Terug naar Ecclesianet.nl

Het begrip ekklesia nader uitgewerkt (I)

We komen tot een afronding van de reeks artikelen over de kerk. In nog twee artikelen wil ik nagaan waardoor de ekklesia van God zich in de bijbel kenmerkt. Ik wil proberen in het licht te stellen wat dit betekent voor de leer omtrent de kerk (ecclesiologie). En dat in verband brengen met de vragen rondom de volkskerk zoals deze naar voren kwamen rond de totstandkoming van de Protestantse Kerk in Nederland.

In vorige artikelen heb ik gewezen op enkele wezenlijke aspecten van de ekklesia in het Nieuwe Testament. Ik deed dat in het licht van de koningspsalmen en in verband met het begrip ‘vrijmoedigheid’. In de afsluitende artikelen wil ik vooral ingaan op de volgende vragen:
1. Waarom noemden de vroeg-christelijke gemeenten zich ekklesia, een woord dat oorspronkelijk volksvergadering betekende?
2. Hoe zag Paulus de kerk? Ik probeer daar iets over te zeggen in het licht van Romeinen 9 – 11, de hoofdstukken waarin hij zich uitspreekt over de relatie van de kerk tot Israël en over de verwachting die hij heeft voor Israël.
3. Vervolgens wil ik iets schrijven over de vraag waarom Paulus in het zestiende hoofdstuk van de brief aan de Romeinen één gemeente aan wie hij de groet overbrengt, aanschrijft als ekklesia, in onderscheid van de andere gemeenten die hij noemt.
4. Daarna wil ik nagaan wat dit alles te zeggen heeft over het karakter van de PKN in onderscheid van de Hervormde Kerk voordien

Erik Peterson over ‘ekklesia’

Erik Peterson was de eerste theoloog die enkele heel belangrijke geschriften het licht deed zien over het woord ekklesia. Sinds enkele jaren is men in Duitsland bezig met een volledige uitgave van zijn werken. Niet lang geleden verscheen in de serie, die uitgegeven wordt bij Echter Verlag een ‘Sonderband’ met als titel Ekklesia. Daarin is een niet eerder gepubliceerde studie van Peterson opgenomen over dit begrip.

Voor Peterson betekende het feit dat de eerste christenen hun vergadering met het woord ekklesia aanduidden, hun breuk met het Jodendom. Zij grepen immers terug op een woord dat te maken had met de Grieks-Romeinse polis (stad). Ekklesia duidde in de oudheid de volksvergadering aan, die bijeen kwam om officiële besluiten te nemen over het wel en wee van de stad. Haar besluiten hadden kracht van wet. De volksvergadering had een publiek-rechtelijk karakter. Peterson wist dat er in de grote rijken die na Alexander de Grote ontstonden geen autonome, democratisch bestuurde steden meer voorkwamen. Toch werd het volk in de grote steden van de diverse rijken die door koningen geregeerd werden, nog wel bij elkaar geroepen. Maar het kon geen wetten indienen. Wel kon de bevolking haar instemming betuigen met voorgenomen maatregelen van de koning of het stadsbestuur dat uit naam van de koning handelde. Dit gebeurde door acclamatie. Daarmee zei het volk ‘amen’ op wat de koning beoogde en kreeg een voornemen van de koning wetskracht.

Peterson ging ervan uit dat de gemeente van Christus aan dit laatste gedacht heeft toen zij de naam ekklesia koos. Zij acclameerde, zij huldigde (in eer en aanbidding) de door God aangewezen Koning: Jezus Christus. Door de keuze van de naam ekklesia onderstreepte de gemeente dat haar belijdenis en toejuiching van Christus publiek-rechtelijk van aard was, beter wellicht: een plechtig, openbaar en officieel karakter had. Zij beleed dat Jezus als de kurios alle macht had gekregen van de Vader en erkende dat Hij door het Evangelie om die reden een claim naar de wereld kon laten gelden: Hem kwam alle eer en aanbidding toe!

Waarin Peterson zich vergiste

Men kan het werk van Peterson moeilijk te hoog inschatten. Door grondige studie en kennis van de oude wereld wist hij gezichtspunten naar voren te brengen die sinds jaar en dag vergeten waren. Zo gaf hij een uitermate belangrijke aanzet tot een herwaardering van de ecclesiologie.

Toch vergiste hij zich in sommige opzichten. Zo tastte hij mis toen hij m.b.t. de polis-gedachte een waterscheiding aanbracht tussen Israël en de heidenwereld. Peterson zag over het hoofd dat men ook in Israël in de laatste eeuwen voor Christus vertrouwd was met het verschijnsel van de polis en de ekklesia als volksvergadering!

Al in de derde en tweede eeuw voor Christus bestond er in Jeruzalem een raad van oudsten en een volksvergadering, die ekklesia heette. Flavius Josephus vertelt dat Herodes in de eerste eeuw voor Christus deze raad meer dan eens bijeenriep om met bepaalde maatregelen in te stemmen.

Van betekenis hierbij is dat Herodes Jeruzalem tot het absolute centrum van de Joodse wereld maakte. Hij afficheerde zich graag als een tweede Salomo: een wijze koning met internationale allure. Door grote bouwwerkzaamheden, waarvoor hij kosten noch moeite spaarde, gaf hij Jeruzalem groot aanzien in de toenmalige wereld. Vooral de restauratie van de tempel had zijn aandacht. Op de grote feestdagen, als de pelgrims van heinde en verre naar de stad kwamen, moest duidelijk worden dat Jeruzalem de metropool was voor alle Joden, met de tempel als groots centrum. Dit besef maakte dat de ekklesia die in Jeruzalem samen werd geroepen, zich meer en meer verantwoordelijk voelde voor heel Israël, d.w.z. ook voor de Joden in de diaspora. Na Herodes’dood stelden de Romeinen een Romeins procurator aan die Jeruzalem direct bestuurde. Toen verdween de ekklesia uit beeld.

De ‘hellenisten’ en de ekklesia?

Recente studies hebben uitgewezen dat in de vroegchristelijke gemeente in Jeruzalem aanvankelijk ‘slechts’ de Grieks-sprekende christenen, de zogenaamde hellenisten, het woord ekklesia gebruikten!

Deze Grieks-sprekende christenen maakten voordat ze tot het geloof in Christus kwamen, deel uit van de synagogen in Jeruzalem. Martin Hengel wijst erop dat de synagogen in Jeruzalem vooral bestemd waren voor de Joden die uit de diaspora kwamen en in Jeruzalem gingen wonen. In deze synagogen werden de pelgrims opgevangen. Daar werd hun ook uitleg gegeven over de gebruiken in Jeruzalem en over de eredienst in de tempel. We weten dat er verschillende synagogen waren, ondermeer die van de Alexandrijnen en van de Joden uit Rome etc.

Veel hellenistische Joden die Christus erkenden, kwamen er in moeilijkheden. Zij werden uitgestoten en vervolgd omdat zij de kracht van het Evangelie op een buitengewone manier ondervonden en de boodschap van het heil met kracht naar voren brachten. Jezus was voor hen de nieuwe weg tot God. Zij leefden dicht bij zijn heerlijkheid, en dat straalde uit naar alle Joden en tot over de grenzen van het Jodendom heen! Zij waren het nu, die hun samenkomsten voor het eerst ekklesia noemden. Het meest kenmerkende van de ekklesia was dat Jezus er als kurios aanbeden werd.

In Handelingen der apostelen lezen we dan ook dat de Grieks-sprekende christenen het eerst vervolgd werden (in onderscheid van de Hebreeuws sprekende christenen).

Martin Hengel wijst op het enorme élan dat de hellenisten eigen was. De taal van het Nieuwe Testament waarin Griekse woorden een veel rijkere lading kregen, is door hen gesmeed. Paulus is schatplichtig aan deze gemeente. In deze gemeente dus kwam ook woord ekklesia in gebruik.

De christenen duidden ermee aan

Publiek-rechtelijk – Paulus in Romeinen 9-11

Wanneer we met dit in gedachten de hoofdstukken 9 -11 uit de brief aan de Romeinen lezen, vallen ons enkele dingen op. Paulus merkt op dat een deel van de Israëlieten verhard is, d.w.z. ongelovig is gebleven. Anderen zijn evenals Paulus gekomen tot de aanroeping van de kurios-naam van Jezus. Ook de heidenen kunnen door het geloof deel uit gaan maken van het volk van God dat door het geloof de toegang heeft tot God en zijn Koninkrijk. Zij worden dan geënt in Israël, dat in zijn geheel (!) zal zalig worden. Zij gaan horen bij het eschatologische volk van God, dat niet alleen, zoals Israël destijds, bij de belofte leeft, maar ook bij de vervulling daarvan in Christus. Met andere woorden: de gelovigen uit de heidenen zijn één met de ekklesia die leeft bij de vervulling van de belofte die God ooit aan heel Israël deed.

Paulus onderstreept dat Israël een uniek volk is, vanwege het verbond dat God met het volk aanging. Als bevoorrecht volk stond het in de wereld. De eigenheid van Israël hing vooral samen met dit verbond. Tegelijk was het een echt volk, met een eigen geschiedenis en een eigen staatsordening. De roeping van het volk van Israël bestond in het uitdragen van de kennis van God, die heel de wereld ten goede zou komen.

Ter wille van die belofte moest het volk in stand blijven, juist ook in zijn publiek-rechtelijk karakter, zodat de belofte en de vervulling ervan zouden wortelen in de volkerenwereld! Het volk was ‘geplant’ in de wereld, met het oog op het heil in deze wereld. Jeruzalem was de plaats waar de God van de belofte wilde wonen! Daar kwam de belofte voor heel deze wereld tot uitdrukking ondermeer in de tempeldienst. Met deze verwachting van het heil voor deze wereld leefde Israël. M.a.w.: door het bestaan van het volk Israël was er ook aan de belofte een historische en publiek-rechtelijke kant. Het woord verbond drukt dat uit!

De christelijke gemeente erkent de belofte van God. Zij erkent daarnaast dat Christus de kurios is, in wie de belofte vervuld is. Overeenkomstig die belofte is Hij gezalfd tot Koning op de Sion (Psalm 2 LXX). Op grond van de aansluiting bij de wereldwijde belofte aan Israël en op grond van het feit dat Christus door zijn dood, zijn opstanding en hemelvaart aangewezen is als de Heiland van de wereld (Romeinen 1: 3) heeft de gemeente van Christus als de gemeente die Hem huldigt, een publiek-rechtelijke kant!

De gemeente (ekklesia) eert als de volksvergadering in de polis de Koning en zij roept Israël en de wereld op om hetzelfde te doen. De gemeente heeft, als gemeente van de kurios die door God is aangewezen als Wereldheiland, deel aan de stad van God in de hemel. Zij proclameert echter in de wereld dat zijn kurios-zijn de door God bekrachtigde vervulling inhoudt van de belofte van God voor heel Israël en voor de hele wereld. Zo is er ook aan de gemeente (ekklesia) een publiek-rechtelijk aspect. Zij verkondigt de waarheid, die geldt voor alle volkeren en die tot heil is van alle volkeren. Die overtuiging maakt dat in de ekklesia vrijmoedig en met kracht gesproken wordt. Op historische grond sluit zij aan bij Israël en legt zo de waarheidsclaim van Jezus’ kurios-zijn in deze wereld.

Het protestantisme

Samengevat: door de enting van de gemeente in Israël, dat door Gods roepiung een centrale positie in de heils- en wereldgeschiedernis heeft gekregen, maar vooral door de vervulling van de belofte waarbij de gemeente van Christus leeft, heeft de gemeente een publiek-rechtelijke kant. Het woord ekklesia drukt dat uit.

Het is vanwege deze publiek-rechtelijke kant van de gemeente die de mensen opriep om Jezus als kurios te erkennen, dat zij in conflict kwam met de keizercultus. Zij vorderde de mensen immers op om Jezus te erkennen als hoogste kurios en niet de keizer, hoezeer zij hem wilde eren. Met die claim beweegt zij zich onder de volkeren en roept zij op tot erkenning van Christus’ naam en heil.

Ook deze kant van het Evangelie werd in de Reformatietijd opnieuw ontdekt. Het woord ‘protestant’ hangt ermee samen. In 1526 namen de Duitse vorsten die Luther volgden, het op voor de kerk. Zij deden dat op publiek-rechtelijke gronden. Zij riepen de keizer op om de kerk van Christus te ontzien en te beschermen. ‘Protestants’ is, zoals ooit dr. Aalders betoogde, een politiek begrip. Vanuit deze overtuiging (die samenhangt met een in de historie verankerde waarheidsclaim) is ook in Nederland de kerk van de Hervorming ontstaan. In de Hervormde Kerk is dit besef levend gebleven tot ver in de 19e eeuw. Dat dit besef desalniettemin is afgezwakt, hing samen met de eenzijdige aandacht voor de persoonlijke geloofsbeleving van de mens en zijn bekering zoals die in de hand gewerkt werd door ondermeer het piëtisme. Niet voor niets beklaagde Groen van Prinsterer zich over het tanende kerkelijke besef en over wat hij noemde ‘politicofobie’ van veel christenen, iets waarin J.H. Gunning hem bijviel. De afscheidingen en kerkscheuringen maakten dat dit kerkelijke besef bijna volledig verdween. In de 20e eeuw kwam er in de theologie een beweging op gang die er uiteindelijk toe leidde dat de publiek-rechtelijke kant van de kerk zelfs ontkend werd.

Peterson was een van de weinigen die op een cruciaal moment mede op grond van zijn studie naar de betekenis van het begrip ekklesia op deze kant van de kerk had gewezen. Hij sprak veelal tegen dovemansoren. Des te verheugender is het dat hij de laatste decennia meer en meer gehoor vindt en zijn boeken herdrukt worden. In het volgende en afsluitende artikel hierover meer.

H. Klink, Hoornaar