Terug naar Ecclesianet.nl

‘Wie heimwee hebben, komen thuis’ Johann Heinrich Jung-Stilling en ds. J.T. Doornenbal (II, slot)

Een verwijzing van ds. Doornenbal naar Jung-Stilling is mij niet bekend, maar hij citeerde wel veelvuldig uit het werk van tijd- en landgenoten als Goethe, Heinrich Heine, Ludwig Uhland, Clemens Brentano en Joseph von Eichendorff.

Hun werk was voor ds. Doornenbal voor altijd verbonden met een reis die hij op zijn negentiende, na zijn eindexamen gymnasium, per fiets langs de Rijn maakte. Samen met zijn reisgenoot was hij opgegaan in de ‘wondere romantiek’ en de ‘verrukkelijke schoonheid in natuur en cultuur’ van het ‘prachtige Rijnland’. Ze hadden op de grond onder de blote hemel geslapen en midden in de nacht was Co Doornenbal wakker geworden. ‘De sterren straalden, blauw schemerden de bergen aan de overkant, door de Rijn voer een witte boot die zich spiegelde met duizend lichten in het donkere water, van het dek klonk muziek en zang. Het was als een sprookje, van een onwerkelijke schoonheid. Zo uit de slaap ontwaakt, leek ’t mij of ik was in een andere wereld. Ik zal die nacht nooit vergeten. Mijn reisgenoot van die dagen is al heen’. De herinnering aan die reis en die geliefde jeugdvriend is er de oorzaak van dat Doornenbal altijd een liefhebber is gebleven van de Duitse Romantiek. Zij verklaart, voor een deel, denk ik, ook zijn levenslange gevoel van eenzaamheid. Die reisgenoot duidde hij in 1962 aan als ‘de enige vriend van mijn jeugd [in Doorn], wiens vroegtijdige dood ik altijd ben blijven betreuren, nu nog, na bijna dertig jaren’. Doornenbal klaagde geregeld over zijn alleen-zijn waardoor hij wat hem bezette niet met iemand anders kon delen. ‘Het mensenhart is te klein voor zoveel schoonheid. En je kunt ’t niet kwijt, omdat je alleen bent. Je kunt dit alleen niet beleven. Je hart heeft pijn’. Vaak citeerde hij een gedicht (‘Nachruf’) van Von Eichendorff met de regels over vroegere vrienden die eens met ons waakten maar nu dood zijn (‘Doch die sonst mit uns wachten,/ Die liegen lange tot’). Een gedicht van Goethe (‘An den Mond’), dat hij ‘het mooiste vers dat ik ken uit mijn jeugd’ noemde, heeft hetzelfde thema, die ‘volle harmonie der zielen’ met een vriend:

Selig, wer sich vor der Welt
Ohne Hass verschliesst,
Einen Freund am Busen hält,
Und mit dem geniesst.

Was von Menschen nicht gewusst
Oder nicht bedacht,
Durch das Labyrinth der Brust
Wandelt in der Nacht.

Maar of ds. Doornenbal de gevleugelde woorden over het heimwee en het thuiskomen nu direct of indirect kende, nu we weten dat hij ze niet van zichzelf had maar van Jung-Stilling, willen we ondertussen ook wel weten wie die Jung-Stilling was. Hij leefde van 1740- 1817, en was een merkwaardig veelzijdig man. Hij was van eenvoudige komaf, de zoon van een kleermaker uit Hilchenbach (Siegerland). Hij genoot een piëtistische opvoeding, bezocht de Latijnse school en werd huisleraar voordat hij aan een leven vol omzwervingen begon. Die omzwervingen brachten hem in Straatsburg waar hij na veel zelfstudie medicijnen kon gaan studeren en bevriend raakte met intellectuele coryfeeën als Goethe en Herder. Hij werd als arts beroemd vanwege zijn staaroperaties. Na zijn studie vestigde hij zich in Elberfeld (!), maar voelde er zich niet thuis. De plaatselijke bevolking keek wat vreemd aan tegen deze man die geleerden als Goethe, Lavater en Friedrich Heinrich Jacobi aan huis ontving. In 1778 werd hij hoogleraar in de politieke economie in Kaiserslautern, in 1784 in Heidelberg, in 1787 in Marburg. In 1803 trad hij in dienst van keurvorst Karl Friedrich von Baden in Karlsruhe, waar hij op 5 april 1817 overleed. En door al die activiteiten heen ontwikkelde hij zich ook nog tot een productief schrijver, o.a. van een meerdelige autobiografie, waarvan het eerste deel door Goethe werd uitgegeven.

Zijn roman Das Heimweh (1794-1796) kent een lange voorgeschiedenis, die veel vertelt over Jung-Stillings religieuze ontwikkeling. Zijn opvoeding had hem in aanraking gebracht met het beroemde boek De pelgrimsreis van John Bunyan, dat diepe indruk op hem maakte. Hij vatte het voornemen op zelf ook eens zo’n boek te schrijven. Maar lange tijd kwam het daar niet van. Jung-Stilling raakte namelijk bekend met het werk van Verlichtingsfilosofen, en hun naturalisme heeft hem, naar eigen zeggen, twintig jaar lang zozeer met intellectuele twijfel vervuld dat het er niet van kon komen. Twee ontmoetingen deden hem zijn twijfel overwinnen. De eerste was met het werk van de filosoof Immanuel Kant, die hem leerde dat het menselijke verstand buiten de grenzen van ruimte en tijd helemaal niets weet. Met hun religie- en Schriftkritiek deden de filosofen van de Verlichting dus uitspraken over zaken waar hun rede helemaal geen toegang toe had. Beslissend was de tweede ontmoeting, met ds. Georg Ludwig Sartorius uit Rüsselsheim, die hem in lange pastorale gesprekken van de waarheid van de klassieke verzoeningsleer en de rechtvaardiging door het geloof wist te overtuigen. Kort nadien kwam hij in aanraking met de Herrnhutters, en een preek die hij in een broedergemeente hoorde verdiepte de overtuiging die zich door de gesprekken met Sartorius in zijn hart had genesteld. Door deze gebeurtenissen werd hij van een aanhanger van de Verlichting tot een vader van het Duitse Réveil (Erweckung). De Heilige Schrift was nu voor hem de enige bron van ware geloofskennis. Christus de gekruisigde en zijn offerdood en de rechtvaardiging door het geloof in Hem die voor ons geleden heeft, vormden nu het middelpunt van zijn theologie. De mens is van nature niet bekwaam tot het goede; daarvoor is wedergeboorte en bekering nodig. Een optimistische toekomstverwachting maakte plaats, vooral ook onder indruk van de vreselijke gevolgen van de Franse Revolutie, voor een eschatologie waarin het volk Israël een belangrijke rol speelde. De middenweg was de smalle weg geworden, zijn taak in deze wereld die zich van God heeft afgekeerd, is die van een missionaris die zijn medechristenen wil vormen en toerusten.

Das Heimweh is eigenlijk het verslag van deze ontwikkeling. Het is een allegorische sleutelroman, waarin de hoofdpersoon, Christian Eugenius von Ostenheim, zijn pelgrimsreis naar het Oosten aflegt, en het daarbij vooral te stellen heeft met de belangrijkste vijand van christen en christenheid: ‘Frau von Traun auf Bileniz’. Achter Bileniz gaat de Verlichtingsfilosoof Leibniz schuil, die alleen de natuur (‘Traun’) als kennisgrond erkent. Het besluit om op reis te gaan wordt in Eugenius wakker geroepen door het heimwee. In het boek Der Schlüssel zum Heimweh waarin Jung-Stilling zelf de inhoud van Das Heimweh heeft toegelicht, schreef hij over de betekenis van dit heimwee: ‘Mijn ervaring, en die van alle rechtschapen christenen, in deze tegenwoordige tijd heeft veel gemeen met het natuurlijke heimwee. Men zou zich graag klaar maken en naar huis reizen. Want waarlijk, het wordt ons toch zwaar om het nog veel langer in dit land van onze vreemdelingschappen uit te houden, waarin men alles wil en moet dulden behalve de christenen, waarin men Christus wel mag lasteren maar niet meer vrij mag belijden, en waarin men zich vrijheid, gelijkheid en broederschap tot doel heeft gesteld, maar de christenen daarvan wil uitsluiten. Zou men daar niet van een heimwee in de hoogste graad bezet moeten raken?’

Deze toelichting van Jung-Stilling zelf staat, tot slot, nog één opmerking toe. Bij hem is heimwee dus een verlangen dat wordt opgewekt door de ervaring van de vreemdelingschap op deze wereld, die door een vijandige samenleving wordt opgeroepen. Die gedachte vinden we zo niet bij ds. Doornenbal. Heimwee wordt bij hem opgeroepen door allerlei ervaringen in deze wereld, in de schoonheid van de natuur en de literatuur, die een mens ten diepste onvervuld laat. Die weemoed leidt volgens ds. Doornenbal ‘tot een vermoeden van een heerlijkheid ver daarachter’. Heimwee bij ds. Doornenbal staat dus heel dicht bij wat C. S. Lewis ‘Joy’ noemde: het onvervulde en onvervulbare verlangen in het hart van ieder mens, de lege stoel waarop alleen onze goede God kan plaats nemen.

De bron van ds. Doornenbals frequente uitspraak over het heimwee hebben en het thuis komen kennen we nu, en we kunnen ook vaststellen dat de bekende woorden bij hem een betekeniswijziging hebben ondergaan. In een kort artikel als dit kan een en nader slechts worden aangestipt. Wellicht loont het de moeite om nog eens verder uit te zoeken hoe de woorden van Jung-Stilling in Nederland zo bekend geworden zijn, en hoe de invulling die ds. Doornenbal eraan gaf, zich tot de oorspronkelijke betekenis verhoudt.

B.J. Spruyt, Gouda