Terug naar Ecclesianet.nl

De Ekklesia en de historie (IV) (enkele overwegingen over Blaise Pascal)

In 1669 werd er in Parijs een boek gepubliceerd dat niet meer weg te denken valt uit de grote Westerse literaire traditie: de Penseés van Blaise Pascal. Pascal overleed enkele jaren daarvoor in 1662, op 39-jarige leeftijd. Hij was dus een tijdgenoot van Baruch de Spinoza (1632 -1677) over wie het in het vorige artikel ging. Evenals Spinoza heeft Pascal zich rekenschap gegeven van de plaats van de rede in verhouding tot de Bijbel. Daarop wil ik in dit artikel ingaan.

Zijn leven

Blaise Pascal was een wonderkind. Al vroeg ontpopte hij zich als een genie. Op het gebied van de wis- en natuurkunde verblufte hij iedereen. Hij was de eerste mens die een rekenmachine vervaardigde. Hij bewees dat het vacuüm bestond (iets wat zelfs Descartes ontkende). De eerste beginselen van de hydraulica werden door hem ontdekt, hij wist aan te tonen dat lucht gewicht heeft, etc. Zijn roem drong dan ook door tot adellijke kringen. Aan vorstenhoven was hij een welkome gast en dat gold ook voor de beau-monde in Parijs.

Pascal zag echter heel duidelijk in hoe leeg de wereld van de upper ten was. Zijn ziel vroeg om meer dan het leven kon bieden. Liever spiegelde hij zich aan zijn zus die intrad in het klooster van Port Royal en een leven leidde dat aan God was toegewijd. Veel gesprekken voerde hij met haar. Ze brachten hem tot de Bijbel. In het bijbelse getuigenis leerde hij God vinden en kennen. We weten precies wanneer dat ‘vinden’ plaatsvond: in de nacht van 23 november 1654. Na zijn dood vond men in zijn mantel een papier dat het Mémorial de Pascal is gaan heten. Daaruit blijkt dat hem iets te beurt gevallen is als Jacob in Pniël. Op dit papier staan de woorden die hij schreef in de nacht dat de hemel voor hem openging. Hij schreef: “Vuur, vreugde, tranen van vreugde. Jezus Christus. Mijn God is uw God. God, niet de God van de filosofen, maar de God van Abraham, Izaäk en Jacob.”

Deze laatste zin is mijns inziens fundamenteel voor Pascal. Hij drukt ermee uit dat we God niet vinden langs de weg van de filosofie, maar van de historie. Want de God van Abraham, Izaäk en Jacob is die God die in de historie gesproken en gehandeld heeft en zelfs in de historie verschenen is!

Filosofie en historie

De aangehaalde regel uit het Mémorial is wereldberoemd geworden. Zoals echter vaker gebeurt met gevleugelde gezegdes worden ze gemakkelijk verkeerd begrepen. Pascal dacht er niet aan de filosofie in een kwaad daglicht te stellen en de historie tegen haar uit te spelen. Toch valt niet te ontkennen dat de ontboezeming een polemische spits heeft.

In Pascals dagen kwam het primaat bij het menselijke denken te liggen waar het waarheidsvinding betrof. Pas wat het verstand logisch en bewijsbaar achtte en op een heldere manier uit inmiddels aanvaardde grondstellingen kon afleiden, werd aanvaard als waarheid. Pascal leerde in de nacht van zijn ontmoeting met God eens en voor goed dat men God leert kennen door het getuigenis van de Schrift. Het gezag van de Schrift rust ondermeer op wat in de historie gebeurd is. Met haar getuigenis richt de Schrift zich bovendien niet zozeer op de rede maar op het hart van de mens, dat qua zintuig voor waarheid of onwaarheid in veel gevallen van grotere betekenis is dan de rede. ‘Het hart heeft zijn redenen, die de rede niet kent’, aldus Pascal.

Onderwerping en gebruik van de rede.

Wat Pascal in het Mémorial schreef vormde een voorspel op wat hij later zou uitwerken in zijn Pensées. De Pensées zijn gedachten die Pascal opschreef met de bedoeling ze later te gebruiken als bouwstenen voor een geschrift ter verdediging van het christelijke geloof. Door zijn vroege dood is het hem niet gegeven ze uit te werken. Kenners van zijn oeuvre hebben de losse uitspraken uitgegeven en in de volgorde geplaatst die Pascal waarschijnlijk voor ogen stond.

Pascal wilde met zijn ‘gedachten’ zijn tijdgenoten aantonen dat de hooggeroemde rede in werkelijkheid zowel krachtig als machteloos is. Kenmerkend is in dit opzicht de ‘gedachte’: “De mens is een riet, maar hij is een denkend riet.” Hij duidt ermee aan dat de mens bevoorrecht is met het denkvermogen, maar dat hij desondanks zwak is en broos. Wie dit erkent, laat zich niet voorstaan op de rede. Hij is in zijn denken niet meer hoogmoedig en heerszuchtig, maar eerbiedig, aftastend en ontvankelijk.

Op meerdere manieren brengt Pascal zijn tijdgenoten de zwakheid van het denken onder ogen:

1. Het denken gaat uit van aannames die het zelf niet kan bewijzen. Zo denken wij in categorieën van ruimte en tijd. Wij doen dat probleemloos. We aanvaarden de categorieën als vanzelfsprekend en spreken erover omdat onze intuïtie zegt dat ze bestaan. Als we echter willen aangeven wat ruimte en tijd zijn, staan we voor een raadsel. Zo machteloos is de rede dat ze van vooronderstellingen uit moet gaan, die ze niet kan bewijzen. Pascal kwam dit ook tegen in de wiskunde. Deze gaat uit van axioma’s, die niet bewezen kunnen worden.
2. De rede van de mens is zwak tegenover affecten die de mens parten spelen. Beroemd is het voorbeeld van een vrij smalle loopplank. Als deze op de begane grond ligt, kan iedereen zonder te wankelen van het ene eind naar het andere ervan lopen. Dat is anders als de plank boven een ravijn ligt. Dan wordt het gros van de mensen uit pure angst door de leegte naar beneden getrokken. Logisch gezien is de opgave in beide gevallen even gemakkelijk. Dat zegt onze rede ons. Maar diezelfde rede blijkt niet bestand tegen de angst.
3. Hetzelfde geldt als het om begeerten gaat. De rede kan de mens voorhouden dat iets verkeerd is: het verkeerde heeft vaak zoveel macht over hem dat hij er geen verweer tegen heeft en probeert recht te praten wat krom is.
4. Nog veel fundamenteler is het volgende: Pascal onderscheidt drie orden: de orde van de materie, die van de geest en die van het hart. Deze orden zijn qua beleving van de mens totaal verschillend. Het is voor iemand die uit is op rijkdom, eer of lust (de materie) niet te begrijpen dat het loutere gebruik van de geest in de wetenschapsbeoefening een geleerde voldoening geeft. Evenmin is het gezegd dat iemand die genoegen beleeft aan de wetenschap begrijpt wat liefde is: wie met een wiskundig model probeert te doorgronden wat liefde is, doet iets onzinnigs. De orde van de materie correspondeert met de begeerte, die van het exacte denken met de menselijke geest en die van de liefde met het menselijke hart.
5. Daar komt bij dat het denken van de mens verduisterd is door het kwade. Valse begeerten en hoogmoed vertroebelen het denken.

De waarheidsclaim van het Evangelie

Als Pascal aangetoond heeft dat de rede zich moet vernederen, doet hij een beroep op zijn lezers om de waarheid desondanks te willen vinden. De waarheid is het hoogste goed dat men kan krijgen – het bezit ervan maakt eeuwig gelukkig. Van daaruit brengt hij het christelijke geloof ter sprake. Wie eerlijk zoekt, moet wel tot de ontdekking komen dat het christelijke geloof gefundeerd is. De oproep tot geloof berust immers op wat in de historie plaatsvond en op de gezagvolle interpretatie ervan, zoals we die vinden in de Bijbel.

Op grond van historische argumenten claimt het christelijke geloof de waarheid. Wat zijn deze argumenten?

1. Pascal wijst erop dat de profetieën die lang voor de komst van Jezus door meerdere profeten in verschillende tijden gedaan zijn, in Hem hun vervulling vinden. En dat terwijl de profetieën onderling heel verschillend zijn. Ze lijken elkaar zelfs tegen te spreken. Er is sprake van een lijdende Knecht en een triomferende Messias, die alle macht ontvangt; van een koning die altijd regeren zal op Davids troon en een Godsknecht die verworpen wordt door zijn eigen volk en sterft; van iemand die in liefde over de heidenen regeert en die toch Israël tot glorie brengt. Het verwonderlijke is dat al deze profetieën schijnbaar moeiteloos in Christus vervuld worden.
2. Ook de manier waarop ze vervuld worden, is dus verwonderlijk. Wie zich daarover voorafgaand aan de vervulling een voorstelling had willen maken zou in een labyrinth verdwaald zijn. Door Jezus’ optreden leken ze in een heel kort tijdbestek bijna vanzelf in vervulling te gaan. Pascal schrijft: “Dit alles vond plaats zonder enige moeilijkheid, toen Jezus Christus zei dat Hij de Messias was”. De diverse profetische draden werden a.h.w. door Hem opgepakt en zo met elkaar verweven dat er één patroon tevoorschijn kwam: “Dit laat de waarheid van de profetie goed uitkomen”.
3. Pascal wijst erop dat Christus wonderen deed. Dit pleit voor de waarheid van het Evangelie.
4. Uit Jezus’ manier van spreken over God blijkt dat Hij Gods Zoon is. Pascal zegt: Wie is in staat zo vanzelfsprekend over een kunstwerk te spreken als een kunstenaar? Wie kan zo over vakmanschap spreken als een vakman? Uit hun woorden (de eenvoud waarmee ze spreken èn het gezag dat ermee gepaard gaat) blijkt dat men met een kenner te doen heeft. Wie is in staat met zoveel gezag en zoveel eenvoud tegelijk over God te spreken als Jezus deed? Pascal zal gedacht hebben aan teksten als “Het Koninkrijk der hemelen is als een zuurdesem dat een vrouw nam en in een deeg doet, dat het hele deeg doortrekt.” Het beeld is buitengewoon eenvoudig, maar zo trefzeker dat het gezag van degene die spreekt voluit naar voren komt. Wie kan zo trefzeker spreken over Gods Koninkrijk als de Koning zelf? De impact van de boodschap is van dien aard dat er een goddelijke kracht van uit gaat.
5. Pascal wijst op de persoon van Jezus zelf. Hij wijst op zijn nederigheid en hoogheid en stelt: “Dat men aandacht geeft aan deze grandeur in zijn leven, in zijn sterven, in zijn onbekendheid, in zijn dood, in het kiezen van de zijnen, in zijn verlatenheid, in zijn opstanding waarvan niemand getuige was, en in al het andere. Men zal Hem zo groots zien dat men geen enkele reden heeft om zich te ergeren over een laagheid, die er niet is.” Pascal spreekt over de grandeur van de heiligheid die bij Jezus manifest was.
6. Pascal wijst op het bijzondere van de evangelisten, die eenvoudige mensen waren en toch in staat waren het Evangelie te schrijven. “Wie heeft de evangelisten de kwaliteiten geleerd een volmaakt heldhaftige ziel te herkennen, om haar vervolgens zo volmaakt te schilderen als zij deden waar het Jezus Christus betrof? Waarom maken ze Hem zo zwak in zijn lijden? Waren ze niet in staat de dood te schilderen van iemand die gelijkmatig was in zijn optreden? Dat waren ze wel. Lucas schildert immers de dood van Stefanus, die daarin sterker lijkt dan Jezus Christus. De evangelisten vertellen dat Jezus in staat was te vrezen, voordat de noodzaak van zijn dood vaststond en dat Hij daarna heel sterk was. Waar ze Hem zo schilderen dat Hij in zijn ziel geraakt wordt, is dat omdat Hij zichzelf ontroert, wanneer de mensen het Hem echter moeilijk maken, is Hij sterk.”
7. Verder wijst Pascal op de impact van Jezus kort na zijn opstanding, op de geheime kracht die duizenden onwetende mensen met weinig woorden overtuigde en hun levens zo veranderde dat koningen afstand deden van de troon en jonge meisjes heldenmoed toonden op die momenten dat ze omwille van het geloof gedood werden. Dit gebeurde op grote schaal bij de gewone mensen, terwijl iemand als Plato slechts weinig mensen achter zich kreeg en dan nog de elite. Hier is maar een verklaring: “Het is de geest van God die zich uitbreidde over de wereld.”
8. Wie goed kijkt in de historie verbaast zich: “Wat is het mooi om te zien met de ogen van het geloof: Darius en Cyrus, Alexander, de Romeinen, Pompe jus en Herodes te zien handelen voor de glorie van het Evangelie zonder het te weten.” Niet alleen de geschiedenis van de Joden, ook die van de heidenen schuift als het ware naar het middelpunt van de geschiedenis: Jezus’ leven, sterven en opstanding.

Op deze manier werkte Pascal het grondgegeven uit: “Niet de God van de filosofen, maar de God van Abraham, Isaäc en Jacob”, d.w.z. de God die zich in de historie kenbaar maakt! Om aan te tonen dat God zich daarin bekend maakt, maakte Pascal in zijn Pensées gebruik van de rede. Zo bracht hij in praktijk wat hij predikte: “Onderwerping en gebruik van de rede, daarin bestaat het hele christendom.” Dat de rede zich onderwerpt aan het gezag van de bijbelse boodschap, blijkt op grond van de historie alleen maar redelijk te zijn.

H. Klink, Hoornaar