Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus’ preken over teksten uit de Nieuw-Testamentische brieven (II, slot)

“Geloof is het begin”

De tweede bundel preken van Augustinus over teksten c.q. passage’s uit de Nieuw Testamentische briefliteratuur, Geloof is het begin, is een vervolg op de bundel Leven in hoop. In deze vervolgbundel komen enkele andere brieven van Paulus aan de orde en twee van de “algemene” brieven: de brief van Jacobus en de eerste brief van Johannes. In totaal 28 preken, die achtereenvolgens handelen over:
Galaten 2: 11; 5 : 16-17; 5 : 16–21; 6 : 1-10; 6 : 2–5 en 6 : 9-10
Efeze 3 : 13-18; 4 : 25; 5 : 15-16; 6 : 12 en 6 : 23
Filippenzen 3 : 3-16; 3 : 6-16 en 4 : 4-6
I Thess. 4 : 13 en 4 : 13-17
I Tim. 1 : 15; 1 : 15-16; 3 : 2 en 6 : 7-19
Titus 1 : 9
Jacobus 1 : 19-22; 2 : 10 en 5 : 12
I Johannes 1 : 8 – 9; 4 : 2 en 4 : 1 – 3.

De titel

De titel van deze bundel is gelijkluidend aan het opschrift boven de preek over Efeze 6 : 23, de groet, waarmee de brief aan de gemeente in deze stad, wordt afgesloten: “Vrede zij met de broeders en zusters, en liefde en geloof.”

De brief aan de Galaten
Het uitgangspunt van de preek over Galaten 2 : 11 is het “openlijk verzet” (Vertaling 1951) van Paulus tegen Petrus, die, na eerst met de heidenen aan één tafel gegeten te hebben, zich later uit vrees voor “sommigen uit de kring van Jacobus” afzonderde. De keuze van dit thema was Augustinus ingegeven door de problemen, waarmee hij in het overleg met zijn collega-bisschoppen werd geconfronteerd. Deze preek is echter niet in haar geheel bewaard gebleven, zodat zij geen volledig beeld geeft.

In de beide volgende preken worden de gelovigen aangespoord zich door de Geest en niet door lichamelijke begeerten te laten leiden. In de beide preken over de beginverzen van Galaten 6 bespreekt Augustinus de vraag, hoe Paulus tegen de gelovigen kan zeggen, dat zij zowel elkanders lasten (vers 2) als hun eigen last (vers 5) moeten dragen, waarna hij in zijn uiteenzetting over Galaten (6 : 9v.) spreekt over het misverstand, dat men alleen aan “geloofsgenoten” de helpende hand moet bieden.

De brief aan Efeze
In zijn preken over passages uit de brief aan de gemeente van Efeze behandelt Augustinus allereerst de bekende pericoop, waarin Paulus over de liefde van Christus spreekt (3 : 13vv.). In de volgende preken gaat de kerkvader op enkele vragen in, t.w.: hoe het gebod om niet langer te liegen zich verhoudt tot wat in Psalm 116 : 11 staat: “Alle mensen zijn leugenachtig” (4:25); wat Paulus bedoelt met zijn aansporing “tijd te kopen in slechte dagen”1 (5:15v.); wat het wil zeggen “te worstelen tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (6 : 12) en wat de consequenties zijn van de groet, waarmee de brief besloten wordt.

De brief aan Filippi
In de beide eerste preken over fragmenten uit de brief aan de Filippenzen wordt hetzelfde thema aan de orde gesteld als in de preken over Romeinen 7 : 15 – 8 : 17, die in de bundel Leven in hoop zijn opgenomen: de verhouding tussen de eigen gerechtigheid en de gerechtigheid door het geloof. In de derde preek worden de leden van de gemeente aangespoord het goede voor elkaar te zoeken en onbezorgd door het leven te gaan.

De brief aan Thessalonica
In de beide preken over de eerste brief aan de Thessalonicenzen (het oudste geschrift van het Nieuwe Testament) gaat Paulus in op de bezorgdheid van sommigen over het lot van reeds gestorven gemeenteleden: krijgen deze wel deel aan het komende Koninkrijk? Paulus stelt hen gerust: God zal ook hen met Christus verenigen.

De Pastorale Brieven
In drie van de vijf preken over de eerste brief aan Timotheüs neemt Augustinus zijn uitgangspunt in de bekendste tekst uit deze brief: “Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder welke ik een eerste plaats inneem.” (1 : 15).

Het onderwerp van de preek over de brief aan Titus is de aansporing, door de apostel aan zijn leerling gegeven (1 : 9), om als opzieners (Augustinus: bisschoppen) mannen aan te stellen, die “in staat zijn te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen.”

De brief van Jacobus
In de eerste preek over deze brief (1 : 19 – 22) behandelt Augustinus de door de apostel gegeven aansporing om zich in het spreken te beperken en om vooral “daders van het woord” te zijn. In de tweede preek gaat hij na, wat de schrijver bedoelt met de woorden: “Wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden).” (2 : 10), terwijl de laatste preek (over 5 : 12) is gewijd aan de eedaflegging.

De eerste brief van Johannes
In de eerste van de drie preken, die aan deze brief gewijd zijn, staan de verzen 8 en 9 van hoofdstuk 1 centraal: wanneer men beweert zonder zonde te zijn, bedriegt men zichzelf. Maar wanneer men zijn zonde belijdt, kan men zeker zijn van Gods vergeving. De beide andere preken gaan uit van de waarschuwing in het begin van hoofdstuk 4: “Vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.” Een waarschuwing, de schrijver ingegeven door het gevaar, dat van “veel valse profeten” uitging (vers 1). Het criterium voor een positief oordeel over de prediking is de belijdenis, dat Jezus Christus als mens in de wereld is gekomen.

De vertaling

De vertalers, die op verzoek van het Augustijns Instituut voor een Nederlandse weergave van de preken in deze bundel(s) hebben gezorgd, beginnen de inleiding van het boek met de mededeling, dat buitenstaanders zich bij tijd en wijle afvragen, of het vertalen van eeuwenoude preken niet “een beetje saai” is. “Toegegeven”, luidt het antwoord, “het omzetten van Latijnse teksten in helder Nederlands vergt van vertalers discipline, zorgvuldigheid en toewijding. Krullerige zinnen van de grondtekst laten zich soms lastig weergeven in even sierlijk Nederlands. Een andere keer zijn Latijnse gedachtegangen moeilijk te ontwarren en vragen we ons als vertalers bijna wanhopig af: ‘Had de predikant zich indertijd niet wat gemakkelijker kunnen uitdrukken? Heeft de snelschrijver of kopiist misschien ergens een steekje laten vallen?’” “Maar”, zo gaan zij verder, “het gebeurt bijna in elke preek dat tijdens het vertalen verrassende wendingen aan het licht komen.”

Hiermee is geen woord teveel gezegd. Het is dan ook te betreuren, dat in de vele Bijbelcommentaren, die in de loop der jaren, althans in het Nederlandse taalgebied, verschenen zijn, van de door de kerkvader gegeven verklaring van bepaalde Bijbelgedeelten c.q. -teksten, voor zover ik kan oordelen, niet of nauwelijks melding wordt gemaakt.

Wij mogen overigens niet uit het oog verliezen, dat de Bijbeltekst, zoals deze door Augustinus in zijn preken wordt geciteerd, niet zelden sterk afwijkt van de vertalingen, zoals deze in later tijd tot stand gekomen zijn. Overal, waar dit het geval is, wordt in de door Uitg. Damon gepubliceerde prekenbundels, zoals Leven in hoop en Geloof is het begin, bij de vindplaats vermeld: “volgens de Latijnse tekst”. Vergeleken met deze tekst betekent de Nova Vulgata, die na het Tweede Vaticaanse Concilie tot stand gekomen is, uiteraard een aanzienlijke verbetering, zoals dit ook met tal van andere latere vertalingen het geval is.

Wat de vertaling van de preken betreft kan ik slechts onderstrepen wat ik in mijn bespreking van de bundel Leven in hoop geschreven heb: de vertalers zijn er opnieuw uitstekend in geslaagd Augustinus’ boodschap heel dicht bij ons te brengen. En hiervoor zijn wij hun zeer erkentelijk.

Eeuwenoude preken? Ja, maar beslist geen verouderde preken. Integendeel zelfs. Wij zijn de grootmeester van Hippo Regius – en met hem de kerkvaders in het algemeen – veel dank verschuldigd. Met de verfoeilijke tendens om over het verleden – als afgedaan – de schouders op te halen en uitsluitend te focussen op wat “bij de tijd is”, zal radicaal afgerekend moeten worden. “Alleen in de verbinding met de klassieke theologen van weleer, samen met de kerkvaders, die onder grote druk van buiten en binnen spraken en schreven over Christus, en in uitwisseling met andere onderzoekers over de hele wereld die door dezelfde bron van onderzoek gegrepen zijn, blijf je staande.”2

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 De Statenvertaling gebruikt hier het woord: “uitkopen”. De vertaling van 1951 heeft: “zich de gelegenheid ten nutte maken”.
2 A. van de Beek, “Wetenschap als gave voor een leven in het geloof”, in: C. Dekker e.a., ”Geleerd en gelovig – 22 wetenschappers over hun leven, werk en God”, pag. 149.