Terug naar Ecclesianet.nl

Wat is een volkskerk? (VII)

Het verlies aan historisch besef, waartoe ook de theologie heeft bijgedragen, heeft geleid tot de totstandkoming van de PKN en tot het opgaan van de Hervormde Kerk in deze nieuwe kerk. Daarmee heeft de Hervormde Kerk opgehouden te bestaan – ook en juist in dat wat haar het meest kenmerkte: haar volkskerkkarakter.

Het is daarom opvallend dat dr. J. van der Graaf zich in zijn geschrift Volkskerk in de marge acht jaar na de fusie van de kerken veel moeite getroost om de PKN als volkskerk te typeren.

De Hervormde Kerk fuseerde in 2004 met de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch Lutherse kerk, die geen volkskerk waren en wilden zijn. Het is zoals in het Hervormd Pleidooi uit 1994 (ondertekend door dr. Van der Graaf zelf en geschreven uit grote zorg om het verlies van de historische kerk) te lezen valt: de theologisch verantwoorde en in de historie verankerde “speciale plaats die de Hervormde Kerk had met het Nederlandse volk heeft de Lutherse kerk nooit kunnen innemen en de kerken van de Doleantie en Afscheiding nooit willen innemen.”

We zagen in voorgaande artikelen hoe Abraham Kuyper de volkskerk ten principale afwees. We hebben gezien hoe dit doorwerkte in zijn visie op het verbond en de kinderdoop. Kuyper was zeer georiënteerd op de Schotse en Amerikaanse godgeleerden en Puriteinen van indepentendistische snit. In de lijn vanJohn Knox was hij tegen het dopen van kinderen van ouders die niet uitdrukkelijk hun geloof hadden beleden. We zagen hoe anders Calvijns dooppraktijk was. Hij keek niet allereerst naar het geloof van de ouders, maar naar het verbond dat God aangegaan is van geslacht tot geslacht – met als voorbeeld het oude Israël. In de Hervormde Kerk en in de Gereformeerde Kerken hebben we dus te maken met twee kerktypen: de volkskerk en de vrije kerk.

Waar niet over gesproken werd

Nu is het veelzeggend dat in de vele jaren van het fusieproces van de genoemde drie kerken die samen de PKN zijn gaan vormen, nauwelijks over het verschil van kerktype gesproken is. Dit gebeurde ook niet of nauwelijks bij de behandeling van de nieuwe kerkorde in 1993 en 1994, toen de artikelen over de doop ter sprake kwamen. Het kan zijn dat men deze vragen liever uit de weg ging, omdat men aanvoelde hoe lastig het zou zijn, hierover overeenstemming te bereiken. Het kan ook zijn dat er gebrek was aan interesse, waardoor de vragen rondom het fundament van de kerk (volkskerkkarakter of niet) nauwelijks meer een rol van betekenis speelden. In dat geval was men zozeer aangeraakt door de geest van barthianisme en de geest van vernieuwing van de jaren zestig dat de vragen rondom de volkskerk als passé werden beschouwd. Op de achtergrond speelde de gedachte dat men zelf wel in staat was een kerk te smeden. Bovendien spiegelde men zich aan de fusiegolf in het bedrijfsleven en bij overheidsinstellingen. Een andere reden was de zoektocht naar eenheid in het licht van de voortschrijdende secularisatie.

Door de invloed van al deze factoren, die afgedekt konden worden met de theologie van Karl Barth, raakte men ook aan hervormde kant in brede kringen vervreemd van de eigen historie. Het eigene van de Hervormde Kerk als volkskerk werd niet meer dermate belangrijk gevonden dat men ervoor in de bres sprong. De weerslag ervan is te zien in de nieuwe kerkorde, onder meer in de artikelen over de doop. In het grondleggende artikel VIII wordt merkwaardigerwijs niet meer gesproken over ‘kinderen van de gemeente’. Er staat: ‘de doop wordt bediend aan hen voor wie en door wie de doop wordt aangevraagd.’ In de uitwerking (ordinanties) van de grondleggende artikelen is daarentegen wel sprake van kinderen van de gemeente en wordt gezegd dat de gemeente wordt opgeroepen hen ten doop te houden. Maar het krachtens het verbond ‘verplichtende element’ is voor een deel verdwenen. De PKN omschrijft zichzelf als “ Christus-belijdende geloofsgemeenschap” en niet meer zoals de Hervormde Kerk in 1951 als “Christusbelijdende volkskerk”. In de artikelen is ook geen sprake meer van het feit dat kinderen die uit hervormde ouders geboren zijn krachtens het genadeverbond tot de kerk behoren. De zogenaamde geboorteleden behoren niet meer officieel tot de kerk.

Geforceerd

De kerkorde van de PKN is ontstaan vanuit een vervreemdingsproces van het verleden van de aangesloten kerken. Daarom heeft het iets geforceerds als dr. Van der Graaf het etiket ‘volkskerk’ op de PKN wil plakken. Zijn poging daartoe heeft wellicht te maken met het feit dat dr. Van der Graaf ooit ook vanwege de waarde van het hervormd-zijn sterk protesteerde tegen het SoW-proces. Toen echter in de eigen gelederen een geest van afscheiding opkwam en de keuze voor de PKN gevallen was, staakte hij dit protest om erger te voorkomen. Zijn grief richtte zich meer en meer tegen degenen die het fusie-proces niet konden meemaken. Het lijkt erop dat Van der Graaf als rechtvaardiging tegenover hen en omdat hij vanouds gehecht is aan de volkskerk, niets liever ziet dan dat ook de PKN als zodanig getypeerd kan worden.

Om aan te tonen dat de PKN volkskerk is, verwijst Van der Graaf ook naar het predikantschap van ondergetekende in het dorp Hoornaar en citeert hij diens uitspraak in het RD van vorig jaar januari: “De hervormde kerk is hier de enige kerk, en eigenlijk ben ik ook predikant voor het hele dorp. Ik kom bij randkerkelijken, onkerkelijken en omgekeerd doen zij een beroep op mij. Hier functioneert de volkskerk nog.”

Inderdaad: het zou dwaas zijn te beweren dat het karakter dat ooit de Hervormde Kerk eigen was, met de totstandkoming van de PKN volledig is verdwenen. Meerdere delen van ons land, dragen het hervormde stempel nog enigszins. Het bestaan hiervan betekent echter niet dat de PKN als zodanig een volkskerk is. Het gaat hier eerder om restanten van wat was, restanten van een hervormde kerkbeleving, die bestaan binnen de PKN en die ondanks het vervreemdingsproces dat zich al eerder in de Hervormde Kerk voordeed en dat zijn beslag in de PKN heeft gekregen, blijven bestaan. Van Luther is de uitspraak: ‘de kom is gebroken, de soep is eruit gelopen, we houden de scherven in de handen.’ De vraag is of we hier niet nog een scherf in de hand hebben, terwijl de soepkom gebroken is en de soep eruit is gelopen. Die scherf is een restant hervormd kerkelijk leven, waarvoor ook dr. Van der Graaf gevoelig is. Men kan echter niet volhouden dat dit voor de hele PKN geldt. Het kerkelijk besef is in deze kerk diffuus. We zagen dat het geen ‘item’ was gedurende het SoW-proces omdat men samen deelde in het vervreemdingsproces van de historie. Dit vervreemdingsproces is bezegeld bij de totstandkoming van de PKN.

Nog eens Erik Peterson

Het Europese vervreemdingsproces van het verleden hangt nauw samen met wat Groen van Prinsterer als ‘ongeloof’ typeerde. Het heeft de secularisatie in de hand gewerkt. Dit ‘proces’ is ook in de kerken binnengedrongen. Het heeft merkwaardigerwijs een theologische impuls gekregen in de theologie van vooral Rudolph Bultmann, maar ook van Karl Barth, die beiden grote invloed hebben gehad op de theologie in Nederland. Bij Bultmann is dit evident. Voor hem is er geen openbaring van God in de geschiedenis door Christus. Barth hield daar wel aan vast, maar dan zo dat zijn theologie een onhistorisch, ideologisch karakter kreeg.

Degene die in de jaren twintig de alarmbel luidde was Erik Peterson (1890 -1960), aan wie Barth en Bultmann moeilijk voorbij konden gaan en voor wie ze groot respect hadden. Barth vond zijn colleges zo de moeite waard dat hij als collega bij de studenten in de collegebanken aanschoof. Peterson zag in dat er in Europa zowel in de liberale theologie als bij Barth sprake was van een breuk met de traditie die gewaarborgd was door de apostolische successie. De kerk is gegrond in het dogma. Ook de hervorming heeft dat altijd volgehouden. Zij voegde zich in de traditie, zij herijkte die zelfs (vandaar dat er sprake was van ‘hervorming’). Een gevolg van de hervorming was de totstandkoming van de volkskerk. In de Reformatie ging het dus om een weer aanhaken en een weer levend maken van de apostolische successie. Nederland was in dit geheel een bijzonder land omdat de totstandkoming van ons land direct samenhing met de strijd tegen de toenmalige rooms-katholieke en Spaanse ideologie. Door de Reformatie, die weer aanhaakte bij het dogma van de kerk en het Evangelie aan het licht bracht, is ons land ontstaan!

Ondanks het feit dat de impact van de Reformatie enorm groot was, doofde het geloofsvuur aan protestantse kant al vrij snel, zodat de heilzame invloed van de kerk aan het eind van de zeventiende eeuw begon te tanen.

Hetzelfde proces deed zich voor bij rooms-katholieken, die zich door de Reformatie ook genoodzaakt hadden gezien, dingen grondig te wijzigen. Blandine Kriegel laat dit in haar weergaloze boeken over het recht en de historie zien, evenals Paul Hazard. In zijn boek De crisis van het Europese geweten schildert hij hoe een proces van vervreemding van het verleden tezamen met een geest van revolutie, die door ongeloof werd ingegeven, Europa in zijn ban kreeg. In de achttiende eeuw verzwakte de kerk zeer. Daardoor kon zij geen weerwoord bieden tegen de geest van ongeloof die vooral in Frankrijk de kop op stak en die tot een staatkundige uitbarsting kwam in de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen. Er was een vraag op het bord van de kerk gelegd die om antwoord vroeg: de vraag naar de geschiedenis, naar de zin en de uitkomst ervan in het licht van de openbaring. Het waren enkelingen die vaak op eigen titel spraken en elkaar soms wisten te vinden (het Réveil), die het christelijke belijden tegen de geest van de revolutie cachet gaven: Johann Georg Hamann, Soren Kierkegaard, Groen van Prinsterer, John Henry Newman, Alexandre Vinet. Hun getuigenis heeft op het officiële kerkelijke leven weinig invloed gehad, al moet gezegd worden dat de betekenis van John Henry Newman op de rooms-katholieke kerk groot is, tot op de dag van vandaag.

Van kerkelijk verweer tegen de revolutiegeest was echter nauwelijks sprake. Het tragische van de 20e eeuw was, zoals Peterson in de cruciale jaren van de eerste Wereldoorlog moest constateren, dat theologen als Harnack en Barth daartoe ook niet in staat waren. maar het onhistorische denken juist ruimte en voeding gaven. Barth haalde de openbaring los van de historische werkelijkheid, om het Evangelie later juist sterk socialistisch te kleuren. Deze theologie werd in de naoorlogse jaren in brede lagen van de Hervormde Kerk omarmd. Barth was bij de theologen gevierd, terwijl Erik Peterson, die rooms-katholiek geworden was, werd vergeten. Het enige protest kwam, zoals in het vorige artikel aangegeven van dr. Aalders en prof. Van Niftrik in de vorm van het Getuigenis, dat breed onderschreven werd. Men vond echter wat de kerkleiding betrof, een dovemansoor.

Was er een alternatief?

En toch was er een alternatief. Nog levendig herinner ik me de hervormde synodevergadering waarin, ondanks breed verzet van veel classes, besloten werd tot de fusie van de kerken (november 1995). In de weinige minuten spreektijd die de synodeleden vergund werd, bracht ondergetekende het volgende naar voren:

- het is van wezenlijke betekenis dat men zich in het fusieproces ook theologisch rekenschap geeft van het feit dat de Hervormde Kerk volkskerk is. Wij nemen er bijna achteloos afscheid van, alsof het niet iets wezenlijks is.

- een fusie heeft pas zin, als men zicht heeft op wat vandaag beleden moet worden. Als dat niet helder is, moet men geen fusie aangaan. Bij twijfel mag men niet inhalen.

Deze belangrijke vragen werden niet besproken, laat staan beantwoord. Er heerste een bijna blind optimisme: als we eenmaal gefuseerd zijn, komt het vanzelf tot een bezinning, de nieuwe kerk ontwikkelt vast een nieuw elan en zo zal ze aansprekend kunnen zijn. Men liet het momentum voorbij gaan waarin in gezamenlijkheid een weg gevonden kon worden, die recht deed aan de historie en aan wat in deze tijd met inachtneming van de historie beleden had kunnen en moeten worden. Men ging een fusie aan als was het een bedrijfsmatig gebeuren, terwijl het kerkbesef niet helder was, zelfs niet eens expliciet aan de orde gekomen was.

Als gevolg daarvan is de PKN een vrije kerk geworden, waarbinnen wat het kerkbesef betreft een grote mate van diversiteit aanwezig is, ondanks de welwillendheid naar elkaar, die door de toenemende druk van buiten (gelukkig) is toegenomen. Vanzelfsprekend is het zo dat velen in de PKN, vooral zij die van hervormde komaf zijn, nog denken en handelen vanuit wat men van huis uit heeft meegekregen. En natuurlijk is het zo dat de PKN vanwege het feit dat ook de Hervormde Kerk in het fusieproces betrokken was, een landelijke uitstraling heeft en elementen van het hervormd kerkelijke leven overnam. Maar het hervormde leven en kerkbesef is niet in de kerkorde verankerd. En vooral ook: tot een in de historie geënt en op de actualiteit gericht kerkelijk belijden kwam het niet.

Wegwijzend

Zo heeft de Hervormde Kerk niet gedaan wat op haar weg gelegen had: in verbondenheid met de Schrift en de belijdenis opkomen voor en de wacht betrekken bij de historie, om vandaaruit veel mensen die zich in de geschiedenis voelen als verloren schapen (zeker na de catastrofes van de wereldoorlogen) uitzicht, troost en heil te bieden. En dat terwijl aan de voorwaarden om te komen tot een dergelijk belijden volop voldaan was. Want juist op het gebied van de bijbelwetenschappen deden zich ontwikkelingen voor, die de kerk volop in staat hadden kunnen stellen om met inachtneming van de historie tot een vernieuwing te komen. Op wat dat belijden inhoudt, wil ik in het volgende en laatste artikel over de volkskerk ingaan. We zullen zien dat de bijbelse theologie ook in de nieuwe situatie die met de totstandkoming van de PKN is ingetreden, wegwijzend kan zijn.

H. Klink, Hoornaar