Terug naar Ecclesianet.nl

Deel 2 Verzameld Werk J.H. Gunning (I)

Enige tijd geleden is bij Uitgeverij Boekencentrum het tweede deel van Gunnings Verzameld Werk1 uitgekomen. Nadat ik in de maanden april en mei van het vorige jaar in ons blad aan het eerste deel een uitvoerige bespreking heb gewijd2, spreekt het vanzelf, dat ook de delen twee en drie recht hebben op onze aandacht.

Personalia

Daar ik in het verleden reeds eerder – heel uitvoerig zelfs, mag ik wel zeggen – bij de persoon van Gunning heb stilgestaan3, beperk ik mij in deze recensie, voor zover het de biografische gegevens betreft, tot het overnemen van wat ik in mijn bespreking van het eerste deel van het Verzameld Werk heb vermeld.

Johannes Hermanus Gunning Jr. (1829 – 1905) behoorde met Daniël Chantepie de la Saussaye (1818 – 1874) tot de grondleggers van de zgn. ethische theologie, die in de negentiende eeuw, als “modaliteit” tussen de confessionele richting van Groen van Prinsterer c.s. en de “modernen” onder aanvoering van J.H. Scholten, een geheel eigen, zelfstandige positie innam. “Levend met de gereformeerde vaderen, erkende hij de noodzaak hun theologische stelsels en confessies te overdenken en te actualiseren. Zijn theologiseren was nooit alleen wetenschappelijk georiënteerd, maar diende ter ondersteuning van het “geloof der gemeente.” Hij wilde zo omgaan met de Schrift en de traditie, dat de geloofswaarheid die daarin vertolkt wordt weer ging leven; hij zag het als zijn opdracht ‘het lied der aanbidding te doen horen, dat in het dogma slaapt’” aldus de samenstellers van het Verzameld Werk in de inleiding van het eerste deel (blz. 7).

Inhoud

Het nu verschenen deel omvat de belangrijkste theologische en kerkelijke geschriften uit de jaren 1879- 1905, de periode, waarin Gunning het hoger onderwijs heeft gediend, van 1882 tot 1889 in Amsterdam, als kerkelijk hoogleraar, en van 1889 tot 1899 in Leiden, als staatshoogleraar. Het eerste van deze geschriften is Een persoonlijk woord bij het gedenken aan 25-jarige evangeliebediening (1879), het laatste is Heel de kerk en heel het volk, dat in 1904, een jaar voor Gunnings overlijden, is uitgekomen.

Het gaat uiteraard niet aan, zo moeten wij ook nu weer zeggen, al deze publicaties de revue te laten passeren, maar voor enkele ervan willen wij toch graag de aandacht vragen.

Het ethisch karakter der waarheid (III en IV)
Wij beginnen met Het ethisch karakter der waarheid (III en IV) uit 1880 (blz. 47-90), twee artikelen, die deel uitmaken van een reeks van zes, die in de jaren 1878-1880 in de “Stemmen voor Waarheid en Vrede” zijn gepubliceerd. De beide eerste artikelen (1878) zijn een reactie op een studie van de Utrechtse hoogleraar J.J. van Oosterzee, Nog eenmaal, de Dogmatiek der Toekomst, waarin deze zich o.m. over Gunnings dogmatische opvattingen uitspreekt. De artikelen 3 t/m 6 zijn grotendeels gericht tot Kuyper, die in “De Heraut” over “Dr. Gunning en de Gereformeerden” had geschreven.

De grondgedachte van al deze artikelen is: “Wij geloven dat men bekeerd moet zijn om de waarheid te kunnen zien en over haar te kunnen spreken, hetzij als man der kerk, het zij als man der wetenschap.” Bij Gunning ligt de nadruk op de ‘persoonlijkheid’, d.i. de bekeerde mens. Deze is op God gericht, omdat God gericht is op de mens. “Op het gebied der openbaring is God niet buiten de mens, de mens niet buiten God te denken” (blz. 69). Het gaat in de theologie niet om een godsidee, maar om de vraag, wie God voor ons mensen is.

Het kruis de waarheid voor wetenschap en kerk
In Het kruis de waarheid voor wetenschap en kerk, de rede, in 1882 door hem uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt in Amsterdam (blz. 91-114), betoogt Gunning, dat niet alleen het geloofsleven een ‘ethisch karakter’ moet dragen, maar dat het kruis ook voor de wetenschap het uitgangspunt moet zijn. “Het kruis is de vestiging van het recht van het persoonlijke – wil men, van de mystiek – tegenover de verstandelijke, naturalistische denkrichting van onze tijd. Want, wie zijn persoonlijkheid, of wat hetzelfde zegt, de eis van het zedelijke, volstrekt laat gelden, is in deze wereld een dwaas, en komt – reeds Plato voorzag die noodzakelijkheid – consequent aan het kruis” (94). Na “het grote offer des kruises”, zegt Gunning, “vangt voor het zijn en het doen, en dus ook voor zijn gevolg, het denken der mensheid, de nieuwe, hogere wereld aan”: het kruis is de waarheid voor de wetenschap.

Gunning benadrukt, dat hij geen nieuw christelijk stelsel op het oog heeft. “Neen, de betekenis van het kruis voor de wetenschap is deze, dat het, naar Paulus’ heerlijk woord (II Corinthe 10 : 5), alle gedachten leert gevangen geven voor de gehoorzaamheid aan Christus: m.a.w. ze in de dienst der heilige geestdrift leert stellen; dus dat het de persoon des mensen vrijmaakt en bezielt om waardig de wetenschap in het geheel van zijn leven te kunnen invoegen.” (blz. 95).

Men begint steeds meer in te zien, dat de wetenschap niet in staat is om ’s mensen diepste behoeften te bevredigen. Voor de enorme taak, waarvoor de mensheid zich door de snelle ontwikkelingen van de gebeurtenissen geplaatst ziet, is méér nodig dan verstandelijke ontwikkeling. “De persoonlijkheid, de mens zelf, leeft niet van het brood der wetenschap.” Het pessimisme, dat zo’n grote impact op de denkende wereld heeft, is “een reactie van de onderdrukte persoonlijkheid, die haar recht eist.” Het kruis verkondigt aan de wetenschapper, dat hij voor zijn leven, en dus ook voor zijn wetenschap, de grondslag van een persoonlijkheid nodig heeft. Het predikt de grote waarheid van de zelfverloochening, waardoor de ware persoonlijkheid bevrijd, behouden wordt. “’Waarheid’ is datgene wat een mens ziet, die zich ten volle verloochent. Vandaar, dat Hij, die kon zeggen: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij” (Lucas 9 : 23), ook het recht heeft om zich de waarheid te noemen. “De waarheid, ziedaar wat de wetenschap ontbreekt om de mens te bevredigen.” Wetenschap op zichzelf biedt geen waarheid, zij biedt alleen juistheid. Zij is louter fenomenaal, ze blijft bij de verschijnselen bepaald. Het kruis laat de wetenschapper zien, dat hij tot de grond, tot het wezen van de dingen zelf mag doordringen. “Door het kruis, door de zelfverloochening, aan het verkeerde in zijn bestaan afstervende en slechts het oorspronkelijk-menselijke overhoudende, leert de mens zijn eigen wezen peilen. Zo ontwaakt in hem een heilige geestdrift, een frisse moed om zich ook de diepste grond der dingen toegankelijk te achten. Want hij wordt door het kruis onvooringenomen. Wie het kruis waarlijk aanneemt, heeft met de tegenwoordige wereld in beginsel afgedaan, wil zijn deel in haar niet meer hebben, maar verwacht de toekomst van Christus als het énige wat zijn ziel nog vervullen kan, het heerlijk koninkrijk dat beloofd en aanstaande is.” Wanneer men door het geloof de dingen in hun betekenis voor het koninkrijk Gods , d.i. voor het eigenlijke doel van de wereld, ziet, dan raakt men de diepste grond der dingen aan. En dan ontstaat die “bewondering”, zoals Plato haar noemt of, wat hetzelfde is, die “vreze des Heren”, de van eerbiedige verrukking huiverende aanraking van de dingen zelf, die de Spreukendichter het beginsel van alle wijsheid noemt. “De waarheid zal u vrijmaken”, zegt Jezus (Johannes 8 : 3). Dat wil zeggen: “zij heft zich boven de wereld en het eigen ik tot de sfeer van de eeuwige heerlijkheid. Zij breekt de noodlottige ban die op onze geest ligt, en stelt de mens op zijn eigen voeten, d.i. : op de bodem der genade Gods” (blz. 96v.).

Het kruis is niet een betoog, dat getoetst moet worden, het is een verkondiging, die zich in de naam van de allerhoogste God, in de naam van de eeuwige Liefde, tot het geweten van de mensen richt. Een verkondiging, die appelleert aan de wil, daar zijzelf uitdrukking van een wil is, - niet van een menselijke wil, maar van de goddelijke wil, die onfeilbaar is. “Hieruit volgt, aldus Gunning, “dat de verkondiging van het kruis naar het geloof der gemeente van alle eeuwen: van het kruis dat de vleeswording des Woords tot vooronderstelling, de opstanding en de gave van de Heilige Geest tot keerzijde, de wedergeboorte van hen die er aan geloven tot gevolg, de toekomst van Christus en de vernieuwing van hemel en aarde tot hoogste rechtvaardiging heeft – dat de verkondiging van dat kruis in de gemeente alléén recht heeft.” Het kruis moet het in de kerk voor het zeggen hebben. “Het kruis heeft alleen recht. Niet als een leerstuk dat als hoofdartikel der belijdenis kerkrechtelijk de eis van uitbanning of ambtsontzegging zou stellen tegen ieder die het ontkende. Maar omdat de verkondiging van het kruis inleidt tot een zedelijke toestand die, eenmaal bereikt, nu voortaan niet minder dan toetssteen der waarheid kan zijn. Die toestand is het gerechtvaardigd zijn uit het geloof.” De rechtvaardiging uit het geloof is “een zedelijk beginsel, dat noodzakelijk elk leerstuk, elke kerkvorm aan de kritiek van de Heilige Geest onderwerpt, en wel geloochend, maar niet tot iets secundairs gemaakt worden kan.” In de gemeente, die overeenkomstig Gods Woord gelooft, wordt het niet geloochend, maar erkend. Ja, het wordt daar om zijn vrijmakende kracht als het middelpunt van de waarheid, als de waarheid zelf beleden. Alleen de waarheid zelf maakt vrij. En de vrijheid “heeft alleen recht, omdat zij alleen plicht is.”

Gunning wil de kerk, die hij “met hart en ziel, ondanks haar ellende” liefheeft, dáárom niet prijsgeven, omdat het kruis “genoeg levenskracht heeft om de ontkenningen die haar in eigen boezem bestrijden, te kunnen dragen en overwinnen.” Alleen door dat geloof bestaat de kerk. Alleen dàt geeft haar het recht om in de maatschappij “met de naam van haar hoofd op te treden.” Verloochent zij dit geloof, dan is zij ontrouw. Verloochent een voorganger dit geloof, dan heeft hij geen recht als haar voorganger werkzaam te zijn (blz. 98vv.).

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 ISBN 978 90 239 2112 7. Het boek telt 656 bladzijden en kost € 59,90. Te zijner tijd zal het door een tweede en een derde deel gevolgd worden.
2 Vgl. de nummers 7, 8 en 10 van de vorige jaargang.
3 Vgl. de nummers 1 tm 8 van jrg. 96 (2005).