Terug naar Ecclesianet.nl

Gedachten bij de troonswisseling en de betekenis van Willem van Oranje

Een brief uit 1573

Toen in 1573 Alkmaar door de Spanjaarden belegerd was, schreef de stadsraad een brandbrief aan Willem van Oranje. In de brief werd de vraag gesteld of de prins wellicht met een of andere buitenlandse vorst een verbond gesloten had. Men was er in Alkmaar immers van overtuigd dat alleen met hulp van buitenlandse mogendheden aan de overmacht van de Spanjaarden het hoofd geboden kon worden. Wat Willem van Oranje, die de ziel van de opstand was, tegenover deze overmacht kon stellen, zou ten enenmale onvoldoende zijn.

Van de onmisbaarheid van een dergelijke hulp was ook de prins zich ten volle bewust. Tal van pogingen had hij inmiddels ondernomen om buitenlandse vorsten bij de opstand, die in 1568 was begonnen, te betrekken. Zo had hij de Duitse vorsten keer op keer benaderd. Zij waren uitermate terughoudend. De precaire religievrede die in 1555 in het Duitse Rijk gesloten was, wilden zij niet op het spel zetten door het aangaan van een buitenlands avontuur. Het feit dat de protestanten in Nederland voor het merendeel calvinist waren maakte het er voor hen niet beter op. Zij werden door de lutherse vorsten doorgaans sterk gewantrouwd. Op Frankrijk kon de prins al helemaal niet rekenen. Dit land was nog maar net aan het bijkomen van het bloedbad van de Bartolomeüsnacht (1572). Honderden prominente calvinisten waren vermoord, onder wie ook Gaspard de Coligny. Ook de koningin van Engeland stond gereserveerd tegenover de opstand in de Nederlanden. Zij wilde zich niet branden aan een onzekere oorlog met het machtige Spanje. Willem van Oranje en de opstandelingen waren aangewezen op zichzelf.

In die situatie schrijft Willem van Oranje aan het stadsbestuur een brief met daarin ondermeer de volgende passage, waarin hij zijn vertrouwen op God uitspreekt:

“… waerop wy niet laten willen u lieden voor antwoorde te geven dat eer wy oyt deese saecke ende beschermenisse der christenen ende andere verdruckten in desen Landen aengevanghen hebben, wij metten alderoppersten Potentaet der Potentaeten alsulcken vasten verbont hebben gemaeckt, dat wy ende alle die gheene die vastelijck daer op betrouwen, door zijne geweldighe ende machtighe hant ten lesten noch ontset sullen worden.”

‘Eer wy oyt deese saecke… aengevanghen hebben… ‘

Willem van Oranje verwijst naar God als de Potentaat de Potentaten en zegt een ‘vast verbont’ met Hem te hebben gesloten. De vraag dringt zich op over welke tijd Willem van Oranje spreekt. Wanneer heeft hij een dergelijk verbond gesloten? Hij verduidelijkt: “voor wij deze zaak begonnen.” Vermoedelijk heeft hij teruggedacht aan de tijd kort voor het begin van de opstand, die in de zomer van 1568 begon.

Al vanaf 1567 stond Oranje voor de vraag of hij vanuit het Duitse Rijk, waar hij begin dat jaar naar gevlucht was, een gewapende strijd zou beginnen tegen de Spaanse legers die de koning onder leiding van Alva naar de Nederlanden had gestuurd. De vraag of hij daartoe gerechtigd was, heeft de prins in die tijd uitermate bezig gehouden.

In 1565 en 1566 had hij er zich al enigermate rekenschap van gegeven. In het najaar van 1565 had de koning uit het verre Spanje de beruchte brieven uit Segovië geschreven. Daarin sommeerde hij de Raad van State, waarin ook Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland zitting had, de geloofsvervolging tegen de protestanten te intensiveren. Radicalere elementen binnen de calvinistische bevolking drongen als reactie daarop aan op gewapend verzet. Willem van Oranje die uitermate teleurgesteld was in de koning en een tragedie voorzag, was daarin uiterst terughoudend. Hij zocht zolang dat kon naar een diplomatieke oplossing.

Gewapend verzet sloot hij op den duur echter niet uit. Een van de voorwaarden daarvoor was dat hij hulp zou ontvangen van de Duitse protestantse vorsten, met wie hij een levendige correspondentie onderhield. Toen het eind 1566 ging spannen, bleef deze hulp echter uit.

De vraag naar het recht van opstand werd dus acuut in het jaar erna (1567), toen Oranje inmiddels de wijk had genomen naar de Dillenburg in het graafschap Nassau. Alva zette alles op haren en snaren. De protestanten werden wreed vervolgd. Met de vrijheden van het volk (privileges) hield hij op geen enkele manier rekening. In de zomer van dat jaar werden bovendien de graven van Egmont en Horne op de Grote Markt in Brussel terechtgesteld. Eenzelfde lot zou Willem van Oranje zeker getroffen hebben, als hij in de Nederlanden was gebleven. Het is daarom begrijpelijk dat de prins zich op de Dillenburg intensief heeft bezig gehouden met de vraag of een aanval op de Nederlanden legitiem was. De neerslag ervan is te vinden in enkele documenten die hij in 1568 opstelde, waarvan de belangrijkste wellicht de zogenaamde Printzische Entschuldigung is, een document dat in het Koninklijk Huisarchief te vinden is. Het geschrift is opgesteld in de zomer van 1568.

Uit de correspondentie van de prins en van zijn omgeving blijkt dat de prins in deze tijd een religieuze verdieping heeft doorgemaakt. Gesprekken met zijn moeder zullen daartoe hebben bijgedragen. Het lijkt erop dat de zaak van een eventuele opstand een gewetenskwestie was voor de prins, die ook met de Here God in het reine moest komen over de vraag wat hem te doen stond. In deze tijd vond m.i. de doorbraak plaats waarover hij in de brief aan de Alkmaarse bevolking schrijft: “eer wy oyt deese saecke ende beschermenisse der christenen ende andere verdruckten in desen Landen aengevanghen hebben, wij metten alderoppersten Potentaet der Potentaeten alsulcken vasten verbont hebben gemaeckt…”

Zo sterk heeft de overtuiging dat hij geroepen was om de strijd aan te gaan bij hem postgevat dat hij er in de noodsituatie van 1573 op teruggreep. Dat was ook het geval in 1584 toen hij – eveneens op een moment dat de opstand dreigde te mislukken – Marnix van St. Aldegonde schreef: “Laten we het maar verdragen Aldegonde, als men over ons loopt. Als wij maar dienen kunnen Gods kerk.”

Willem van Oranje zag zich dus als een geroepene. Met het oog daarop lijkt de zomer van 1568 cruciaal geweest te zijn. Er is veel voor te zeggen dat in deze tijd ook het Wilhelmus gecomponeerd is. De dichter ervan is hoogstwaarschijnlijk Marnix van St. Aldegonde. De directe aanleiding voor het maken ervan is wel het feit dat de prins in deze tijd uitdrukkelijk toenadering zocht tot de calvinisten, die de Nederlanden ontvlucht waren. Tot dan toe was de verstandhouding met hen niet al te hartelijk geweest. In dezelfde tijd stuurde hij de Printzische Entschuldigung naar meerdere vorstenhuizen in Duitsland. Hij liet ondermeer een afschrift aan de keurvorst van de Palts toekomen, bij wie Marnix van St. Aldegonde verbleef. Korte tijd later vroeg de prins hem om in zijn dienst te komen. Marnix zou kunnen fungeren als trait-d’union tussen de prins en de calvinisten. De Printzische Entschuldigung en de gesprekken met de prins moeten Marnix van St. Aldegonde aangesproken hebben. Het document heeft hem waarschijnlijk geïnspireerd tot het schrijven van het Wilhelmus, dat in deze tijd ontstaan moet zijn. De teneur van de Printzische Entschuldigung komt sterk overeen met die van het Wilhelmus.Voor sommige strofen eruit geldt dat in heel sterke mate. Te denken valt aan het gedeelte waarin sprake is van de dood van de broer van de prins, Adolf, die in mei 1568 bij Heiligerlee om het leven kwam.

Het bijzondere van de Nederlanden

Wat zowel in de Printzische Entschuldigung als in het latere volkslied opvalt, is de vergelijking die gemaakt wordt met de oud-testamentische geschiedenis van Israël. De dichter legt de vinger bij de parallellen tussen het leven van de prins en dat van Mozes en David. Het lied maakt duidelijk dat het de prins om meer gaat dan de bevrijding van het land. De prins heeft de koning van Spanje willen eren, maar de gehoorzaamheid aan God gaat daarboven uit. Hij heeft naar Gods Woord willen leven. Hij heeft zorg over de Nederlanden en typeert de bevolking als schapen die verstrooid zijn. Hij wijst hen echter op de eeuwige troost van het Koninkrijk van God. Wat hem troost, als hij aan zijn omgekomen broers denkt, is het feit dat ze opgenomen zijn in de hemelse heerlijkheid. De inhoud en toonzetting maken het volkslied uniek. Ze geven iets weer van wat er in Oranje omging in de aanloop naar de daadwerkelijke opstand. Hij is gedreven door een roepingsbewustzijn, maar weet zichzelf afhankelijk van God.

Het Wilhelmus brengt ons dus in aanraking met die periode waarover hij schrijft in zijn brief aan de bevolking van Alkmaar. Het lied is christelijk getoonzet en ademt een grote mate van oprechtheid. Het is niet, zoals dat bij andere volksliederen vaak het geval is, gezwollen van toon, omdat het recht doet aan de feiten, zoals ze toen waren: met vrees en beven en toch in geloof nam de prins het op zich om de Nederlanden te hulp te komen. Zijn volharding ook in hopeloze situaties zoals in 1573, hangt daarmee samen.

In het verlengde daarvan heeft ook de ontstaansgeschiedenis van Nederland iets unieks. Hetzelfde geldt voor de staatsvorm die de Nederlanden uiteindelijk zullen krijgen. Zij vormen een Republiek met een stadhouder, iets dat geen enkel volk in de zeventiende en achttiende eeuw kende. Daardoor werd tirannie, die zich in deze eeuwen overal voordeed (in Frankrijk, maar ook bij de verlichte despoten in ondermeer Pruisen) voorkomen. De Republiek was ook niet naar binnen gekeerd. Door de wereldhandel nam Nederland in de wereld van toen een van de belangrijkste plaatsen in. Bovendien kende de Republiek een grote mate van tolerantie en speelde zij in de 17e eeuw een beslissende rol in de totstandkoming en de handhaving van de status-quo in Europa.

Verbond

Oranje spreekt van een verbond dat hij sloot met de Potentaat der Potentaten. Er kan geen twijfel over bestaan of hij heeft daarbij het oog gehad op de Here God, de God van de Bijbel. Gehoorzaamheid aan zijn roeping en medelijden met het verdrukte volk was zijn drijfveer.

Langs deze weg zijn de Nederlanden ontstaan. Het is van belang om dit te onderstrepen omdat in de eeuwen erna het besef dat de staat historisch verankerd is in de erkennning van het recht van God en in gehoorzaamheid aan God, langzamerhand verdween. Halverwege de 17e eeuw stelde de Engelse wijsgeer Thomas Hobbes (1588 -1679) dat de staat ontstaan is doordat de eerste mensen in hun primitieve toestand ooit besloten om zich aaneen te sluiten, waarbij men onvoorwaardelijke gehoorzaamheid beloofde aan iemand, die ze tot koning benoemden. Zij zouden hiertoe, aldus Hobbes, zijn gekomen om een einde te maken aan een eeuwig durende staat van oorlog, die het leven van de vroege mensheid zou hebben gekenmerkt. De oorsprong van de staat gaat dus terug op een menselijke keuze. In deze lijn dachten ook Locke en Rousseau, die wel de profeet genoemd wordt van de Franse Revolutie.

Tegen deze manier van denken ageerde de grote Engelse staatsman Edmund Burke (1729 - 1797). Als geen ander zag hij in hoe onhistorisch deze manier van denken is. Dat een volk tot stand komt, aldus Burke hangt niet alleen samen met een menselijke afspraak. Dat is veel te hoogmoedig gedacht. Het heeft te maken met factoren waar wij mensen doorgaans weinig greep op hebben. Het hangt vooral samen met historisch beslissende gebeurtenissen, waarin de samenhang van het dienen van God en het menselijk welzijn worden gezien en erkend.

Dezelfde noties komen we tegen bij Johann Georg Hamann (1730 - 1788). Hamann stelde dat het ontstaan van een volk en van de rechtsstaat niet te herleiden is tot een contract, maar tot een verbond. Er is een derde in het spel: God zelf. Het duidelijkst is dit volgens Hamann te zien bij het volk van Israël, dat ook in dit opzicht een voorbeeld vormt voor andere volken. In de leiding en erkenning van God lag de oorsprong en de waarborg van Israëls volksbestaan. Pas als de God van Israël (de God van de Bijbel) en het goddelijk recht dat in de Tien Geboden vervat is, erkend wordt, is de rechtstaat enigszins gewaarborgd. Waar de staat een louter menselijke aangelegenheid is, loert het gevaar dat het recht met voeten getreden wordt en vrijheden in het gedrang komen. Als God niet erkend wordt, komt het huis van de staat leeg te staan en is er ruimte voor allerlei ideologieën, die het leven kunnen verwoesten. Heel gemakkelijk maakt men van de staat een afgod. Juist in het licht van de Bijbel wordt deze samenhang duidelijk.

De Bijbel

In de zestiende eeuw werd dit besef het pregnanst onder woorden gebracht door Luther, Calvijn en de monarchomachen, bij wie Willem van Oranje aansluiting vond. Zoals ik in het vorige nummer van Ecclesia aangaf, is het vooral de rechtshistorica en rechtsfilosofe Blandine Kriegel die voor deze dingen opnieuw aandacht vraagt. Zij heeft als weinig anderen oog voor de gevaren die de rechtstaat vanaf de 16e eeuw bedreigden, doordat de notie van een hoger recht, waaraan men gehorig moet zijn, meer en meer uit het gezichtsveld verdween. Het is dan ook veelzeggend dat zij grote bewondering koestert voor Willem van Oranje en in hem de belangrijkste staatsman van het moderne Europa ziet. Bovendien heeft zij oog voor de grote betekenis van de Bijbel als bron van het recht.

Zo beschouwd is er alle reden om, nu Willem Alexander op 30 april het koningschap aanvaard heeft, onze volkshistorie in herinnering te roepen. Het heeft ons iets te zeggen dat Willem van Oranje in het verbond met de Potentaat der Potentaten de kracht vond om te strijden tegen elke vorm van tirannie en om op te komen voor de kerk van Christus, voor gewetensvrijheid en recht. Dat gold voor meerdere van zijn opvolgers. De waarborg van deze fundamentele zaken, die in handelen van de Oranjes gelegen was, is door de eeuwen heen door het Nederlandse volk in dankbaarheid erkend. Deze wederzijdse herkenning smeedde de band tussen hen en het Nederlandse volk. Het Wilhelmus dat voorafgaand aan de opstand gedicht werd, is er het mooiste bewijs van.

H. Klink, Hoornaar