Terug naar Ecclesianet.nl

Bonhoeffers brieven aan broeders in de verstrooiïng (III, slot)

De zichtbare kerk

Een uiteenzetting van Bonhoeffer over de zichtbare kerk in het Nieuwe Testament is buitengewoon boeiend (pag. 147-161). Deze lezing uit 1936 is sterk pneumatologisch getoonzet. De vraag die hij centraal stelt is of de kerk van het Woord van God ruimte heeft in de wereld en van welke aard deze dan is. Ook het stellen van deze vraag toont al aan dat Bonhoeffer niet alleen gericht was op het verrijken van de binnenkant van een christen.

De vraag die aan andere vragen vooraf gaat is, welke ruimte de kerk krachtens het Woord van God heeft om aan te spreken. ‘Is de ruimte van de kerk alleen het mathematische punt van het Woord van God dat hier en daar opflitst? Het punctum mathematicum van de rechtvaardiging?’

Het is een vraag die aan de orde kwam tijdens de laatste conferentie in Vianen.

De grond van de kerk is de gezonden Geest van God. Een verzameling van gelovigen is nog niet de kerk; dat wordt zij pas door de Heilige Geest. De komst van de Geest was niet onzichtbaar, innerlijk, maar ging gepaard met zichtbare tekenen: Hij verschaft zich ruimte in de wereld. Zo is de kerk niet onzichtbaar, maar als een stad op een berg. Waar de kerk zich in onzichtbaarheid terugtrekt, veracht ze de realiteit van de Geest. De Geest komt daar bij met woorden, niet in gelal en gestamel, maar juist in woorden die allen konden verstaan. Ook Petrus sprak in zijn preek direct na de uitstorting van de Geest klare taal. Hij sprak van oordeel en genade. Hij maakte zijn hoorders duidelijk dat zij met hun hele wezen met iets nieuws werden geconfronteerd. ‘Dit is gericht: van genade horen en weten en toch weten, zij behoort me niet toe. Deze spanning voert onmiddellijk naar de vraag: wat zullen wij doen?’ Daarop preekt Petrus de volle en vrije genade Gods die de mensen tot omkeer, tot nieuw leven roept.

Het komen van de Geest is een nieuwe schepping. Er wordt geen nieuwe religie gesticht, maar een stuk van de wereld wordt herschapen naar het evenbeeld van God – dat is de grond van de kerk. In een religieuze gemeenschap gaat het om de ordening van het religieuze tegenover het profane. Maar de kerk, als een uit Gods Geest herschapen stuk wereld en mensheid, vraagt de totale gehoorzaamheid tegenover de (religieuze en profane) herscheppende Geest. Dit brengt met zich mee dat de kerk niet bestaat uit religieuze formules, het dogma, maar uit het praktisch doen van Gods geboden.

Een ander belangrijk aspect van kerk-zijn is het volharden in de leer van de apostelen. De inhoud van de leer ligt vast. Het is geschied, wordt betuigd, wordt geleerd – en het zal geschieden. Nu is het alleen nog maar nodig dat dit wordt overgedragen. Didachè (leer) is de overdracht tussen vastliggende feiten en hoorders. De didachè zelf is feitelijk niets; het is de Heilige Geest die werkt. Het andere bijzondere aan deze didachè is dat de hoorders geen ‘publiek’ blijven. Deze didachè brengt koinoonia, gemeenschap. Hoorders blijven geen publiek. De verkondiging vraagt om een reactie van geloof en gehoorzaamheid. Het draait niet om gevoel, maar een zakelijke uitnodiging. Het is de zichtbare verzameling die de Geest ontvangt en die tot koinoonia door de Geest geschapen wordt. Alleen door het gehoorde Woord ontstaat broederlijke gemeenschap en al het broederlijke leven staat in dienst van de verkondiging van het Woord.

Meditatie

Een belangrijk element in de rondzendbrieven, net als in het gemeenschapsleven binnen seminarie en broederhuis, is meditatie. Ochtendgebed en meditatie gaven aan heel de dag structuur. In de ochtenddienst mediteerde men individueel een week lang over één Bijbelvers. In de rondzendbrieven riepen Bonhoeffer of de andere schrijvers de oud-seminaristen er ook toe op om te mediteren. Omdat men deze aansporing nodig had, nam hij in de rondzendbrieven ook meditatieteksten op. Hij kende de heilzaamheid van een ‘disciplina pietatis’ waarin regelmaat, concentratie en intens geestelijk leven samengaan. Dat wilde hij zijn studenten meegeven.

Bij de rondzendbrief van 22 mei 1936 zat een bijlage gevoegd van de hand van Eberhard Bethge: ‘Aanleiding tot meditatie’. Het is een ‘gouden kleinood’ van slechts vijf pagina’s, maar vol van inhoud (pag. 215-221).

Waarom mediteer ik? De eerste zin van het artikel: ‘Omdat ik een christen ben en omdat daarom iedere dag verloren is wanneer ik niet dieper in de betekenis van Gods Woord in de heilige Schrift ben binnengedrongen.’ Verdere motivatie: omdat ik predikant ben en een vaste gebedsadem nodig heb.

Wat is het doel van mediteren? Christus wil ons in zijn Woord ontmoeten. Zijn gemeenschap, hulp en aanwijzing voor de dag door het Woord, dat is het doel.

Hoe mediteer ik? De meditatie begint met het gebed om de Heilige Geest. Schriftgebonden meditaties zijn aanbevolen voor de vastheid van de gebeden en de adem van dankbaarheid. Stel steeds de vraag: wat zegt het mij? Onlosmakelijk aan het mediteren is de voorbede verbonden. Voor het heil van je eigen ziel en voor anderen.

Hoe overwinnen we drempels om te mediteren? Wees niet ongeduldig met jezelf; meditatie moet lang en ernstig worden beoefend. Laat je niet ontmoedigen. Lees de tekst telkens opnieuw, leer deze uit het hoofd en schrijf je gedachten op. Wanneer we werkelijk een keer niet weten wat we zullen bidden en de moed verliezen dan weten we dat de Heilige Geest ons representeert met onuitsprekelijke zuchten.

De rondzendbrieven getuigen van het praktiseren van deze uitgangspunten.

Uit wat ik in deze artikelen kort de revue heb laten passeren, blijkt dat Bonhoeffer in Finkenwalde een buitengewoon interessant boek is. In het bijzonder voor studenten theologie en (jonge) predikanten die zoeken naar kerk-zijn in een tijd waarin steeds minder ruimte komt voor de kerk en Gods boodschap aan een wereld die onder de heerschappij van Christus valt, maar er desondanks niets van weten wil.

Arthur Alderliesten, Culemborg

Noot
1 W.J. Lamfers, Bonhoeffer en de broeders. De gemeenschap van Christus en de broeders in kerk en seminarie, Zoetermeer z.j., blz. 10