. “De Geest heeft geen eigen verhaal, maar neemt het uit wat van Christus is”5 (ibid.).

De eenheid van de kerk

De kerk is één, heilig, katholiek en apostolisch, aldus de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Van de Beek wordt niet moe er de nadruk op te leggen, dat de toestand, zoals wij die vandaag de dag kennen, na de vele afsplitsingen, die in de loop der eeuwen hebben plaatsgevonden – een toestand, die door de doorsneekerkganger al te gemakkelijk geaccepteerd wordt – dóór en dóór zondig is. De eenheid van de kerk is gefundeerd in de eenheid met Christus en de Vader. Ontkenning van de eenheid van de kerk is derhalve blasfemie en “een verdeelde kerk (is) geleefde godslastering, waarin Christus wordt gedeeld en God verscheurd wordt tot meer goden” (blz. 31). “De kerk bestaat niet uit allerlei losse groepen, maar is het ene lichaam van Christus, samengehouden door de bisschoppen, de ene canon en de ene geloofsregel, in de ene Geest” (blz. 488, met een verwijzing naar ( I Clemens 46 : 6).

Van de Beek ziet de nauwe samenhang tussen de eenheid van de kerk en de eenheid van God ook in (de oorspronkelijke versie van) het Nicaenum tot uitdrukking gebracht: Na de woorden “Wij geloven in één God (…) en in één Here Jezus Christus” zou men logischerwijs verwachten: “en in één Heilige Geest”. Dit is echter niet het geval. Er staat: “en in de Heilige Geest”. Pas wanneer de kerk in beeld komt, wordt voor de derde maal het woord “één” gebruikt: “en in één … kerk”. “De eenheid van de Geest in zijn eenheid als die van de Vader en de Zoon krijgt gestalte in de eenheid van de kerk” (blz. 37).

Het bisschopsambt

Hé, bisschoppen! Doet dit niet aan Rome denken?

Ja, dat is zo. Van de Beek hecht veel waarde aan het bisschopsambt. Het is voor hem zelfs het ambt bij uitstek. Voor dit gevoelen vindt hij steun in de Vroege Kerk, met name bij de kerkvader Ignatius van Antiochië († 110): “Waar de bisschop is, moet ook het volk zijn, zoals waar Jezus Christus is, daar de katholieke kerk is”6, en bij diens ambtgenoot Cyprianus († 258), bekend door zijn uitspraak “buiten de kerk geen heil.”7

Van de Beek neemt het overigens niet alleen op voor het bisschopsambt. Hij laakt het in de kerken, die uit de Reformatie zijn voortgekomen, dat zij er vrijwel geen oog voor hebben, dat er in de loop der eeuwen in de Rooms-Katholieke Kerk veel ten goede is veranderd, zodat er alle reden is om te streven naar heling van de breuk, die in de zestiende eeuw is ontstaan: “we kunnen niet zonder elkaar en moeten alles doen om het verdeelde lichaam te helen” (blz. 12).

En het primaat van de paus dan? Voor Van de Beek, die - mede om “de oecumenische verbondenheid met de Rooms-Katholieke Kerk tot uitdrukking te brengen”- zijn Lichaam en Geest van Christus heeft opgedragen aan de Faculteit Katholieke Theologie van de universiteit van Tilburg, is ook dit geen onoverkomelijk struikelblok, dat de eenheid in de weg zou kunnen staan.

Eucharistie

In dit verband moet ook gewezen worden op het feit, dat Van de Beek niet spreekt van ‘Heilig Avondmaal’, maar, zoals dit in de Rooms-Katholieke Kerk het geval is, van eucharistie (lett.: ‘dankzegging’) en dat hij van de kerkvader Ignatius – die de woorden ‘Dit is mijn lichaam’ realistisch opvatte: ‘Dit is werkelijk mijn lichaam’ - de typering van dit sacrament als “geneesmiddel tot onsterfelijkheid” heeft overgenomen. Sprekend over de kerk als “de gemeenschap van mensen die niet meer aan zichzelf toebehoren maar aan Christus”, zegt hij: “Zij vinden hun identiteit in Hem. Zij behoren niet meer tot de werkelijkheid van deze wereld, maar tot de eschatologische werkelijkheid van Christus. Daarom zijn zij wereldvreemd. Hun wezenlijke bestaan is het eeuwige leven. Zij vieren dat in de eucharistie als middel voor onsterfelijkheid” (blz. 13).

Maria

Opmerkelijk is ook de grote aandacht, die Van de Beek - in een uiterst boeiende paragraaf (I,10) onder het kopje “De kerk en Maria” (blz. 158–176) - aan Maria besteedt. Wat ons in deze paragraaf vooral opvalt, is de positieve waardering van het Ave Maria. Van de Beek vraagt zich af, waarom ook Protestanten zich niet met een “ora pro nobis” tot Maria zouden richten. Er zijn momenten in ons leven, waarop wij niet meer kunnen bidden. Wij voelen ons dan gesterkt, wanneer anderen dat plaatsvervangend voor ons doen. De kring van die “anderen” mogen wij niet beperken tot leden van de kerk, die nu nog in leven zijn. Door dat te doen nemen wij de dood veel te serieus. Het is ten slotte niet voor niets Pasen geweest. En “het is zeker ook niet typisch ‘rooms’”. Van de Beek beroept zich voor deze zienswijze op een passage uit Calvijns Institutie8: “Calvijn zegt dat de heiligen voor elkaar voorspraak mogen doen. Hij beperkt dat niet expliciet tot de heiligen op aarde9. Veeleer gaat het om de gemeenschap van de kerk van alle eeuwen. Het gaat er niet om wie de voorspraak doet, maar dat het voorspraak bij Jezus is, die de enige echter Middelaar tussen God en de mensen is” (blz. 175).

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Lichaam en Geest van Christus. Uitg. Meinema. ISBN 978 90 211 4310 1. Prijs: € 34,50.
2 Ecclesia d.d. 28–09–2002.
3 Ecclesia d.d. 29-04-2006.
4 Ecclesia d.d. 28-11-2009.
5 Vgl. Johannes 16:14.
6 De Brief aan de Efeziërs, 20,2. Van de Beek tekent hierbij aan: “Dat wil niet zeggen dat de bisschop Christus representeert. Christus en de kerk horen samen en dat vraagt om een verbinding van het volk aan de bisschop, niet omdat deze Christus in persoon is, maar vanwege het feit dat hij de eucharistie bedient. Alleen in de eucharistie ontvangt men immers het geneesmiddel ten eeuwigen leven” (blz. 69).
7 Van de Beek benadrukt, dat de gedachte, dat er buiten de kerk geen heil is, niet maar een privémening van Cyprianus, maar “algemeen geloofsgoed van de kerk” is. De Reformatie heeft met deze gedachte niet gebroken. “De kerk is ook voor de reformatoren de moeder door wie de gelovigen het leven ontvangen en door wie zij gevoed worden.” Ergo: voor het leven in het geloof is de kerk onmisbaar. Zonder moeder is er geen leven, zonder kerk is er geen leven als kind van God. In Calvijns Institutie is de idee van de kerk als moeder “het meest uitgesproken beeld”, dat hij voor de kerk gebruikt.” Bij latere protestantse auteurs vindt men dit beeld echter niet of nauwelijks terug (blz. 21v.).
8 Institutie, III-20-19.
9 Het komt mij voor, dat Van de Beek hier de mist ingaat. De bedoelde passage biedt m.i. geen enkele aanwijzing voor de veronderstelling, dat de Hervormer de idee van de voorspraak van ontslapen heiligen voor gelovigen op aarde zou hebben voorgestaan. En dit geldt, voor zover ik kan oordelen, voor héél het oeuvre van de Hervormer.