Terug naar Ecclesianet.nl

‘Wie heimwee hebben, komen thuis’ Johann Heinrich Jung-Stilling en ds. J.T. Doornenbal (I)

‘Wie heimwee hebben, komen thuis’. Velen zal deze zin bekend in de oren klinken, en er zullen er ook zijn die deze woorden direct associëren met de bekende predikant J. T. Doornenbal (1909-1975). Hij gebruikte deze woorden inderdaad regelmatig, onder andere in de mooie, weemoedige stukken die hij publiceerde in de Hervormde Kerkbode van de classis Harderwijk, die zoveel lezers trokken en later in diverse bundels heruitgegeven zijn. In de zomer van 1969 schreef hij bijvoorbeeld over het overlijden van een goede vriend, dokter Zandijk uit Kesteren. Hij had lange tijd aan een ernstige ziekte geleden, maar had de laatste weken van zijn leven in het ziekenhuis gelegen ‘in verbrokenheid des harten en in uitziend verlangen’. Hij had zijn wens verkregen, ‘want die heimwee hebben, komen thuis’. Een toespraak die ds. Doornenbal in 1964 hield bij de begrafenis van de Oud-Gereformeerde predikant ds. G. J. Zwoferink sloot hij eveneens met dit citaat af. En zo zijn er vele plaatsen meer in het oeuvre van ds. Doornenbal aan te wijzen waar hij deze woorden gebruikt – zo geregeld zelfs dat zijn biografe Jeannette Donkersteeg deze zin in 1996 als titel voor haar boek koos.

Het zijn ook woorden die helemaal bij ds. Doornenbal passen. Hij was een bijzondere predikant. Hij diende de gemeenten van Woubrugge, Kesteren en Oene, en was een man met een groot, priesterlijk hart. Hij was een getrouw pastor, en genoot van poëzie, literatuur en de natuur. Lyrisch waren vaak de beschrijvingen die hij van zijn eigen tuin in Oene gaf of van het landschap waar hij doorheen reisde op weg naar een van zijn vele preekbeurten. Hij schreef met ernst maar ook met milde humor en zelfspot. En over al die uitingen lag altijd een waas van melancholie, van herinneringen aan voorgoed voorbije tijden, van verlangen naar het onvervulbare, van uitzien naar het volmaakte. ‘Wie heimwee hebben, komen thuis’.

Dr. W. Aalders publiceerde in 1995 in Ecclesia een artikel over het belang van historisch besef, en raakte daarin aan de kern van deze geesteshouding. Overal in Nederland, aldus Aalders, zijn er plaatsen die ons aan het verleden herinneren en die als het ware ‘ingeklonken liederen’ zijn, plaatsen die getuigen van de geschiedenis van de kerk. ‘Je tikt er tegen en het zingt’, zo citeerde hij de dichter Gerrit Achterberg. Hij vond dit dichterlijk besef in een oratie van de kerkhistoricus L. Knappert, bij Ida Gerhardt en Nicolaas Beets, en in de artikelen van ds. Doornenbal, ‘de merkwaardig erudiete man, die contacten onderhield met kunstenaars, dichters vooral, uit alle streken. Hij leefde bij voorkeur in het achterland van Nederland, omdat hij daar bij de oorspronkelijke bevolking nog het geestelijk grondwater aantrof van de Kerk der eeuwen. Ook preekte hij het liefst in oude kerken en dan bij voorkeur in avonddiensten, als de koperen kronen lichtplekken schiepen in de donkere gewelven. Dan ervoer hij de nabijheid van het verleden, van de historie, van vorige geslachten’. Aalders sprak van een ‘mystieke osmose’, een ‘geestelijke verbondenheid’ die zich telkens voordeed wanneer ds. Doornenbal zich in zijn preken door de gemeenschap der heiligen gedragen voelde (‘Koning David, Nicolaas Beets en ds. J. T. Doornenbal’, in Ecclesia van 15 september 1995).

Maar nu het volgende. Onlangs las ik een preek uit 1938 van de hervormde predikant J. J. Timmer over ‘de heerlijkheid van het kindschap Gods’ (gepubliceerd in Genade voor genade). Tot mijn verrassing citeerde ds. Timmer daarin ook de woorden ‘zalig zijn ze die heimwee hebben, want ze zullen thuis komen’ en schreef hij die toe aan ‘die bekende godgeleerde’, zonder de naam van die godgeleerde te noemen. Ds. Doornenbal kon hier niet bedoeld zijn: die was in 1938 29 jaar oud en een beginnend predikant in Woubrugge en zeker nog geen ‘bekend godgeleerde’. Blijkbaar waren de bekende woorden die ds. Doornenbal zo vaak gebruikte niet door hemzelf gemunt maar citeerde hij een oudere theoloog.

Maar wie die bekende theoloog was geweest? Onlangs publiceerde het Reformatorisch Dagblad een artikeltje over mijn voornemen om na mijn eerste boek over ds. Doornenbal (Als je eenmaal hebt liefgehad, uitgeverij Boekencentrum) een tweede boek uit te geven met stukken van en over ds. Doornenbal. Ik citeerde toen ook de bekende zin en vertelde dat ik graag te weten zou komen van wie die afkomstig was.

Daar heb ik veel reacties van lezers op gekregen. Een kleinzoon van ds. Timmer schreef mij dat zijn grootvader de woorden wel vaker had geciteerd, bijvoorbeeld in een meditatie voor de christelijke kalender Een handvol koren uit 1929. Ds. M. van Kooten uit Elspeet attendeerde mij op een passage in een preek van ds. S. van Dorp over De Stad Gods, waarin de woorden aan het slot ook geciteerd worden en aan een zekere ‘Stilling’ worden toegeschreven. Toen was het niet zo moeilijk meer om vast te stellen dat het hier om de achttiende-eeuwse lekentheoloog Johann Heinrich Jung-Stilling ging. Een andere lezer stuurde mij een scan van een handschrift van Jung-Stilling, een inscriptie in een vriendenalbum van een student, met de woorden: ‘Selig sind die das Heimweh haben, denn sie sollen nach Hause kommen’ (‘Zalig zijn zij die het heimwee hebben, want zij moeten thuis komen’). Op een late zaterdagavond werd ik gebeld door ds. R. P. van Rooijen uit Houten die mij zelfs wist te vertellen dat deze zin de openingszin vormde van een dikke, vierdelige roman die Jung-Stilling in de jaren 1794-1796 publiceerde. Die roman had als titel Das Heimweh. Hoe heeft ds. Doornenbal deze woorden leren kennen? Het kan zijn dat hij ze uit de tweede hand kende, net als ds. Timmer en ds.Van Dorp, omdat ze in hervormde kring blijkbaar bekend waren. Dat hoeft niet te verbazen wanneer we bedenken dat Jung-Stilling in de kringen van het negentiende-eeuwse Réveil geen onbekende was. De schakel vormde ongetwijfeld het ‘Deutsche Christentumgesellschaft’, dat het Duitse Piëtisme en het Réveil met elkaar verbindt. Vele werken van Jung-Stilling zijn in de negentiende eeuw in het Nederlands vertaald. Het heimwee verscheen tussen 1820 en 1830, in een vertaling van Christiaan Sepp Jansz.

De bekende dr. K. Groot, schrijver van de boeken over de gedichten van Kohlbrugge en de relatie tussen Kohlbrugge en Kuyper, heeft in zijn proefschrift geconcludeerd dat de werken van Stilling in Réveilkringen populair waren. Prof. Maarten van Rhijn heeft in een studie over Jung-Stilling en Nederland laten zien dat bekende figuren als Hiëronymus van Alphen (door velen wel als de vader van het Réveil gezien), Willem Bilderdijk en Willem de Clercq het werk van Jung-Stilling kenden en bewonderden. (De studie van Van Rhijn verscheen in 1963 in het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis.) De ethische theoloog J. J. van Oosterzee (1817-1882) schreef een gedicht ‘Zondagmiddagheimwee’ dat hij met de bekende woorden van Jung-Stilling begon (opgenomen in zijn Dichterlijke nalatenschap). Ook ds. Ottho Gerhard Heldring was van Jung-Stilling gecharmeerd. In zijn biografie staat een opmerkelijke passage over zijn levenseinde. Na de dood van zijn vrouw was Heldring een gebroken man, die nog wel door werkte maar steeds meer werd bezet door ‘de gedachte aan het Vaderhuis’. Zijn biograaf A. van der Hoeven schrijft dan: ‘Zijn omgeving deed hij (Heldring) telkens denken aan het woord van Stilling, wiens werken zijn moeder zo graag las: “Zalig zijn zij, die het heimwee hebben, want zij zullen thuiskomen”’ (A. van der Hoeven, Ottho Gerhard Heldring, Amsterdam, 1942, blz. 323).

Ds. Doornenbal was zeer belezen in het werk van vele dichters, Nederlandse en Europese, en het is daarom zeer goed mogelijk dat hij het werk van Jung- Stilling heeft gekend en de beroemde zin direct aan hem heeft ontleend. Daarover, en over Jung-Stilling zelf, gaat een volgend deel van dit artikel.

B.J. Spruyt, Gouda