Terug naar Ecclesianet.nl

Wat is een volkskerk? (VI)

Nog eens Kuyper en Barth

Na wat we gezien hebben in de artikelen over Abraham Kuyper en Karl Barth hoeft het ons niet te verbazen dat de volkskerk in discrediet is geraakt. Kuyper heeft geprobeerd een ‘zuivere kerk’ op te richten, naar (zoals hij dacht) nieuw-testamentisch voorbeeld. Om de zuiverheid van deze kerk te waarborgen moest zij vrij en daarom geen volkskerk zijn. Alleen kinderen van ouders die de ware leer toegedaan waren en daarvan belijdenis hadden gedaan, mochten gedoopt worden. Men mocht veronderstellen dat de zo gedoopte kinderen werkelijk verbondskinderen waren. Barth ging zelfs zover dat hij uiteindelijk de kinderdoop afwees. Van een verbond in de lijn van de geslachten wilde hij niet weten. Hij zag daarin zelfs een gevaar: zodra de geslachten in aanmerking kwamen, was een bloedband bepalend. Voor men het goed en wel besefte, kwam men terecht in natuurlijke theologie, die gemakkelijk ontaarden kon in nationalisme.

Beide theologen hadden in de 20e eeuw een geweldige invloed: Kuyper vanzelfsprekend in de Gereformeerde Kerken, maar ook in orthodoxe kringen in de Hervormde Kerk, Barth aanvankelijk vooral in de Hervormde Kerk. In de naoorlogse jaren werd vooral het gedachtegoed van Karl Barth bepalend. Men kon zich aan zijn invloed nauwelijks onttrekken, ook niet in de Gereformeerde Kerken, waar prof. dr. C.G. Berkouwer (1903 -1996), die ooit ‘de kampioen van de orthodoxie’ werd genoemd, aan het eind van de jaren vijftig een ommezwaai maakte. Tot die tijd had hij grote afstand bewaard tot de theologie van Karl Barth. In 1958 wendde hij de steven. Dit wordt voor het eerst duidelijk in zijn dogmatische studie over de zonde, die in dat jaar uitkomt. Leerlingen van hem, waaronder Kuitert, promoveerden op Barth. Aan de VU werd zijn invloed steeds sterker. Zo kon het gebeuren dat theologen uit zowel de Hervormde Kerk als de Gereformeerde Kerken elkaar begonnen te vinden.

Van het verbondsdenken zoals dat in de Hervormde Kerk was uitgedragen, bleef op den duur heel weinig over, zeker niet in de jaren zestig. Niet dat er in Hervormde kring geen protest aangetekend was tegen Barths opvatting over de kerk en de kinderdoop. Een van zijn beste vrienden, K.H. Miskotte (1894 -1976) was er diep ongelukkig over, ook al nam hij het tegenover de kritikasters van Barth voor hem op. Ook prof. A. A. van Ruler (1908 – 1970) nam afstand van Barths theologie. Zijn invoed was groot, in kringen van de Confessionele Vereniging en ook enigermate in de Gereformeerde Bond. Maar in het geheel van de kerk, won Barths opvatting terrein.

De jaren zestig

Dit laatste werd in de hand gewerkt door de toenmalige sfeer die in Nederland in de jaren zestig steeds sterker werd. In deze jaren was er sprake van een culturele omslag. De studentenopstanden, die begonnen in Parijs (1968), en al snel oversloegen naar andere landen, maakten dat er een sfeer ontstond waarin men afrekende met het verleden. Ida Gerhardt vertelt in een gedicht hoe zij met lede ogen aanzag hoe de mooiste en rijkste boeken met wijsheid uit de Griekse en Romeinse oudheid in het vuur werden geworpen, met veel uitgelatenheid van de kant van de jonge mensen. Men was verlost van de ballast van het verleden. Ook in de kerk vatte deze beweging post. Heel gemakkelijk sloot zij zich aan bij het denken van Barth, die ook met de historie afgerekend had en deze theologisch onder zware kritiek had gesteld. Zo reikten het revolutionaire denken en het barthianisme elkaar de hand.

In dit geheel was er nog een factor van betekenis die ervoor zorgde dat de historie nauwelijks gewaardeerd werd: het evangelicalisme dat vooral uit de Verenigde Staten naar Europa overwaaide. Amerika had een belangrijke impuls gegeven aan de wederopbouw van Europa. Het Amerikaanse optimisme trok veel mensen aan, ook in kerkelijk opzicht. Opwekkingspredikers als Billy Graham maakten indruk. Zij waren zo gericht op de enkeling dat er van kerkelijk besef nauwelijks sprake was. Het deed er niet toe tot welke kerk men behoorde, als men maar tot geloof kwam in Jezus. Dit denken vormde een voedingsbodem voor congregationalisme.

Door al deze factoren kwam het historische denken en de volkskerkgedachte onder grote druk te staan en was er nauwelijks meer besef van het eigene van de Nederlandse Hervormde Kerk, ook niet in deze kerk zelf. Daarmee vloeide het verweer tegen het Samenop- Weg proces weg.

Bezwaren tegen dit proces werden in het bijzonder geuit in de kring van de Gereformeerde Bond. De volkskerkgedachte functioneerde daarbij nog enigszins, maar veel sterker was het bezwaar tegen een fusie van de kerken, vanuit de zorg dat door een samengaan ervan het orthodoxe gehalte in kracht zou afnemen, aangezien de Gereformeerde Kerken na de jaren zestig grootschalig afstand hadden genomen van het eigen verleden.

Dr. W. Aalders (1909 -2005)

Het was vooral dr. W. Aalders en de kring rondom hem, die niet alleen vanuit het oogpunt van orthodoxie, maar ook vanuit het besef van de waarde van de historie protest aantekenden tegen het SoW-proces. Wat dr. Aalders onder historie verstond, laat zich het best duidelijk maken aan de hand van zijn boek Theocratie of Ideologie (1977). Daarin maakt hij onderscheid tussen geschiedenis en historie. Geschiedenis is revolutionaire, doelloze tijd, het is tijd die losgemaakt is van de dingen die eeuwig zijn en die door God zijn geopenbaard, ook in de wereldgeschiedenis. Historie is tijd die daar wel mee in verband staat, die daarin gefundeerd en daardoor gestempeld is. Zo staan historie en geschiedenis tegenover elkaar. Het bezwaar tegen de theologie van Barth is dat hij de ‘historie’, zoals Aalders die ziet, zo niet kende en waardeerde. Alle beroep op de geschiedenis was verdacht. Zo werkte hij in de hand dat de theologie in het vaarwater kwam van revolutionairen en maatschappijcritici. Jezus werd de grote maatschappijcriticus, de dwarsligger en de ‘partijganger van de armen’.

Het was dr. W. Aalders die als protest tegen deze tendens in 1967 de Open Brief schreef en enkele jaren later het Getuigenis (1971), waarin hij en anderen zich publiekelijk keerden tegen een ideologisch, maatschappijkritisch lezen van het Evangelie. Aalders haakte aan bij Groen van Prinsterer, die zich tegenover de Revolutie beriep op het Evangelie, d.w.z. op de Schrift en de historie met als motto ‘er is geschreven, er is geschied’.

Het hoeft niet te verbazen dat dr. Aalders met dit uitgangspunt grote bezwaren had tegen het SoWproces en de vinger legde bij het historieloze van dit proces. In 1994 schreef hij het Hervormd Pleidooi, waarin hij (het woord zegt het al) een pleidooi voerde voor het voortbestaan van de vaderlandse kerk. De synode luisterde niet. In november 1995 besloot zij definitief over te gaan tot de vorming van één nieuw kerkverband. In 2004 kwam er een einde aan het bestaan van de Nederlandse Hervormde Kerk. Een tijdvak van bijna 450 jaar werd afgesloten.

Waarom is dit ernstig?

Om op deze vraag een antwoord te vinden, verwijs ik naar twee Franse auteurs, die – hoewel niet van christelijke huize – grote sympathie kregen voor het christelijke geloof: Simone Weil en Blandine Kriegel. Simone Weil werd geboren in 1909. Zij werd overtuigd christelijk, ook al liet ze zich niet dopen. Zij stierf in de Tweede Wereldoorlog, in het jaar dat Blandine Kriegel werd geboren (1943). Wat ze gemeenschappelijk hebben, is dat ze door nadenken en studie hartstochtelijk opkomen tegen wat Simone Weil noemt ‘ontworteling’. Simone Weil schreef in de oorlog L’enracinement (‘De verworteling’). Blandine Kriegel schreef in 1988 La défaite de l’érudition (‘Het verlies van de eruditie’).

Het eerste boek is bedoeld als een blauwdruk voor de politieke koers die Frankrijk zou moeten volgen na de oorlog. ‘Ontworteling’ is vervreemding van de mens van de gerechtigheid die de achtergrond vormt van de schepping en van de historie en de verbanden waarin de menselijke ziel gedijt en de menselijke persoon tot ontplooiing komt. Deze vervreemding werd in Frankrijk in gang gezet door het totalitarisme dat de kop op stak in de 16e eeuw. De Franse Revolutie van 1789 bracht haar in een geweldige stroomversnelling. Toen werd er een patriotisme geboren, aldus Simone Weil, dat niet voortkwam uit enige liefde voor de historie. Sinds die tijd lijdt Frankrijk aan acuut historieverlies. Zij acht de teloorgang van het historisch besef dermate ernstig dat zij bijna bezwerend schrijft: “Het vernietigen van het verleden is misschien wel de grootste misdaad, die er is. Vandaag moet het bewaren van het kleine beetje dat er nog van over is, bijna worden tot een idée fixe”. Want: “Het verleden dat vernietigd is, komt nooit weer terug.” Een citaat over opvoeding kan duidelijk maken hoezeer Simone Weil hechtte aan de historie: “Een jonge ziel, bij wie het denken ontwaakt, heeft behoefte aan een schat die in de loop van de eeuwen door het voorgeslacht tot stand is gebracht en in deze geschiedenis ligt opgeslagen. Men doet een kind stellig onrecht als men het opvoedt in een bekrompen christendom dat het belet om ooit zover te komen om opmerkzaam te worden op het feit dat er schatten van goud zijn in niet christelijke beschavingen (Simone Weil denkt vooral aan de oude Griekse cultuur, HK), maar de openbare opvoeding doet een kind nog een veel groter onrecht! Zij verzwijgt deze schatten en vooral die van het christendom.”1

Blandine Kriegel was een leerlinge van de belangrijke filosoof Michel Foucault (1926 – 1984). Zij heeft ongetwijfeld van hem de interesse meegekregen voor de vraagstukken rondom de macht, waarin Foucault zich in de eerste jaren van zijn professoraat verdiepte. Dat bracht haar tot het bestuderen van oude folianten uit de tijd van de zeventiende en achttiende eeuw. Toen ze zich daarmee bezig hield, deed zij een belangrijke ontdekking: zij ontdekte de historie en zag in dat de geest van de revolutie die Frankrijk in zijn greep heeft gekregen vanaf de achttiende eeuw daar in volstrekte tegenstelling mee was.

Zij spreekt over ‘een schipbreuk van de cultureelreligieuze herinnering’, die zich voordoet in heel Europa. In eveneens bijna bezwerende taal schrijft zij: “Het valt ons moeilijk in te zien dat de kennis van de geschiedenis waaraan wij zo gehecht zijn, in een beweging die voorafging aan de vorm zoals we die nu kennen, onlosmakelijk verbonden was met de kerkelijke geleerdheid. Dat komt doordat wij eraan gewend zijn geraakt om elke semantische waarde (betekenisvolheid, HK) aan de godsdienstige wetenschap te ontnemen.” Zij spreekt over de neiging om steeds weer zich van het verleden los te scheuren en van een geforceerd vergeten van de Bijbel en de christelijke traditie die als een regenboog geschiedenis, staatsrecht en wetenschap bij elkaar hielden. Sinds de teloorgang van dit verband zijn al deze grootheden los van elkaar komen te staan! Dit collectieve geheugenverlies leidt ertoe dat we de taal van de Schrift, onze moedertaal (!) zijn verleerd. Haar weer aanleren valt niet mee, evenals het iemand van boven de 15 jaar niet meevalt zich een vreemde taal eigen te maken: “Wij hebben de Schriften verloren, wij hebben onze moedertaal verloren: haar verve en haar diepte, haar mysterie en haar ontvouwing, haar warmte en haar kracht, haar roepen en haar fluisteren, haar tempel en haar levende stenen. Wij spreken alleen nog maar een taal die opnieuw geleerd wordt, wij kennen alleen maar het woord dat op latere leeftijd herwonnen wordt, wij kennen alleen maar dressuur.” Zij eindigt haar boek met een uitval naar één van de hoofdschuldigen ervan, Voltaire. Deze zei ooit spottend “Tegen het jaar 1750 is de natie verzadigd van verzen, tragedies en romantische verhalen en van morele vertogen die nog roman-achtiger zijn, van theologische verhandelingen over de genade en op de stuiptrekkingen ervan leert ze uiteindelijk te spreken over ‘graan’.” Blandine Kriegel gaf de 18e eeuwse satyricus als late repliek: “Sinds twee eeuwen kunnen we zeggen dat we genoeg gehoord hebben van rogge, tarwe, haver, mout, boekweit, spelt, harde en zachte graansoorten, mengkoren en gierst, dat er genoeg gediscussieerd is over de productiemethoden en de nevenproducten die eruit voortkomen. Wij aan het eind van de 20e eeuw zijn op onze beurt verzadigd van granen, vermoeid van klimaten, zat van de maatschappij, van het sociale, van de fenomenologie en de sociologie, van de sociale geschiedenis en de historische beschouwingen die nog sociologischer zijn. Zijn wij, die de ogen open sperren als wij opnieuw de woorden van Mozes in Deuteronomium lezen over het volk Israel, dat God gedurende veertig jaren in de woestijn had gestuurd en dat daar leerde wat honger is en dat God vervolgens manna gaf opdat het zou weten dat een mens niet alleen van brood leeft, maar ook van de wetten – zijn wij in dat geval niet teruggeleid tot dat wat men in de 18e eeuw verachtte?”2

Historie en vernieuwing

Het is opmerkelijk dat twee Franse vrouwen van nietchristelijke afkomst op deze dingen wijzen en dat als protest tegen het geheugenverlies in West Europa! Geheel in lijn hiermee heeft Aalders geprotesteerd tegen het historieverlies op kerkelijk erf. Simone Weil stelde dat het behoud van het weinige dat van de historie over is bijna tot een idée fixe moest worden. Aalders had veel te veel oog voor andere aspecten in de theologie om wat hem betreft te spreken van een idée fixe. Maar duidelijk is dat hij als geen ander voldeed aan wat Simone Weil bedoelde. En dat niet uit behoudzucht, maar juist om vanuit de historie en in lijn daarmee te komen tot een bijbels, adequaat, actueel belijden. Want als de kerk zich van het verleden lossnijdt, komt zij ook er niet toe om in de actualiteit een woord op zijn plaats te spreken. Alles is eraan gelegen dat de kerk niet meegenomen wordt in het proces van ontworteling en zo betekenisloos wordt. Dat was de diepste oorzaak van Aalders’ verzet tegen SoW. Daarbij kan hij zeker niet van blind conservatisme beschuldigd worden. Dat blijkt zonneklaar uit het feit dat in de laatste jaren van zijn leven niemand in Nederland zo actueel theologie bedreef als hij. Juist hij bleek in staat om gelijk op te lopen met de meest fundamentele theologische ontwikkelingen die zich wereldwijd voordeden en deze vruchtbaar te maken, ook toen de PKN al een feit was. Juist de verworteling in het verleden en de hartstocht waarmee hij daarvoor opkwam, stelden hem daartoe in staat!

H. Klink, Hoornaar

Noten
1 Zie voor de citaten: L’enracinement (Paris, 1949), p.52, 83.
2 Zie La Défatie de l’érudition, (Paris,1988), p. 320 – 322
.