Terug naar Ecclesianet.nl

Het begrip ekklesia nader uitgewerkt (II)

Romeinen 11

In Romeinen 11 stelt Paulus de vraag aan de orde welke plaats de ekklesia inneemt ten opzichte van de Joden en de heidenen. Er was Paulus veel aan gelegen om de juiste positie van de ekklesia ten opzichte van Israël en de volkerenwereld in een goed daglicht te stellen. Daarbij was het er hem om te doen, te laten zien dat de ekklesia door haar geloof in de vervulling van de belofte aan Israël, de representant was van Israël. Toch nam zij een eigen positie in ten opzichte van Israël, wat ondermeer blijkt uit het feit dat ze bestaat uit gelovigen uit Joden en christenen!

Heel Israël

We zagen in het vorige artikel dat de naam ekklesia tot uitdrukking brengt dat de vroeg-christelijke gemeente de representant is van heel Israël, terwijl maar een deel van Israël daadwerkelijk gelooft in Christus. Dat de ekklesia desondanks heel Israël vertegenwoordigt, ligt aan het feit dat de belofte die ooit aan Abraham, de stamvader van Israël, gedaan is, in Christus tot vervulling is gekomen. Degenen uit de Joden die tot geloof in Christus komen, vormen het eigenlijke Israël. Het feit dat ze maar gering in aantal zijn, doet daaraan geen afbreuk. Het doet Paulus denken aan de tijd van Elia, toen er slechts zevenduizend trouw waren aan de God van Israël. Ondanks hun kleine aantal vormden zij destijds het ware Israël.

Dat de ekklesia voor ‘heel Israël’ staat, zegt Paulus met zoveel woorden in Romeinen 11: 16: “Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg.” De apostel gebruikt in deze zin twee beelden: dat van de eerstelingen van de oogst, die in Israël vanouds aan God geofferd werden en het bekende beeld dat een beetje zuurdesem het hele deeg zuur maakt. De ‘eerstelingen’ staan voor de hele oogst; een klein beetje zuur doorzuurt het hele ‘deeg’. Beide beelden duiden erop dat het eventueel kleine aantal gelovigen in Christus het hele volk heilig maakt.

Enkele verzen later gebruikt Paulus de beeldspraak van de takken die groeien aan de stam. De takken staan voor de Joden die geloven in Christus en die daarmee in het voetspoor van Abraham gaan. Door het geloof staan deze takken aan de olijfboom in bloei en dragen ze vrucht. De olijfboom is dus tot bloei gekomen!

Het feit dat dit echter niet van alle takken geldt, heeft Paulus enorm bezig gehouden. Dit blijkt ook uit Galaten 4. Dit hoofdstuk kan ons helpen Romeinen 11 beter te begrijpen.

Sara en Jeruzalem in Galaten 4

In Galaten 4 plaatst Paulus Sara tegenover Hagar. De gelovigen in Christus zijn kinderen van Sara. Sara was ooit onvruchtbaar. Maar zij leefde uit de belofte dat zij een nageslacht zou krijgen. De gelovigen zijn als kinderen van Sara vrij, zoals dat ook van Sara zelf gold. Ze zijn vrij van de wet. Hun moeder is ‘Jeruzalem dat boven is’. Dat geldt niet voor die Joden die vasthouden aan de wet en niet komen tot het geloof in Christus. Zij horen bij het aardse Jeruzalem. Zij zijn kinderen van Hagar, de slavin. Zij zijn niet vrij, want zij leven nog in de schaduw van de berg (in het Hebreeuws: ha har) Sinaï. De kinderen van de belofte horen dus bij Sara.

De beeldspraak is treffend en zegt veel over de verhouding van de ekklesia tot het Jodendom, het aardse Jeruzalem. Wat Paulus wil zeggen wordt duidelijk als we kijken naar enkele verzen uit Jesaja 51 die Paulus in Galaten 4 aanhaalt en naar enkele andere gedeelten uit Jesaja, die met het 51e hoofdstuk samenhangen.

Drie passages uit Jesaja

Paulus citeert in Galaten 4 de eerste verzen van Jesaja 51 in de versie van de LXX: - “Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel groter in aantal dan van degene die een man heeft.” In deze profetie wordt Jeruzalem een onvruchtbare stad genoemd. Toch brengt zij kinderen ter wereld.

Getuige Galaten 4 heeft Paulus geweten dat Jesaja in het 54e hoofdstuk (LXX) voortborduurt op wat staat in hoofdstuk 51:
Hoort naar Mij, die naar gerechtigheid uitziet, u die de Heer zoekt,
Zie naar de harde rots waaruit u uitgehouwen bent
En naar de bronnenschacht, waaruit u gegraven bent.
Zie op uw vader Abraham en op
Sara die u onder weeën baarde….
En nu zal Ik u troosten, Sion
En ik zal u troosten in uw eenzaamheid.
En Ik zal uw eenzaamheid maken als een tuin (paradijs) des Heren.
Vreugde en jubel zullen in u gevonden worden en de stem van lof.

In Jesaja 66 (LXX) zegt de profeet dat God degene is die zowel onvruchtbaar als vruchtbaar maakt (vs 9). Het ligt dan ook in zijn macht om ervoor te zorgen dat Sion kinderen krijgt. Juist dat belooft de profeet: Sion zal volkomen onverwacht in zeer korte tijd kinderen ter wereld brengen. De profeet voorziet dat sommigen smalend reageren op dit wonder. Zij spotten, houden zich afzijdig en veroorzaken tumult, maar kunnen Gods werk niet verhinderen. Daarom roept Jesaja degenen die treuren om Jeruzalem (dat onvruchtbaar was) op om vreugde te hebben vanwege het ingaan in de heerlijkheid van God (vs 11). In hetzelfde hoofdstuk voorzegt Jesaja dat God sommigen van degenen die gered worden tot de volkeren zal zenden om er Gods heil te verkondigen, waarbij hij ondermeer Tarsis en Griekenland met name noemt. Ook de volkeren zullen bij het heil van God, het ‘ingaan in de heerlijkheid van God’ betrokken worden!

We vatten samen: Jesaja spreekt dus in het laatste deel van de profetie over een rots die uit het oude Jeruzalem wordt uitgehouwen. De stad is onvruchtbaar zoals Sara dat was. Toch wordt er een nieuw volk van God geboren, een volk dat in Gods heerlijkheid ingaat. Zo wordt Jeruzalem als een paradijstuin (Jesaja 51: 3 LXX)! Dit wekt verbazing en ergernis bij dat deel van het volk dat zelf niet ingaat in Gods heerlijkheid en om die reden onvruchtbaar blijft.

In deze gedeelten is dus sprake van breuk en van continuïteit: Paulus ziet in de profetie de voorzegging dat de gelovigen van zijn dagen de werkelijke kinderen zijn van Sion. Zij zijn de rechtmatige voortzetting van Israël. Zij zijn de drempel overgegaan naar de vervulling van de belofte en delen in de vreugde van de heerlijkheid van God. Ze leven bij Jeruzalem dat boven is! Zo is er een breuk met het Jeruzalem dat beneden is en niet gelooft. De rots die uitgehouwen wordt, komt weliswaar voort uit de heuvel Sion, maar ze vormt een eigen fundament voor een nieuwe stad die gebouwd wordt: het hemelse Jeruzalem.

De heidenvolkeren delen in de vervulling en zo in de belofte.

Het is alsof Paulus in de beeldspraak van de olijfboom (Romeinen 11) aanhaakt bij de Jesaja 51: 3 waar de profeet de stad Jeruzalem vanwege zijn vruchtbaarheid schetst als een godstuin, een paradijs.

Paulus ziet deze belofte in vervulling gaan in de ekklesia. Van cruciaal belang is hoe de apostel in hoofdstuk 11 de ekklesia omschrijft. Hij vergelijkt haar met takken van de olijfboom Israël die in bloei staan, terwijl hij de heidenen omschrijft als takken van een wilde, ongecultiveerde olijfboom. Zij worden door het geloof geënt in de stam van de olijfboom, om zo tot bloei te komen.

In dit licht is het van betekenis dat Paulus in vers 16 de gelovige Joden typeert als de ‘eerstelingen’ van de oogst! Zij vormen de eerste vrucht aan de olijfboom. Opvallend is verder dat de apostel stelt dat de wilde takken (de gelovige heidenen) als zij in de olijfboom geënt worden deel krijgen aan de rijkdom daarvan (vers 17). De olijfboom waarin zij geënt worden typeert hij als ‘edel’, ofwel een olijfboom die in bloei staat in een tuin. Het heeft er alle schijn van dat de apostel bedoelt dat er voor de heidenvolkeren pas nu de olijfboom in bloei staat (in en door de ekklesia), de mogelijkheid bestaat geënt te kunnen worden in de olijfboom. Daarmee is dus gezegd dat de wilde olijftakken geënt worden in de in bloei staande boom. Zij krijgen door de ekklesia deel aan de beloften die aan Israël (Abraham) werden gedaan! Door deel uit te gaan maken van de ekklesia, krijgen de heidenen deel aan het heil, dat bestaat in de vervulling van de belofte waaraan zich de gelovige Joden het eerst toevertrouwden.

De ekklesia vormt dus de verbindingsschakel tussen Israël en de heidenvolkeren, waarbij de ekklesia aan de ene kant de representant is van heel Israël en tegelijk boven het oude Israël uitgaat, omdat ze niet alleen deel heeft aan de belofte die aan Israël gegeven werd, maar aan de vervulling ervan: zij behoort bij het hemelse Jeruzalem dat voor heel deze wereld open ging in Christus!

De toekomst van Israël

Van betekenis is nog eens te onderstrepen dat de ekklesia representant is van héél Israël. De Joden die geloven vormen de eerstelingen van de oogst. Daarmee is de hele oogst aan God gewijd. Daarin klinkt de belofte door dat ook de andere Joden, die nog ongelovig zijn in de toekomst zullen gaan geloven. Paulus borduurt in de laatste verzen van Romeinen 11 voort op dit thema. Daadwerkelijk verwacht hij de bekering van Israël: ooit zullen de afgebroken takken weer geënt worden in de olijfboom en delen in de vervulling van de belofte, d.w.z. in Christus’ heil, dat het eerst tot hen gekomen is. Zo zal heel Israël zalig worden. Duidelijk is daarbij wel dat de ekklesia een eigenstandige positie inneemt. Een nieuwe bedeling is ingegaan, nu de vervulling is gekomen. Deze vervulling is er immers niet alleen voor Israël, maar ook voor de heidenvolkeren. Zij worden geroepen in Christus te geloven, die de kurios is over alle dingen!

De volkeren en de ekklesia

Door te delen in de vervulling van de belofte krijgen de heidenvolkeren deel aan de nieuwe rijkdom die in Christus als vervulling van de belofte is geschonken. Om die reden hoeven zij zich niet meer te laten besnijden.

Zo behoren de heidenvolkeren in zekere zin bij Israël. Maar zij delen niet in het uitzien naar de vervulling van de belofte, zoals dat bij het oude Israël het geval was, maar in de vervulling ervan, vanwaaruit ook Israël moet gaan leven. De ekklesia komt immers wel uit Israël voort, maar ze vormt niet zonder meer de voortzetting van Israël. De vervulling is van eigen aard. Ze heeft in Christus een eigenstandigheid. Ze overtreft zelfs de stoutste verwachtingen. Vandaar dat de vervulling, zoals Jesaja al profeteerde, veel Joden in verwarring brengt. Zij ergeren zich eraan. Veel heidenen zijn er daarentegen die met deze rijkdom in aanraking komen en er door het geloof in gaan delen: zij worden als ‘vreemde takken’ in de bloeiende olijfboom, de ekklesia, geënt. Zo doet zich de paradox voor dat de heidenvolkeren ingaan terwijl een groot deel van Israël voor wie de belofte allereerst was bedoeld dat niet doen! Daarom leeft de ekklesia uit de vervulde belofte, terwijl zij uitziet naar de dag dat Israël die het eerst deze belofte kreeg, zal gaan geloven. Want als in de heilsgeschiedenis de tweespalt in Israël vanwege het Evangelie de periode al inluidde dat Gods zegen naar de heidenen ging, hoeveel te meer zal de tijd zegenrijk zijn als heel Israël daadwerkelijk tot geloof komt! Maar zover is het nog niet.

Opnieuw geënt in de stam?

Dr. W. Aalders vertelde me eens hoe hij in de trappenhal van de flat waarin hij woonde, een jonge vrouw tegen kwam, die hem vroeg of hij inderdaad de predikant was van wie ze gehoord had en of hij dus Hebreeuws kende. De vrouw was Jodin. Hij beaamde dat en zij vond dat reuze interessant: een predikant die haar taal kon lezen! Het was juist in de tijd dat dr. Aalders zijn boek over de Septuaginta schreef (De Septuagint, brug tussen synagoge en kerk, Heerenveen, 1999). Toen hij haar geantwoord had, vroeg hij haar vrij levendig, “Maar mag ik u een vraag stellen? Kent u de Septuagint?” Ze reageerde afwerend: “Nee, die bijbel daar houd ik niet van, die staat ver van ons af!” Waarop Aalders zei: “Maar mevrouw, het is toch jullie Bijbel?” Aalders bedoelde: jullie hebben deze Bijbel vertaald!

De LXX kwam uit het Jodendom en werd vertaald door kundige Joden en geaccepteerd in de diaspora en was ook in Jeruzalem gangbaar! Wat maakt de LXX zo bijzonder? Prof. Schwemer schrijft in een uitmuntend artikel over de stad van God1 dat de LXX in tegenstelling tot de Hebreeuwse bijbel messiaans, verwachtingsvol van aard is. Met andere woorden: de LXX brengt iemand tot de drempel van het Nieuwe Testament. Als de Joden deze Bijbel die ze ooit zelf tot stand brachten, zouden herwaarderen, zou dat kunnen betekenen dat ze aanhaken bij de traditie in hun eigen volksbestaan waarin het Evangelie het meest wortel schoot: naast de eenvoudige Joden uit Galiliea bij de Griekssprekende Joden, die deze Bijbel met grootse vergezichten kenden. Van die traditie (hun eigen traditie!) maakten zij zich los en ze oriënteerden zich op de talmoed en de traditie van de schriftgeleerden. Zo werden ze een relict in de geschiedenis. En dat terwijl de christelijke gemeente juist geput heeft uit deze Bijbelvertaling en zo geënt wordt in de verwachting van Israël. Zo ontstond de ekklesia.

Wie Romeinen 9 t/m 11 met deze ogen leest, onderkent dat hier sprake is van traditieverlies uit weerzin tegen het Evangelie. Maar hij begrijpt ook dat er kansen liggen rondom Israël met betrekking tot het christelijke geloof en met betrekking tot de eigen toekomst in het herwaarderen van de LXX. Hierdoor zou Israël gebracht kunnen worden tot een erkenning van het grootse karakter van het Evangelie – dat Jezus de Pantocrator is, degene die alle dingen in handen heeft. Het zou ook kunnen leiden tot een herwaardering van de ekklesia. De ekklesia immers vertegenwoordigt heel Israël. En de Heiland die de ekklesia belijdt, is ook de Heiland van alle Joden. De boodschap van het Evangelie heeft daarbij een publiek-rechtelijk aspect: Jezus is aangewezen als de Zoon van God door God zelf – krachtens de profetie, krachtens de wonderen en tekenen die Hij deed en krachtens de opstanding en hemelvaart. Psalm 110 zegt het, evenals Psalm 2 (LXX): “Maar door Hem werd Ik tot koning gesteld op de Sion, toen Ik de bepaling van de kurios proclameerde: De kurios zei tegen mij: Mijn Zoon bent u, vraag van Mij en Ik zal u de volkeren geven tot uw erfenis en als uw bezit de einden van de aarde!”

Op de verhouding van de volkerenwereld tot Israël wil ik in het volgende artikel verder ingaan naar aanleiding van Romeinen 11.

Gezien mijn laatste opmerkingen is het duidelijk welk een zegen het is dat de LXX weer wereldwijd aandacht krijgt, ook op de universiteiten van Jeruzalem. Dit laatste onder meer door Leo Seeligmann en de goede contacten die er zijn gekomen tussen Jeruzalem en Duitse hoogleraren, onder wie Martin Hengel. In Nederland heeft dr. W. Aalders aan de bekendwording van de LXX een enorm belangrijke bijdrage geleverd .

H. Klink, Hoornaar

Noot
1 Anna Maria Schwemer, ‘Himmlische Stadt und himmlisches Bürgerrecht bei Paulus’ in La cite de Dieu/Die Stadt Gottes, Mohr Siebeck, Tübingen, 2000