Terug naar Ecclesianet.nl

Het derde deel over Jezus van Nazareth

Het derde deel over Jezus van Nazareth van Joseph Ratzinger is niet een boek dat zijn trilogie afsluit, zoals men zou verwachten maar juist de inleiding vormt tot de twee andere delen over Jezus en zijn boodschap. De bisschop van Rome treedt in dit boek in dialoog met de kindheidsverhalen van Matteüs en Lukas, die hij probeert uit te leggen.

De leesbril

Volgens Ratzinger maakt goede exegese twee bewegingen. Allereerst verdient het historische onderdeel van de exegese aandacht namelijk: wat hebben auteurs als Matteüs en Lukas met hun berichtgeving willen zeggen? Het belang van deze historische vraag ligt voor Ratzinger in het geloof dat ten diepste God zelf de auteur van de Bijbeltekst is. Maar een tekst kan niet in het verleden blijven liggen en daarom is een tweede beweging nodig namelijk, de vraag naar de actualiteit van het verleden. Is het waar wat ons wordt overgeleverd? Gaat het mij aan? En wanneer, op welke wijze?

Twee lijnen zijn in het boek te ontdekken die kenmerkend zijn voor de benadering van de berichten over de geboorte en de eerste levensjaren van Jezus. Evenals in de voorgaande delen bestaat er een sterke verbinding tussen wetenschap en geloof. In dat opzicht is deze trilogie een voorbeeld van een moderne en tegelijkertijd orthodoxe interpretatie van de Bijbel. Indringende vragen, bijvoorbeeld naar de historische realiteit van de ster, worden door hem niet ontweken maar voorzien van aannemelijke antwoorden.

Een ander belangrijk kenmerk dat bij het lezen op de voorgrond treedt is de nauwe relatie tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Volgens Ratzinger laten een aantal teksten in het Oude Testament, zoals Jesaja 53, zich maar moeilijk duiden met als gevolg een aantal verschillende interpretaties. Pas met het oog op de geschiedenis van Christus wordt de betekenis ervan duidelijk. Jezus Christus vormt als het ware de sleutel tot het juiste verstaan. Daarom is de christelijke exegese nieuw en tegelijk trouw aan het oorspronkelijke Schriftwoord.

“Vanwaar zijt gij”?

Dit derde boek begint Ratzinger met de vraag naar Jezus’ herkomst die Pilatus stelde tijdens zijn verhoor. De vraag “Vanwaar zijt gij?” is een vraag naar zijn identiteit en op die vraag geven de schrijvers van de evangeliën een antwoord. Bij de behandeling van het bericht van Lukas over de twaalfjarige Jezus in de Tempel stelt het boek een vergelijkbare identiteitsvraag aan de orde. Hoe moeten we dit bericht over Jezus te midden van de theologen van die tijd, duiden? Wordt hij hier voorgesteld als iemand die hun valse vroomheid aan de orde stelt met het doel ons daarvan te bevrijden? Met andere woorden: was Jezus een liberaal of een revolutionair?

Volgens Ratzinger is het inderdaad zo dat deze episode in de Tempel laat zien dat Jezus in zijn zending als Zoon van de Vader, een nieuwe fase inluidt in de verhouding van de mens tot God. Maar een liberaal of revolutionair? Nee, dat kan van hem niet gezegd. Ware vrijheid is volgens de bisschop van Rome niet de vrijheid van de liberalen maar de vrijheid van de Zoon. Een vrijheid van waarachtige vromen en geen vrijheid van ‘bandelozen’! Jezus brengt een nieuwe vrijheid die één is met de wil van de Vader en die mensen tot de vrijheid van het één-zijn met God brengt. Hij is niet naar deze wereld gekomen om de wet af te schaffen maar die juist te vervullen. Jezus verbindt in zijn optreden en verkondiging radicale nieuwheid met radicale trouw.

Een familietraditie afkomstig van Maria

De kindheidsverhalen over Jezus zoals Matteüs en Lukas die in hun evangeliën hebben opgenomen zijn volgens Ratzinger ‘familietradities’ afkomstig van Maria. Deze verhalen zijn pas later, na haar overlijden gepubliceerd, uit piëteit tegenover de moeder Gods. Wetenschappelijk gezien kunnen op dit punt kritische vragen gesteld worden aan Ratzinger. Want hoe betrouwbaar zijn deze berichtgevingen? En dan blijkt hoe voor de schrijver van dit boek geloof en rede zich tot elkaar verhouden. Want waarom zouden de schrijvers van de evangeliën deze verhalen verzonnen en bedacht hebben wanneer daar geen concrete aanleiding toe was? De berichten over Jezus zijn vanuit het Woord Gods geduide, en vanuit die duiding opgeschreven geschiedenissen, waarin heilsgeschiedenis ligt opgesloten, die ons allen aangaat.

Twee personages: Maria als moeder Gods en Jozef, zoon van David

Opvallend is de aandacht die wordt besteed aan de personen die in de berichtgeving over de eerste jaren van Jezus’ leven op aarde een rol spelen. Ratzinger bestudeert nauwgezet de beschrijvingen van de houding en het optreden van deze personages zoals Matteüs en Lukas die ons in hun evangeliën overleveren.

De engel Gabriel die Maria meedeelt dat zij zwanger zal worden en een zoon baren, begroet haar met het Griekse woord χαiρε dat ‘verblijdt u’ betekent. De herders in het veld worden in de nacht op dezelfde wijze door de engelen begroet. Hier wordt een nieuw akkoord aangeslagen dat heel de Kerk doorklinkt en dat inhoudelijk verband houdt met het evangelie als blijde boodschap.

Ratzinger verbindt deze begroeting van Maria met een passage uit Zefanja 3 vers 14-17, waarin Israël als ‘dochter van Sion’ wordt opgeroepen om zich te verheugen, omdat de Heer in hun midden is. Volgens hem staat hier letterlijk dat de Heer in de ‘schoot van Israël aanwezig’ is. Ook de ark van het verbond werd in het Oude Testament gezien als bewijs dat God woont ‘in de schoot’ van Israël. Deze beeldspraak brengt hij in verband met Maria die de personificatie is van de dochter van Sion. Door haar zwangerschap wordt Maria tot ‘ark van het verbond’, tot ‘plaats van de onmiddellijke inwoning van de Heer’.

De manier waarop de houding van Maria en haar reactie op de aankondiging van de geboorte van Jezus door de engel wordt uitgelegd maakt indruk. De reactie van Maria is er een van innerlijke overdenking, en een zoeken naar de betekenis. Ze is niet zoals Zacharias bevreesd door de verschijning en de boodschap van de engel maar ze zoekt te verstaan wat aan haar is medegedeeld. Maria is een innerlijke vrouw die hart en verstand bijeenhoudt en het geheel van de boodschap zoekt te verstaan. Hierin is zij het beeld van de Kerk die het Woord van God overdenkt en het geheel ervan zoekt te begrijpen.

De wijze waarop Ratzinger de figuur van Maria uit de verhalen van de evangelieschrijvers interpreteert en uitlegt, geeft naar mijn mening aan haar de waardigheid die haar toekomt. Tenslotte was zij de moeder Gods en was het door haar geloof, toewijding en overgave mogelijk dat Christus mens werd.

Niet alleen over de houding van Maria valt veel te zeggen. Ook het optreden van Jozef strekt tot navolging. Ratzinger typeert hem als ‘de rechtvaardige’ die in Psalm 1 naar voren treedt. Vooral Matteüs heeft oog voor het optreden van Jozef die een cruciale rol vervulde vanwege zijn afkomst. Jozef wordt uitdrukkelijk als zoon van David aangemerkt, wat van groot belang is voor Matteüs. Daardoor kan Jezus worden gezien als de grote zoon van David die beloofd werd in het Oude Testament.

Uit de manier waarop Jozef omgaat met de situatie die ontstaan is door de zwangerschap van Maria door de heilige Geest blijkt zijn rechtschapenheid. Ratzinger typeert hem als iemand die in staat is om een situatie goed te doorzien en een groot onderscheidingsvermogen bezit. Jozef is een mens met een innerlijke waakzaamheid voor het Goddelijke. Hij blijkt gevoelig te zijn voor God en de weg die God in de geschiedenis gaat.

Jezus, het hart van de wereldgeschiedenis

De berichten over de geboorte van Jezus allereerst in de context van de geschiedenis geplaatst. Ook Lukas maakt dezelfde beweging bij zijn duiding van de geboorte van Jezus en daarbij sluit de bisschop van Rome aan.

Lukas wijst op de parallellen tussen de regering van de keizer te Rome en de geboorte van Christus. De tijd waarin Jezus geboren werd, is geen toeval gezien de verwachting die onder de volken ontstond tijdens de regering van keizer Augustus. In de antieke wereld leefde de gedachte dat de geschiedenis een grillig verloop kende en bepaald werd door de macht van het lot. Maar in de tijd van Augustus wordt de verwachting op een grote wende in de geschiedenis sterk. Nu, met de regering van de keizer in Rome zou eindelijk een grote periode van wereldvrede, een nieuwe wereldorde aanbreken. Nu zou alles veranderen!

Volgens Ratzinger blijkt uit de manier waarop Augustus zijn beleid en regering typeerde dat hij zichzelf zag als heiland en redder waarmee hij zijn persoon een goddelijk karakter gaf. Voor het eerst was er sprake van één rijk dat de gehele wereld omspande, waarin vrede heerste en al het goede van de wereld in dienst van het gehele rijk kon worden gesteld. Er was één rechtssysteem, één gemeenschappelijke taal, kortom een universele culturele gemeenschap waardoor inzicht in denken en handelen mogelijk was geworden. De toestand in de wereld was geschikt geworden voor een universele heilsboodschap, voor iemand die redding kon brengen voor heel de wereld. Inderdaad was de volheid van de tijd gekomen.

Het is om die reden dat Lukas de geboorte van Christus plaatst in het universele raamwerk van de wereldgeschiedenis. De geboorte van Jezus is daarmee universele draagwijdte en betekenis gegeven. Wat Augustus voor zichzelf claimde is op veel hogere wijze verwezenlijkt in Jezus, die de ware Heiland, redder der wereld is en universele wereldvrede brengt.

Dit is zo’n voorbeeld waaruit blijkt op welke manier de geschiedenissen over Jezus van Nazareth in dit boek worden uitgelegd, waarbij wetenschap, geloof en historie met elkaar in verbinding zijn gebracht. En waardoor de Bijbeltekst enorme diepte en zeggingskracht ontvangt.

De wijzen uit het Oosten en hun ‘begeleider’

In de dialoog met de kindsheidsverhalen gaat de bisschop van Rome lastige vragen, naar de betrouwbaarheid van de geschiedenissen die door de evangelieschrijvers zijn opgeschreven, niet uit de weg. Bijvoorbeeld: is het verhaal over de maagd Maria die zwanger blijkt van de heilige Geest, geen vrome legende, in plaats van werkelijkheid? De gedachte dat God door de geboorte van Jezus uit een maagd ingrijpt in de materie en niet tot de wereld van de ideeën en gedachten beperkt blijft, stoort de moderne mens. De geschiedenis over de maagdelijke geboorte van Jezus is volgens Ratzinger afkomstig van Maria zelf, en gegrond in de Bijbelse traditie van God de schepper en verlosser.

En de ster die de wijzen uit het Oosten hadden gezien, was dat geen verbeelding? Wie waren deze mannen en hebben ze eigenlijk wel bestaan? Volgens Ratzinger waren het mogelijk Perzische magiërs die sterk beïnvloed waren door de Griekse filosofie. Dat ze een grote ster hebben gezien kan goed mogelijk zijn geweest. Het Babylon waaruit de wijzen waarschijnlijk afkomstig waren werd gezien als het centrum van de astrologie zoals ook blijkt uit gevonden astronomische berekeningen. Vermoedelijk was het verschijnsel een conjunctie (samenvallen) van de planeten Jupiter, Saturnus en het sterrenbeeld vis. Dit verschijnsel heeft zich rond het jaar 7-6 voor Chr. voorgedaan en dat is ook waarschijnlijk ook de tijd waarin Jezus geboren werd. Deze conjunctie van sterren en planeten hebben de wijzen uit het Oosten kunnen berekenen en dat bracht hen ertoe naar Jeruzalem te reizen en op zoek te gaan naar Jezus.

Het interessante is dat Ratzinger een mogelijke, en wat mij betreft aannemelijke verklaring heeft, voor het verschijnsel van de ster, en dat op basis van recente publicaties waardoor de betrouwbaarheid van de berichtgeving ondersteund wordt. Dat hij aan dit soort kwesties aandacht besteedt, komt voort uit het besef dat de historische betrouwbaarheid van de Bijbel er toe doet. Onderzocht kan en moet worden. Op die manier worden geloof en wetenschap bij elkaar gehouden.

Resumé

Het belang van de historie voor de exegese van de Bijbel en de combinatie van geloof en wetenschap waren twee kenmerken die ook in de voorafgaande delen aan het licht kwamen. Het eigene van dit laatste deel over de kindsheidsverhalen wordt volgens mij vooral zichtbaar in de uitleg en interpretatie van de levenshouding van vooral Maria en Jozef. Hun sensitieve en gelovige houding ten opzichte van God en zijn handelen in de geschiedenis stemt tot nadenken. Vanuit dat perspectief is dit boek niet het laatste deel maar kan het juist worden gezien als de hoofdingang die de toegang verschaft tot de ruimte van de andere twee delen van deze trilogie.

H.Z. Klink, Ouddorp