Terug naar Ecclesianet.nl

Ds. Foppe Oberman (1851-1914), een man van karakter

Ds. Foppe Oberman was in zijn tijd een bekend figuur, niet alleen onder vrienden en geestverwanten van dr. H.F. Kohlbrugge, maar ook buiten deze kring. Hij overleed een eeuw geleden, op 30 april 1914. Ruim 28 jaar diende hij de Leidse hervormde gemeente als predikant. Toen hij in september 1910 herdacht dat hij een kwarteeuw tevoren in de Sleutelstad zijn intree deed, preekte hij in de overvolle Pieterskerk over de tekst “Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen.” Zijn laatste preek hield hij vier dagen voor zijn dood, nadat hij zes maanden lang om gezondheidsredenen zijn dienstwerk niet had kunnen vervullen.

Op 4 mei 1914 werd de overleden predikant op de begraafplaats aan de Groenesteeg ter aarde besteld. Treffend is wat ds. H.J. de Groot in zijn boek “Schaap en bok in één hok” erover schreef. “De dag der begra fenis kwam aan. De halve stad toog mee naar het kerkhof. Elk voelde: één der kerkvorsten van den nieuwen tijd wordt uitgedragen. De Joodse rabbi stond in de deur zijner woning, met zijn zoontje naast zich. Toen de stoet voorbij was, keken zij hem na. De rabbi zei: kind! die daar weggedragen wordt, was in waarheid een christen! Ik heb er maar weinige zó gekend.”

Jeugd en studietijd

Foppe Oberman zag op 3 maart 1851 het levenslicht in Wanswerd aan de Streek. Zijn vader Gerke Pieters Oberman oefende het timmervak uit. Tevens exploiteerde hij in Wanswerd het veerhuis voor de trekschuiten naar Leeuwarden en Dokkum. Hij behoorde tot de Friese “Vrienden der Waarheid”, die een gereformeerde prediking in de Nederlandse Hervormde Kerk voorstonden. Het was zijn hartenwens dat zijn zoon Foppe predikant zou worden. Daarom vertrok Foppe op zeventienjarige leeftijd naar Zetten om er te worden opgeleid aan het (in 1864 gestichte) eerste christelijke gymnasium met internaat. In het begin van 1871 werd hij aan de Utrechtse universiteit ingeschreven als student in de godgeleerdheid. Eén van zijn medestudenten was Heinrich Lütge uit Elberfeld, een leerling van Kohlbrugge. “Als er iemand in de gelegenheid is geweest spoedig met de leer van Kohlbrugge nauwkeurig bekend te worden, dan was ik het wel”, zei Oberman later. Toch liet hij zich nog niet door Heinrich Lütge overtuigen. In het algemeen had men destijds aan de Utrechtse universiteit weinig op met de theologie van Kohlbrugge. Links en rechts werd ervoor gewaarschuwd. Een orthodoxe hoogleraar, vermoedelijk J.J. van Oosterzee of J.I. Doedes, sprak van een “hondentheologie”, omdat Kohlbrugge in een boek de hond “het dankbaarste schepsel Gods” had genoemd. Om het met eigen ogen te kunnen lezen kocht Oberman deze publicatie: “Vragen en antwoorden tot opheldering en bevestiging van de Heidelbergse Catechismus.” Maar pas later, als hervormd predikant in zijn eerste gemeente Steenwijkerwold, ging hij het boek echt bestuderen. Hij wilde namelijk het verschil weten tussen de gereformeerde leer en die van Kohlbrugge, nadat een collega had beweerd dat Kohlbrugge niet gereformeerd was. Bij het lezen kreeg Oberman antwoord op vragen die zijn hart vervulden.

Ommen

In zijn volgende gemeente Ommen, die hij in de jaren 1879-1885 diende, maakte ds. Oberman kennis met een diaken van de Niederländisch-reformierte Gemeinde in Elberfeld. Deze man, Gustav Schaefer geheten, bracht geregeld voor zaken een bezoek aan de stad Ommen. Hij was blij in ds. Oberman iemand te ontmoeten die meer over Kohlbrugge wilde weten. Schaefer wees hem op de conferenties van vrienden van Kohlbrugge, waarvan Oberman nog nooit gehoord had. Hij stelde ds. Julius Künzli, de opvolger van Kohlbrugge in Elberfeld, van een en ander op de hoogte en deze zorgde ervoor dat Oberman voor de eerstvolgende conferentie werd uitgenodigd.

In Ommen vonden velen troost in Obermans prediking. Hij was iemand die om zijn beginselvastheid respect afdwong en veel gezag had. Dit bleek onder meer uit het volgende voorval. Vanouds bestond in Ommen de gewoonte, dat gemeenteleden uit de buurtschappen vóór de kerkdienst hun kerkboeken afhaalden in een herberg vlak tegenover de hoofdingang van het kerkgebouw. Na afloop van de dienst brachten ze deze boeken terug. De mannen dronken dan een paar glazen jenever en de vrouwen enkele koppen koffie, voordat met paard en wagen de terugtocht naar de buurtschappen werd aanvaard. Ds. Oberman ergerde zich mateloos aan dit gebruik, dat hij niet in overeenstemming achtte met de heilige dienst des Woords. Op zekere dag ging hij naar de herbergier en verbood hem, zondags jenever en koffie te verkopen aan de gemeenteleden uit de buurtschappen. Toen de herbergier tegenwierp dat zijn inkomsten dan zouden teruglopen, zei Oberman: “Wat u eraan te kort komt, mag u bij mij aan de pastorie komen halen.” De man heeft nooit om geld gevraagd en met de jenever- en koffiedrinkerij na de kerkdienst was het voorgoed afgelopen!

Doopkwestie

Dat ds. Oberman een man van karakter was, kwam ook duidelijk tot uiting in een doopkwestie, die in de jaren 1880 en 1881 het kerkelijk leven in Ommen heftig beroerde. Twee nieuwe gemeenteleden, de kantonrechter en zijn vrouw, gaven bij een bezoek aan de predikant te kennen dat zij hun dochtertje wilden laten dopen. Toen ds. Oberman hun vroeg, of zij het lijden en sterven van Christus noodzakelijk achtten voor het behoud van zondaren, antwoordden beiden ontkennend. De predikant wees hun op het onwaarachtige, als zij niettemin op bepaalde vragen van het doopformulier bevestigend zouden antwoorden. Enkele maanden later herhaalde de kantonrechter zijn verzoek. Op de vraag van ds. Oberman, of hij volhardde in zijn eerder geuite gevoelens, verklaarde hij niet te geloven dat Jezus Christus de Zoon van God was en evenmin dat Hij lichamelijk uit de doden was opgestaan en ten hemel gevaren. Voor de Ommense kerkenraad was dit reden, tot censuur over te gaan. Verder werd besloten dat de doop van het kind alleen zou worden toege staan in tegenwoordigheid van een door de kerkenraad aangewezen of goedgekeurde getuige.

De kantonrechter ging daarop in beroep bij het classicaal bestuur van Zwolle. Deze instantie stelde de kerkenraad in het ongelijk, vernietigde het besluit van censuur en gelastte de doop op de gewone wijze te bedienen en de doopvader dus te behandelen alsof er op zijn belijdenis niets aan te merken was. Maar ds. Oberman en zijn kerkenraad hielden voet bij stuk, ook toen het classicaal bestuur de zaak in handen van het provinciaal bestuur van Overijssel had gesteld. De gevolgen bleven niet uit. Met ingang van 29 mei 1881 werden alle leden van de kerkenraad voor de duur van een halfjaar geschorst, de predikant met verlies van een derde van zijn traktement. Gedurende zes maanden preekte ds. Oberman niet en gingen ringpredikanten voor. In die periode kwam echter een groot deel van de gemeente elke zondag tweemaal bijeen in een timmermanswerkplaats, waar een gemeentelid een preek las. Toen op 30 november 1881 de schorsingsperiode was geëindigd, namen ds. Oberman en zijn kerkenraad de zorg voor de gemeente weer op zich. De man die aanleiding had gegeven tot de doopkwestie, was intussen uit de gemeente vertrokken.

Leiden

In 1885 aanvaardde Oberman een beroep naar Leiden. Van de circa 44.000 inwoners van deze stad stond bijna twee derde als hervormd te boek. Oberman bezette een van de negen predikantsplaatsen van de hervormde gemeente. Twee ambtgenoten waren modern, één behoorde tot de evangelische richting (die tussen vrijzinnig en rechtzinnig in stond), de vijf anderen, onder wie de bekeerde Israëliet dr. Ph. S. van Ronkel, waren rechtzinnig. De tegenstellingen tussen de richtingen werden steeds scherper. Als gevolg van de Doleantie (1886) verloor de hervormde gemeente ongeveer een tiende van haar leden. Rond ds. Oberman vormde zich een groep van geestverwanten van dr. H.F. Kohlbrugge. Ze hielden vast aan oud-kerkelijke vormen van eredienst en liturgie. Als ds. Oberman geen preekbeurt had, waren sommige volgelingen gewoon, niet naar de kerk te gaan: er was dan geen kerk, vonden zij. Oberman zag zijn “getrouwen” echter niet naar de ogen. Hij wilde niets doen of nalaten om de gunst van mensen te verwerven. In het volgende voorbeeld komt dit duidelijk tot uiting.

Tijdens een kerkenraadsvergadering merkte een ouderling op, dat er in Leiden maar twee goede hervormde dominees waren: ds. Hartwigsen (1864- 1937) en ds. Oberman. Op Obermans vraag, waarom zij goed waren en de andere predikanten niet, antwoordde de ouderling: “omdat u beiden geen gezangen laat zingen!” Daarop zei Oberman: “als u mij om die reden goed vindt, zal ik voortaan wél een gezang opgeven.” Hij wenste er namelijk niet aan mee te werken dat het niet laten zingen van gezangen een kenmerk van rechtzinnigheid zou blijven. De volgende zondag preekte ds. Oberman ’s morgens in de Pieterskerk. Aan het begin van de dienst vertelde hij wat er de afgelopen week was voorgevallen en gaf toen als voorzang één van de evangelische gezangen op. In het vervolg liet hij in elke dienst een gezang zingen, maar koos steeds een lied dat de toets van Schrift en Belijdenis kon doorstaan.

Dr. J.H. Gunning J.Hz. (1858-1940), die van 1891 tot 1894 in Leiden stond, maakt in zijn boek “Herinneringen uit mijn leven” ook melding van dit voorval. Hij voegt eraan toe, dat voortaan een deel van Obermans volgelingen het opgegeven gezang meezong, maar dat anderen diep teleurgesteld waren. Oberman stoorde zich echter noch aan hun klagen, noch aan de lof van anderen. Hij ging zijn eigen vaste gang. Gunning schrijft met veel waardering over Oberman, die hij typeert als “een man van karakter en onbuigzame trouw aan zijn overtuiging.”

Als dr. Gunning vrij was, kerkte hij in Leiden meestal bij Oberman. Hij noemt hem een uitnemend Schriftverklaarder, die de gemeente waarlijk voedde met het Woord. Ook de al genoemde ds. H.J. de Groot raakte in de tijd dat hij predikant in Zoeterwoude was (1898-1901), onder de bekoring van Obermans prediking en genoot van diens originele kijk op de Schriften.

Een aantal preken van Oberman is in druk verschenen, onder meer een tiental, gehouden in de jaren 1908-1913 en gebundeld onder de titel Vrees niet, geloof alleenlijk. Zijn laatste preek, uitgesproken in de Oosterkerk op zondag 26 april 1914, werd opgenomen in het boekje “Ter nagedachtenis van ds. F. Oberman” (1914).

In een “in memoriam” in het Kerkblaadje van 9 mei 1914 schreef dr. J.C.S. Locher dat Obermans prediking een prediking was van de genade alleen, “de genade, die juist de wandel teweeg brengt in de Wet Gods.” Onverzettelijk was Oberman wanneer aan de Waarheid en aan het gebod Gods werd tekort gedaan. “Hij zelf echter kende zich niet anders dan als een verloren zondaar en roemde alleen de genade van zijn God.”

M. den Admirant, ’s-Gravenhage