Terug naar Ecclesianet.nl

Goede Vrijdag en Pasen

Gedachten bij het dogma van de verzoening en over de opstanding

De laatste weken hoorde ik enkele preken over het lijden en sterven van de Here Jezus Christus. In sommige ervan werd sterke nadruk gelegd op het plaatsvervangende karakter van Jezus’ lijden. Daarmee werd bedoeld dat de Here Jezus Christus de zonde en de schuld van de mensheid, ofwel van de gelovigen op zich nam en voor deze heeft geboet, zodat de toorn van God gestild is en de zondige mens vrijuit kan gaan. Dit is een bijbelse notie, die niet uit het oog verloren mag worden. Tegelijk wordt deze notie soms in een verkeerd daglicht gesteld en worden er conclusies aan verbonden, die niet bijbels zijn en die geen recht doen aan het offer van Christus en de betekenis ervan. Wanneer bijvoorbeeld gezegd wordt dat Jezus buiten de gemeenschap met God is geplaatst om ons het heil te verwerven, gaat men veel te ver en doet men volstrekt geen recht aan de bijbelse offergedachte en bijbelse kijk op de plaatsvervanging van de Heiland. In een prachtige studie over de verzoening maakt de oud-testamenticus Hartmut Gese dit duidelijk.1 Hij doet dat vanuit zijn grote kennis van het Oude Testament.

Grote Verzoendag

Gese gaat in het bedoelde artikel uitdrukkelijk in op het oud-testamentische offerritueel, vooral op Grote Verzoendag. Er waren bij het offerritueel op deze dag meerdere dieren betrokken: de zondebok op wie de priester de handen legde, die buiten de legerplaats werd geleid en een tweede bok die geslacht werd en waarvan het bloed in een bekken werd opgevangen. De priester bracht dit bloed in het heiligdom en plengde dit achter het voorhangsel, in het heilige der heiligen, op het verzoendeksel. Ook het bloed van een stier was van betekenis. Het werd gebruikt om de hogepriester zelf en het heiligdom te reinigen, voordat de priester de gang naar het heilige der heiligen maakte.

Twee opvattingen over plaatsvervanging

Gese wijst, nadat hij deze aspecten de revue heeft laten passeren, op tweeërlei opvattingen over het plaatsvervangend karakter van het offer.

1. Volgens sommigen betekent plaatsvervanging dat degene die offert buiten het offer zelf staat. Deze uitleggers leggen doorgaans sterke nadruk op het ritueel dat plaats vindt met de zondebok, die in de woestijn, buiten de legerplaats gebracht werd. In Leviticus 16: 21 lezen we dat de hogepriester ter wille van het volk zijn hand op de kop van het dier legde om daarmee de zonden van het volk over te dragen op het dier, dat voor de zonden de straf droeg. Handoplegging betekent volgens hen dan ook: schuldoverdracht. Volgens Gese is dit laatste onjuist. Handoplegging wil vooral zeggen: identificatie met het dier. Dit gebeurde ook bij andere dieren, ook bij de bok waarvan het bloed in het heiligdom werd geplengd. Het bijzondere bij de zondebok was dat de priester na de handoplegging een tweede ritueel uitvoerde: hij droeg de zonden van het volk op het dier over – en legde daarvoor nog eens beide handen op de kop ervan. Dit tweede ritueel werd niet voltrokken bij de andere offerdieren, ook niet bij de bok, waarvan het bloed in het heiligdom werd gebracht. En het is bij dit tweede dier, aldus Gese, dat de kern van wat op de Grote Verzoendag plaatsvond, gevonden moet worden. Het eigenlijke van wat ‘plaatsvervanging’ is, kan niet worden afgeleid uit wat er met de zondebok gebeurde. Plaatsvervanging is dus niet de overdracht van de zonden op een ander, waarbij degene die offert wordt buitengesloten.

2. Gese wijst erop dat plaatsvervanging juist het tegendeel betekent: degene die offert, wordt door handoplegging bij het offer betrokken, erbij ingesloten.

Volgens Gese heeft de werkelijke ‘plaatsvervanging’ te maken met de volgende punten:
1. De handoplegging die bij het offeren plaatsvond. Door de handoplegging identificeerde de offeraar zich met het dier dat geofferd werd.
2. Offeren betekent niet zomaar: genoegdoening verschaffen, maar ‘zijn leven wijden aan’. Dit gebeurde in het heiligdom. De bloedstorting was daar de meest geëigende vormgeving van. Het leven komt van God, het hoort bij God en moet aan God worden teruggegeven of overgedragen. Daarom werd het leven van het dier, waarmee de offeraar zich identificeerde, gewijd aan God.
3. Door het bloed (het leven) van het dier te plengen in het heiligdom werd het op het verzoendeksel in contact gebracht met Gods aanwezigheid. Zo bracht degene die offert zijn eigen leven in contact met God.
4. Waar dit gebeurt, wordt het leven omgevormd en veranderd. Het wordt vernieuwd uit Gods kracht.
5. In dit geval is degene die offert niet buitengesloten van het offer maar ingesloten, geïncorporeerd. Via het offerdier wijdt hij zijn leven aan God. Zo beschouwd, is plaatsvervanging iets waarbij degene die offert van binnenuit betrokken is.

Al deze aspecten komen in het nieuw-testamentische offer dat Christus bracht tot hun recht. Hij was de Hogepriester die rein was en zijn leven volstrekt toewijdde aan God. Hij deed dit vanaf het moment van zijn doop, toen Hij de roeping aanvaardde om alle gerechtigheid te vervullen. Toen leefde het in Hem dat Hij de Wereldheiland zou zijn, het Lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt – juist door zijn leven te wijden aan God. Toen Hij vele maanden later de weg naar Jeruzalem insloeg, aanvaardde Hij zijn opdracht om ook daar het Evangelie te brengen, terwijl daar de bron van vijandschap tegen Hem te vinden was. Voordat Hij Jeruzalem binnentrok, leefde bij Hem wat in Psalm 40 staat: ‘Zie Ik kom o Heer, om uw wil te doen’. Het gold nog meer in de hof van Gethsemane, toen Hij zich overgaf aan de wil van de Vader. Daar heeft Hij bewust het priesterschap aanvaard en is Hij het laatste traject gegaan, tot aan het kruis. Zoals de priester zijn gang alleen maakte naar het binnenste heiligdom, was Hij bereid de weg naar het heiligdom te gaan.

Nu is het geen dier dat geofferd wordt (waarvan het leven aan God gewijd wordt) maar Jezus Christus. Het heiligdom is niet de tempel, maar de plaats waar God werkelijk aanwezig is: de hemel, waarvan de tempel een afbeelding is. Deze hemelse werkelijkheid, waar God troont, gaat Christus tegemoet, in de volle toewijding van zijn leven. Deze hemelse werkelijkheid ontmoet Hij op Golgotha.

Zijn bloedstorting aan het kruis betekent letterlijk: de toewijding van zijn leven aan God. Hij kan als de hogepriester, die zuiver en rein is, door het voorhangsel, d.w.z. door de wolken en donkerheid die de Here God omringen heengaan, om met zijn leven te komen in het binnenste heiligdom, voor het aangezicht van God. Zo wijdt Hij zijn leven en zo brengt Hij de hele schepping bij zijn Vader en legt Hij deze terug in zijn hand.

De zonde weggedragen

Daarbij moet worden gezegd dat Christus niet zomaar een rein leven bij God brengt. Hij vereenzelvigde zich met de mensheid zodat het leven dat Hij aan de Schepper teruggaf zondig was geworden, vervreemd van God. Juist omdat Jezus rein en volledig bereid was tot zelfovergave, werd zijn levenswijding door God aanvaard. Tegelijk ging over het leven dat zondig was geworden Gods misnoegen, zodat ook het aspect van de toorn over de zonde door Jezus gedragen werd. Het feit dat Hij de zonde op zich nam, maakte dat Hij de toorn van God daarover een tijdlang (een fase) ondervond. Zo heeft Hij de zonde weggedragen. Duidelijk is evenwel dat het eigenlijke van de verzoening niet ligt in wraak of genoegdoening. De kern van het Evangelie ligt daarin dat Hij het leven weer in aanraking brengt met God zelf, evenals dat het geval was in de tempeldienst.

Het is duidelijk dat, zo beschouwd, de zondige mens, in dit offer niet is buitengesloten, maar ingesloten en dat hij als zodanig betrokken wordt in de vernieuwing die plaatsvindt.

Luther heeft de implicatie van het feit dat Jezus het leven dat Hij aanvaardde voor God heeft gebracht prachtig onder woorden gebracht: “Zolang Christus nog niet de knechtsgestalte had aangenomen, was Hij wat zijn eigen persoon betreft veilig voor de dood en voor allerlei ellendige dingen, zodat Hij niet kon sterven of afdalen in het dodenrijk. Maar nadat Hij in ons vlees en bloed is gekomen en al onze zonde, straf en ongeluk op zich heeft genomen, moest Hij ons daar ook uit helpen. Hij moest dus weer levend worden en ook lichamelijk en naar zijn menselijke natuur Heer over de dood worden, met de bedoeling dat ook wij met Hem en door Hem uiteindelijk uit de dood en allerlei ellendige dingen konden wegkomen (…) want wat zijn wij en heel de wereld tegenover Christus ons Hoofd? Nauwelijks een druppel tegenover de zee of een stofje tegenover een grote berg. Daarom zijn wij in zijn opstanding betrokken. En zoals Hij door zijn opstanding alles met zich heeft genomen, zodat zowel de hemel als de aarde, de zon en de maan nieuw moeten worden, zo zal Hij ons ook met zich meevoeren.”2

Het is daarom volstrekt verkeerd om het lijden van Christus voor de gemeente zo voor het voetlicht te brengen alsof Jezus ter wille van ons buiten het heil geplaatst is! Het kan niet waar zijn wat een predikant een gemeente voorhield dat Jezus is buitengesloten van het heil zoals een ouder een kind buiten de deur kan zetten, zodat wij naar binnen kunnen gaan. Zulke uitspraken gaan direct in tegen de Heilige Schrift, waarin we ondermeer lezen dat Jezus tegen de moordenaar aan het kruis zei: “Heden zult u met Mij (!) in het paradijs zijn.”

H. Klink, Hoornaar

Noten
1 Hartmut Gese, Zur biblischen Theologie, Tübingen, 1989
2 Martin Luther, Predigten über die Christusbotschaft, Stuttgart, 1979, blz. 165.