Terug naar Ecclesianet.nl

Geloof in de samenleving n.a.v. een recent CDA-rapport

Ettelijke jaren geleden maakte dr. W. Aalders de volgende opmerking: “Ik heb altijd sterk het gevoel gehad dat het na de Tweede Wereldoorlog ontbroken heeft aan geleerden, die zich bekwaamd hadden in rechtsfilosofie en rechtshistorie en die hun kunde en visie ten nutte maakten voor zowel de kerk als de staat. Ik heb er naar uitgezien zulke mensen te ontmoeten, maar ik heb ze nauwelijks gevonden.”

De opmerking van dr. Aalders stond in nauw verband met ontwikkelingen in kerk en maatschappij gedurende de jaren zestig, toen met elke vorm van traditie werd gebroken. Men rekende af met de gedachte dat er een vaste orde is die ten grondslag ligt aan het menselijke leven: de maatschappij was maakbaar! In het kerkelijke leven werd de Wet ingeruild voor een ideologisch verstaan van het Evangelie, dat gekoppeld werd aan de alom om zich heengrijpende vernieuwingsdrang. Wie kwam er op voor de Wet en voor de historie? Als een jurist dat eens deed! Maar waren er zulke juristen? Aalders heeft naar hen gezocht. Hij heeft ze ook wel gevonden. Zo onderhield hij contacten met prof. dr. A.M. Donner (1918 – 1992) en was hij dankbaar voor de ontmoetingen met de voormalige minister van justitie prof. dr. E.M.H. Hirsch-Ballin. Maar velen waren het er niet. Wat zou het hem daarom verheugd hebben te zien dat er in het begin van de 21e eeuw meerdere jonge mensen zijn, die rechten studeren, die het belang inzien van rechtsfilosofie en rechtshistorie en hun kennis daarvan ondermeer binnen het CDA te nutte maken voor ons volk.

Een belangrijk rapport

Van een van hen, Maarten Neuteboom, stafmedewerker bij het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, werd op maandag 5 april een rapport gepubliceerd met de titel Geloven in de samenleving.1 In het rapport verkent hij het huidige maatschappelijke klimaat rondom het thema religie en komt hij tot een afweging rondom de vraag wat de betekenis is van religie niet alleen in, maar ook voor de samenleving en voor de politiek. Het rapport is om meerdere redenen van belang. De belangrijkste betekenis kon wel eens daarin gelegen zijn dat het een eerste opstap is naar een herwaardering van religie met betrekking tot het publieke domein, d.w.z. met het oog op de samenleving en eveneens met betrekking tot de staat.

Religie problematisch?

Voor ik op het laatste inga, wil ik wijzen op enkele belangrijke punten waar het rapport aandacht voor vraagt.

De auteur gaat in op de plaats van religie in de huidige maatschappelijke context. Daarin is religie problematisch geworden. Dit wordt ondermeer in de hand gewerkt door: 1. de secularisatie of ontkerkelijking. Het begrip voor religie neemt daardoor af, grote delen van de bevolking hebben er steeds minder affiniteit mee; 2. de uitingsvorm van religie in delen van vooral de islam, ofwel het moslimfundamentalisme, dat in veel gevallen terreur niet uit de weg gaat. Al snel wordt daardoor elke religie in verband gebracht met radicalisme.

Het feit dat religie in de samenleving problematisch geworden is, vertaalt zich ook in de politiek. Met enkele voorbeelden uit het recente politieke debat, illustreert de auteur dit. Hij wijst op de discussie rond de gewetensbezwaarde ambtenaar van de burgerlijke stand en op de discussie rond het verbod op rituele slacht. De schrijver wijst erop dat er bij de niet-christelijke partijen sprake is van een blikvernauwing en van onjuiste opvattingen, waardoor de grondwettig verankerde vrijheid van religie in het gedrang komt.

Hij wijst ondermeer op het volgende:

Stilzwijgend wordt er vaak van uitgegaan dat artikel 1 van de Grondwet, het zogenaamde anti-discriminatieartikel, het belangrijkste grondwetartikel is. Dit is onjuist. Alle artikelen van de Grondwet zijn even belangrijk. Godsdienstvrijheid weegt voor de Grondwet dan ook even zwaar als het discriminatieverbod.

De blikvernauwing wordt in de hand gewerkt doordat men de samenleving opdeelt in aan de ene kant de staat en aan de andere kant de individu. Het ‘tussengebied’ tussen beide grootheden, een derde grootheid – het publieke domein, dat niet van de staat is – wordt daardoor miskend een komt erdoor in het gedrang.

Belangrijke afwegingen rond religie in de samenleving

Tegen de geschetste achtergrond en tegen deze maatschappelijke ontwikkelingen komt de auteur tot enkele bijzonder belangrijke afwegingen.

Hij schetst hoe belangrijk religie voor de Nederlander (nog steeds) is. Hij laat aan de hand van de cijfers van het CPB zien hoe bijvoorbeeld nog 73 procent van de bevolking religie van betekenis vindt rondom geboorte, huwelijk en dood.

De auteur laat zien hoe wezenlijk de bijdrage van kerken en religieus geïnspireerde groepen en individuen is in de samenleving. Onderzoek heeft uitgewezen dat het meeste vrijwilligerswerk gedaan wordt door mensen die religieus geïnspireerd zijn binnen deze contekst. Ook de giften voor goede doelen worden veruit het meest gedaan vanuit religieuze inspiratie.

Hij wijst op de eigen aard van de religie en de onlosmakelijke band tussen religie en de uitingsvorm daarvan in het publieke domein. Juist voor het publieke domein en de ruimte daarin, komt de auteur sterk op. In het publieke domein opereren niet alleen individuen. Dat doen ook maatschappelijke organisaties. Dat doen ook de kerken. Zij hebben eigen rechten. Dit laatste geldt ook voor de individu waar het zijn godsdienstige beleving betreft. Religie is meer dan individuele spiritualiteit. Inherent aan religie is de uiting daarvan in een bepaalde vorm. Religie vraagt daarom om verbanden, bij religie horen handelingen, rituelen en gebruiken, waarmee men het publieke domein betreedt. Men doet de religieuze beleving tekort als men deze uitingsvorm aan banden legt. Het recht op godsdienstvrijheid, dat verankerd is in de Grondwet, is bedoeld om de uitingsvormen in het publieke domein veilig te stellen. Daarom moet de overheid in de richting van de publieke organisaties (waaronder de kerken) uiterst terughoudend zijn. Zij mag kerken en religieuze verenigingen niet de wet voorschrijven, zeker niet als het gaat om uitingsvormen en gedragingen die wezenlijk bij een bepaalde religie horen.

De overheid moet dus terughoudend zijn in het publieke domein. Dat geldt ook m.b.t. de gewetensbezwaarde ambtenaar. In de discussie die daarover ontstond bij de presentatie van het rapport, poneerde prof. P.H.A. Frissen uit Tilburg, een van de sprekers, dat het eenvoudigweg de plicht is van een ambtenaar om zijn persoonlijke opvattingen opzij te zetten. Daarop verwees de heer Neuteboom naar een advies van de Raad van State, waarin het tegendeel te lezen valt. Ook wees hij erop dat het trouwen voor de burgerlijke stand in de praktijk geen louter bestuurlijke handeling is, maar gepaard gaat met een bepaald ceremoniëel, dat als zodanig niet bij een louter formele aangelegenheid hoort. Het feit dat er stilzwijgend vanuit gegaan wordt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan dit ceremoniëel vorm geeft, maakt het voor de desbetreffende persoon des te moeilijker in bepaalde situaties zijn of haar ‘plicht’ te doen! De overheid dient met bezwaren die van religieuze aard zijn en die te maken hebben met een eeuwenlange geloofstraditie (een objectief vaststelbaar gegeven, dat van betekenis is, omdat een willekeurig beroep op het geweten daarmee uitgesloten is), zorgvuldig om te gaan.

De schrijver voert dus een pleidooi voor een verregaande mate van tolerantie. Hij wijst erop dat tolerantie qualitate qua altijd een vorm van offer vraagt van degene die tolereert. Het is geen blijk van tolerantie als men van een diner met diverse gerechten uit de meest uiteenlopende landen geniet en de herkomst van de producten en de eigen bereidingswijze van een bepaalde bevolking prijst. Nee, tolerantie begint waar iemand tegen iets aanloopt wat hem niet aanstaat en waar hij zichzelf voor opzij moet zetten.

Twee nog fundamenteler punten vallen op bij lezing van het rapport.

Kernwaarden

Allereerst dat de schrijver aangeeft dat er wel degelijk grenzen zijn aan het tolereren van godsdienstige uitingen. Dit is daar het geval waar bepaalde ijkpunten of ‘kernwaarden’ van de rechtsstaat in het geding zijn. Zij bepalen de grenzen van de pluriformiteit. Hij wijst op de onverenigbaarheid van dwang en persoonlijk geloof en levensovertuiging, op “de gelijkwaardigheid van man en vrouw voor de wet, ongeacht geslacht, religie en sexuele gerichtheid en wat dies meer zij.” Belangrijk is daarbij de opmerking dat de ‘kernwaarden’ te maken hebben met een rechtstraditie waarbinnen de democratische rechtsstaat kon ontstaan: “De rechtsstaat geldt als de politieke expressie van een bepaalde cultuurconstellatie. De kernwaarden waarop de rechtsstaat berust, zijn geen abstracties, maar zijn historisch gegroeid en het besef ervan houdt de rechtsgemeenschap bij elkaar. De cultuurhistorische achtergrond ervan is nauw verbonden met de Nederlandse geschiedenis en cultuur. Tolerantie, gewetens- en godsdienstvrijheid wortelen in de strijd tegen Filips II. Wanneer dit moreel-culturele besef verbrokkelt, raakt dit de grondslagen van de democratische rechtsstaat.” Hij wijst daarbij op de achtergrond van de Westerse cultuur, die mede gefundeerd is op het Griekse en Romeinse denken. In dit licht is het goed dat Maarten Neuteboom ook pleit voor een differentiëring in de religies.2

De christelijke traditie als belangrijke waarborg voor de rechtsstaat

In het rapport wordt dus op de laatste bladzijden het grote belang van de christelijk-historische traditie onderstreept. Dat brengt me op het volgende. Het is de verdienste van de auteur dat hij het aandurft om in het publieke debat waarin religie meer en meer als achterhaald of zelfs gevaarlijk voor de rechtsstaat wordt gezien, er met nadruk op te wijzen dat de christelijke religie in de vorming van de Europese rechtsstaat een van de meest beslissende factoren is geweest. In plaats van afbreuk te doen aan de vrijheden die door het recht gegarandeerd worden, heeft ze de ontwikkeling van de rechtstaat bevorderd en deze gewaarborgd. Dit hangt samen met het feit dat het christelijke geloof twee rijken kent en de aardse werkelijkheid niet verabsoluteert. De kerk kent het rijk van de hemel en het rijk van de aarde. Als dit besef gaat ontbreken, komt de overheid er gemakkelijk toe zich te verabsoluteren en komen de vrijheden van een volk in de gevarenzone. In dit licht is het goed dat de auteur ook pleit voor een differentiëring in de religies. Hij wijdt daar niet over uit, maar duidelijk is dat religie gevaarlijke trekken krijgt als ze ideologisch wordt en geen twee-rijkenleer (meer) kent. Dat was het geval bij iemand als Filips II, die geloofsdwang toepaste, het is het geval in delen van de islam.

Maar niet alleen op het gebied van religie dreigt dit gevaar. Dat is ook het geval bij het libertaire denken van vandaag, dat zichzelf tot maatstaf verheft en voorgeeft neutraal te zijn, maar deze zogenaamde neutraliteit aan anderen oplegt, zodat de paradoxale situatie ontstaat dat men “aanvankelijk het extreme principe huldigt van de aanvaarding van alle verschillen (tussen groepen, identiteiten, waarden) maar eindigt met een rigoureuze veroordeling van alles en iedereen in verleden en heden die bij deze norm ten achterblijft.”

Mede door het besef dat de volledige verwerkelijking van het heil een kwestie is van genade en dat deze pas zal doorbreken in het eschaton, is het christelijke geloof een van de belangrijkste bouwstenen geweest van de moderne rechtsstaat. Iemand die dat als een van de weinigen gezien heeft is de grote jurist Paul Scholten. Hij schreef in 1940 een verhandeling over volk en godsdienst. Daarin wijst hij op de samenhang van vrijheid en religie. Juist het feit dat de christelijke religie weet van de waarde van de enkele mens (die naar het beeld van God is geschapen) en van het geweten, schuwt zij gewetensdwang. Deze notie leefde ook sterk in het humanisme dat in de zestiende eeuw teruggreep op de Griekse en Romeinse oudheid. Luther was doordrongen van dit besef, evenals sommige calvinisten en in het bijzonder Willem van Oranje.

De betekenis van het ontstaan van de Nederlanden

Dat Maarten Neuteboom pleit voor een gewaarborgde plaats voor religie in de samenleving is vanuit dit gezichtspunt volkomen te begrijpen. Het hangt niet alleen samen met het feit dat religie zijn nut bewijst in het publieke domein, ook niet alleen daarmee dat de vrije uitoefening ervan een in de Grondwet gewaarborgd recht is. Er is meer. Hij vraagt er aandacht voor dat de christelijke religie één van de grondpijlers van de rechtsstaat vormt. Als hij een enkele keer de zin aanhaalt van Böckenforde (dat de democratische rechtsstaat berust op waarden die ze zelf niet kan garanderen) bedoelt hij daarmee te wijzen op het feit dat de democratische rechtsstaat meer dan zichzelf nodig heeft om zichzelf te waarborgen.

De auteur staat hierin niet alleen. Meerdere keren verwees ik in het verleden naar de boeken van de Franse schrijfster Blandine Kriegel. Zij heeft een goed jaar geleden aan haar oeuvre een nieuw werk toegevoegd. Zij schreef over de Europese en mondiale betekenis van het ontstaan van de Republiek van de Nederlanden.3 Het optreden van Willem van Oranje, dat gedragen werd door een specifiek politiek-religieuze gedachte, beschouwt zij als beslissend voor de totstandkoming van de eerste rechtsstaat in Europa: de Republiek der zeven Verenigde Nederlanden. Ze wijst daarbij op de betekenis van de tweede generatie van calvinisten, de zogenaamde Franse monarchomachen, die hun visie op de staat uit de Bijbel opdiepten en daarin aansluiting vonden bij Willem van Oranje. Daarmee adstrueert zij een opvatting die zij al in de jaren zeventig in haar jeugdwerk L’ état et les esclaves naar voren bracht: de Bijbel ligt historisch gezien ten grondslag aan de rechtsstaat. Haar meest recente boek onderstreept alleen maar wat het CDA-rapport naar voren brengt: de betekenis van de christelijke religie als dragende grond van de staat. Ik sluit mijn artikel af met te verwijzen naar dr. Aalders, die als geen ander in tweede helft van de vorige eeuw voor deze dingen aandacht vroeg. Hij zei te hebben gezocht naar christenen die zich juridisch bekwaamd hebben en die zich als politici ontwikkelen binnen de christendemocratie. Gelukkig zijn ze er, en dat vooral onder jonge mensen.4

H. Klink, Hoornaar

Noten
1 Geloof in de samenleving, christendemocratische reflecties op religie en levensbeschouwing in het publieke domein, uitgave van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Het rapport kan worden besteld door een e-mail te sturen naar wi@cda.nl o.v.v. ‘Geloof in de samenleving’ met vermelding van adresgegevens of door te bellen met 070 3424874.
2 De auteur haakt hierbij aan bij het CDA-rapport Investeren in integratie (2003) van Ab Klink, destijds directeur van het Wetenschappelijk Instituut.
3 Blandine Kriegel, La république et le Prince moderne, Parijs, 2011
4 Het besproken CDA-rapport staat duidelijk in de christelijk historische en anti-revolutionaire geloofstraditie. Het laat het belang van de religie voor de samenleving zien en de staatsvormende kracht van het christelijke geloof. Het onderstreept nog eens hoe het begrip volkskerk vooral in de Nederlandse geschiedenis historisch verankerd is en alleen vanuit dit besef begrepen en geactualiseerd kan worden.