Terug naar Ecclesianet.nl

De rol van predikanten in de oorlog

Op 3 november 2012 overleed mevrouw Witte, een lid van mijn gemeente in Nieuwkoop, een hartelijke, gelovige vrouw die samen met haar man een oogartspraktijk had gerund. Toen ik ooit bij haar op bezoek kwam, toonde ze met trots een foto van haar vader in gesprek met prins Bernard.

Ds. A. Bos en ds. De Kluis

Haar vader, de gereformeerde predikant ds. A. Bos was de eerste hoofdlegerpredikant na de Tweede Wereldoorlog. De oorlogsperiode had grote indruk op haar gemaakt. Ze had gezien hoe de Duitsers hem thuis hadden opgehaald. Hij zou met vele anderen behoren tot de gijzelaars van Sint Michielsgestel. Nu was het niet zo dat de gijzelaars van Sint Michielsgestel gebukt gingen onder een zwaar regime. Maar die ene keer dat er mensen geëxecuteerd werden, was ds. Bos er noodgedwongen getuige van. De Duitsers hadden hem aangewezen om de veroordeelden in hun laatste uur bij te staan. Wat toen gezegd is, heeft mevr. Witte niet geweten. Wel wist ze dat het zwaar voor haar vader geweest was. Toen hij na de executies terugkeerde bij zijn medegevangenen zeiden zij de hele nacht voor hem gebeden te hebben.

Door dit soort getuigenissen komt het oorlogsverleden weer even tot leven. De mensen die het hebben meegemaakt gaan heen, hun kinderen zijn vaak al oud. Des te belangrijker is het om de verhalen die nog verteld kunnen worden te horen en ze door te geven. Het verhaal van ds. Bos laat zien dat juist predikanten in de oorlogsjaren opeens voor een onverwachte opgave konden komen te staan. Mevr. Witte wees me ook op de rol van ds. De Kluis, die als een van de weinige legerpredikanten gebruik maakte van de conventie van Genève, die bepaalde dat krijgsgevangen recht hadden op geestelijke zorg. Ds. De Kluis meldde zich aan om vrijwillig de Nederlandse officieren bij te staan die in het Duitse Mühlberg gevangen zaten. De predikant had een gezin. Hij had in Nederland kunnen blijven bij zijn vrouw en kinderen, maar koos er voor om in krijgsgevangenschap te gaan en zijn pastorale werk te doen op de plek waar hij naar zijn overtuiging geroepen was.

Het betreft hier slechts twee namen van een veel grotere groep Nederlandse predikanten die in de oorlogsjaren door de Duitsers werden gevangen gezet. 127 predikanten zijn in de kampen gedetineerd, van hen zijn er 34 om het leven gebracht.

Een leerzame bundel

Predikanten vormden een bijzondere groep in de bezettingstijd. Wat hun positie ondermeer bijzonder maakte, was dat zij in gevangenschap hun beroep konden blijven uitoefenen. Ook in de kampen werd pastorale zorg verleend en werden kerkdiensten belegd. In een aantal gevallen – zoals bij ds. De Kluis – werden er zelfs noodgemeenten opgericht, waarin de predikant met instemming van de synode zijn werk deed.

Over de rol van predikanten en de manier waarop zij zijn herinnerd gaat de enkele jaren geleden verschenen bundel Van Kansel naar Barak. Gevangen Nederlandse predikanten en de cultuur van herinnering. Ik geef enkele bijdragen aan deze bundel kort weer en wil vooral letten op de rol die het Joodse volk daarbij speelde.

Enker, Kapteyn, Plantagie, Ader

Eén van de meest opvallende figuren die in het boek wordt besproken is Max Enker. Voordat hij gedeporteerd werd, was hij, een christelijke Jood, verbonden als hulpprediker aan de Nicolaïkerk in Utrecht. In Westerbork werkte hij met de bevoegdheden van predikant in de noodgemeente Westerbork. Uit het levensverhaal van Max Enker krijgen we de indruk dat er grote reserves bestonden binnen de Hervormde Kerk ten opzichte van Christelijke Joden. Na zijn terugkeer uit Theresienstadt werkte Enker nog jaren als predikant in Nederland en als secretaris van het International Hebrew Christian Alliance te Jeruzalem. Na zijn emeritaat kon hij moeilijk zijn plek tussen Kerk en Jodendom vinden. Kort voor zijn dood keerde hij terug tot het Jodendom.

Jo Kapteijn, die eerst in IJmuiden en daarna in Groningen predikant was, bad voor de terugkeer van de koningin uit Engeland. Na zijn arrestatie werd hij vanuit Scheveningen, vastgeketend aan de bekende priester Titus Brandsma en overgebracht naar Dachau. Daar stierf hij aan de ontberingen van dat kamp. Met Kapteijn zouden daar nog zestien Nederlandse geestelijken het leven laten.

Hans Werkman schrijft een bijdrage over de predikant Gerrit Plantagie. Plantagie was actief betrokken bij het verzet. Samen met zijn vrouw redde hij vele Joden het leven door hen te laten onderduiken. Hij belandde in kamp Dachau, waar hij voorging in diensten die door de Duitsers werden toegestaan. Hij stierf op 24 maart 1945 aan vlektyfus.

De pastorie van predikant Bas Ader in Nieuw Beerta was het middelpunt van verzetswerk. Ader hielp meer dan 200 Joden aan onderduikplaatsen. Na zijn arrestatie werd hij gemarteld en kort daarna gefusilleerd. De bijdrage over Ader valt dus een beetje uit de toon in deze bundel, aangezien hij niet in een kamp terecht is gekomen. Zijn vrouw schreef hun belevenissen na de oorlog op in het boek Een Groninger pastorie in de storm.

Cultuur van herinnering

Deze en andere predikanten werden vooral door hun familie en hun gemeenteleden herdacht. De geschriften die aan hun leven zijn gewijd, hebben niet zelden een hagiografisch karakter (beschrijving van heiligenlevens). Bettine Siertsema laat in haar bijdrage zien dat de predikanten in andere memoires een veel bescheidener rol spelen. Ook komen daar getuigenissen aan bod die spreken van predikanten en priesters die een bevoorrechte status hadden, veel voedselpakketten ontvingen en zich maar zijdelings om hun medegevangenen bekommerden.

De wijze van herinneren wordt in de bijdrage van Gert van Klinken kritisch tegen het licht gehouden. Hij heeft onderzoek gedaan naar de VDM-reeks van uitgeverij Kirchner. In deze reeks werden predikanten herdacht die in de oorlog waren omgekomen (tot 1951 verschenen 29 deeltjes). Van Klinken signaleert bij de auteurs een theologisch probleem: “Naar gereformeerde opvatting werd niet zozeer de (feilbare) mens in een In Memoriam geëerd, maar God, die zich van de ambtelijke werkzaamheden van deze mens had bediend.” Je kunt je afvragen of dit een goede basis is voor een betrouwbare weergave van wat zich feitelijk heeft voorgedaan. De verleiding van een al te vrome weergave van iemands handelen ligt op de loer. Van Klinken maakt duidelijk dat de gedenkschriften zich steeds tussen twee uitersten bewegen. Tussen aanvaarding van een duistere voorzienigheid en een geestelijk verzet tegen antichristelijke machten. Wat de boekjes gemeenschappelijk hebben, is de opvatting “dat de ervaring van de oorlog het verband tussen zingeving en geloof heeft versterkt.”

De bijdrage van Van Klinken geeft ook een indruk van het gebrekkige inzicht dat men had in de vernietiging van het Joodse volk die zich in diezelfde jaren voltrok. Vaak bedient men zich juist in het duiden van het lot van predikanten van oudtestamentische taal en typologie. Evenals het oude Israël, als David tegen Goliat, had men strijd geleverd. Voor het lot van het daadwerkelijke Israël in de oorlogsjaren had men geen oog. Men betrok de typologie van Israël op de kerk of zelfs op de natie, maar niet op het Joodse volk.

Ook in andere bijdragen krijgen we een indruk van deze eenzijdigheid. Er is vanuit de kerken vooral zorg om de christelijke Joden, er is aandacht voor Jodenzending en daar wordt bij wijze van verzet in Nederlandse kerken ook voor gecollecteerd. Van ds. Lieve die in kamp Amersfoort verbleef is de uitspraak, die al eerder door Presser was opgetekend: “Het is jammer dat de Joden hier in het kamp niet méér geliefd zijn! Zelfs predikanten die hier komen zeggen na verloop van tijd: ‘Ik wist niet dat ik ooit tot antisemitische gedachten zou kunnen komen.’” De bijdragen laten zien dat men zich ook in het kamp met kerkelijke verschillen bezighield (de ‘Vrijmaking’), maar dat men voor het lot van het Joodse volk maar weinig oog had.

In een bijdrage van Jan Ridderbos wordt een waardevol totaaloverzicht gegeven van de Nederlandse predikanten die tijdens de oorlogsjaren in de kampen gevangen hebben gezeten. Slechts enkele predikanten zijn in deze bundel voor het voetlicht gebracht. Achter de 127 namen gaan ongetwijfeld nog talloze verhalen schuil, die niet in deze bundel zijn opgetekend. Er zijn zeker nog meer ervaringen van predikanten, die, zoals dat gold van ds. Bos, juist vanwege hun ambt, voor een bovenmenselijke opgave kwamen te staan. Deze bundel draagt bij aan het bewaren van die ervaringen en geeft tevens een aanzet tot een kritische reflectie daarop.

H.J. Prosman, Nieuwkoop

N.a.v. Harinck, G. en Van Klinken, G., Van kansel naar barak. Gevangen Nederlandse predikanten en de cultuur van herinnering, Meinema, 2011.
A.T. W. de Kluis, De pastorie van Mühlberg, Uitgeverij Voorhoeve, 1950.