Terug naar Ecclesianet.nl

Meerdere verhalen, één verhaal – Rembrandts uitleg van de besnijdenis van het Kind Jezus

Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart. (…) En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen. Lukas 2: 19, 21

In het Rembrandthuis in Amsterdam zijn veel etsen van de meesterschilder te bewonderen. Op een ervan wil ik in deze tijd voorafgaand aan het Kerstfeest de aandacht vestigen. Het is een ets waarop de besnijdenis van het pasgeboren Kind is weergegeven. Zeer terecht gaat Rembrandt ervan uit dat dit ritueel niet plaatsvond in de tempel van Jeruzalem maar in de stal van Bethlehem en wel, zoals de Schrift zegt, op de achtste dag.

Wat ‘vertelt’ Rembrandt, die een voortreffelijk exegeet was, ons op deze ets? Het belangrijkste is natuurlijk de besnijdenis van het Kind. Dit was een plechtig en dankbaar moment. Onwillekeurig denk je aan de woorden van Paulus die in de brief aan de Filippenzen hoog opgeeft van de voorrechten van de wetsgetrouwe Jood. In de opsomming komt al vrij snel de zin voor: ‘besneden ten achtsten dage’ (Filippenzen 3: 5). De besnijdenis was voor de Israëliet van grote betekenis. Dus ook voor Maria en Jozef. Ook voor het Kind.

Ze zijn alle drie, als heilige familie, te zien op het schilderijtje. Maar niet alleen Jozef en Maria zijn er getuigen van. We zien ook degenen die bij de handeling van de besnijdenis zelf betrokken zijn. Achter de mannen die over het Kind heengebogen zijn, zien we bovendien een tweetal vrouwen staan. Ze staan enigszins afgeleid en geanimeerd met elkaar te praten.

Er zijn meer details die de aandacht vragen. Het eerste waarop ik wijs, is dat iedereen die in de stal aanwezig is, geconcentreerd kijkt naar het Kind en het ritueel dat plaatsvindt, op de pratende vrouwen na. Het onderstreept het belang van deze gebeurtenis. Het Kind krijgt het teken van het verbond met Abraham, het zichtbare teken dat het bij het volk van God hoort. Wat dan juist extra opvalt, is dat er nog één is die niet kijkt naar wat men op dat moment aan het doen is. Die ene is Maria. Zij is zich er zich zeker van bewust wat er op dat moment gebeurt. Haar houding drukt dat uit. Ze omlijst dit gebeuren met haar gebed. Van haar gezicht valt dankbaarheid en blijdschap af te lezen. Het is de dankbaarheid van een jonge moeder. Maar ook de dankbaarheid om wat God in het verbond gegeven heeft.

Toch kijkt Maria de andere kant op en zit zij wat op een afstand. Misschien omdat zij zich bewust is van wat de ingreep haar als moeder zou kunnen doen, hoewel die plaats moet vinden. Jozef, die het Kindje op schoot genomen heeft, heeft de blik op het concrete. Hij is in beslag genomen door wat er gebeurt, door de belangrijke rituele handeling. Vanuit gehoorzaamheid laat Maria, zonder storend te kunnen zijn, de besnijdenis in ogenschijnlijke rust gebeuren. Haar blik is daarbij echter naar binnen gericht. Ze kijkt weg omdat ze in beslag genomen is door hogere gedachten.

Wat gaat er in Maria om? Ze lijkt te beseffen dat dit Kind, om wie het verbond gegeven is, meer is dan het verbond zelf.

Maria voegt zich weliswaar in eerbied naar Gods wet, maar de dankbaarheid om het nieuwe dat met dit Kind gegeven is, is zo groot dat degene die haar gezicht ziet, merkt dat haar vreugde verder reikt dan de grenzen van de wet. Dit Kind is méér dan een zoon van Abraham. Ze zal gedacht hebben aan de woorden die de engel Gabriël tot haar sprak: “Datgene wat uit u geboren wordt, zal Gods Zoon genoemd worden.” De gloed van de engelenzang, waarvan de herders haar vertelden, heeft haar aangeraakt: “Ere zij God, in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in mensen van het welbehagen.” Dit Kind brengt op aarde een overvloediger gerechtigheid dan die van de wet. Hij is de Heer van de wet! Nu Hij besneden wordt, is het moment aangebroken dat Hij zijn Naam krijgt, Jezus. Jozef, die het Kind in zijn handen houdt, is door de engel gezegd Hem deze naam te geven. Met deze naam is Hij degene die verlossing brengt en zalig maakt. Maria weet van dat geheim. Haar gezicht drukt iets uit van de vreugde die dat geeft.

Maar er is nog iets. Over Maria’s gezicht ligt puurheid, onschuld, dankbaarheid. Wie ‘gewoon’ naar de ets kijkt, wordt erdoor getroffen. Wie echter met het gezicht van Maria meebuigt, merkt dat er een andere trek in haar gezicht te ontdekken valt: die van ernst. Ze is dankbaar èn ernstig. Ook deze ernst hangt samen met het Kind. Ze beseft: de overvloed die in Hem op de wereld komt, kan Hem in moeilijkheden brengen. Zal men Hem aanvaarden?

Dat Rembrandt dat heeft willen uitdrukken, blijkt uit het feit dat de rechterkant van de ets vrij donker gekleurd is. De linkerzijde is dat niet. Rechts staan de mensen van de besnijdenis. Links zien we Maria en Jozef en nog een vrouw. Zij staan in het licht. De onbekende vrouw kon Anna wel eens zijn, de moeder van Maria. Haar blik is, anders dan bij Maria, gericht op het kindje Jezus, bij wie de besnijdenis plaatsvindt. Ze staat achter Maria. Beiden hebben hun levensverhaal, maar zijn met elkaar verbonden via het Kindje Jezus. Beiden hebben een uitdrukking van eerbied op hun gezicht en hebben de handen gevouwen.

Dat geldt zo niet voor de vrouwen in het ‘donker’. Zij staan enigszins in het licht, maar het licht dringt (nog) niet echt tot hen door. Dat is evenmin het geval bij degenen die het Kind besnijden. Zij behoren bij het oude verbond. Zij die in het licht staan, zien dingen die verborgen blijven voor hen die in het schemerdonker (ver)blijven. De tegenstelling tussen donker en licht wordt geaccentueerd door het volgende: de vrouwen in het donker praten. Maria en de andere vrouw in het licht doen dat niet. Verstild en dankbaar zit Maria onder een ladder. Zij is aangeraakt door het licht van boven. De ladder herinnert aan de Jacobsladder, waar engelen van afdaalden en opstegen. De hemel boven haar is open.

Met de anderen, die in het schemerdonker zijn, krijgt het Kind in zijn leven te maken. Het lijkt erop alsof Maria dat beseft. Zal het Kind geloof ontmoeten als duidelijk wordt wie Hij is? Als deze vraag door Maria heen gaan, zou dat haar houding verklaren. Ze heeft de handen gevouwen, uit dankbaarheid en blijdschap. Maar ook haar zorg wordt erin uitgedrukt. Ze legt zowel haar zorg om het lot van dit Kind als haar dank in Gods handen. De dankbaarheid wint het in haar gemoed. In overgave en blijdschap (en toch met de nodige zorg) wacht ze erop hoe God de Vader het heil dat in dit Kind te vinden is in deze wereld zal ontvouwen.

‘Maria bewaarde al deze dingen, die overwegende in haar hart.’ Weinigen hebben kans gezien om deze woorden zo uit te leggen als Rembrandt in deze ogenschijnlijk eenvoudige ets.

H. Klink, Hoornaar