Terug naar Ecclesianet.nl

Wat is een volkskerk (V)

In het vorige nummer hebben we ons afgevraagd wat voor Barth de kerk is.

Twee boekjes zijn in het licht van deze vraag interessant: Die Kirche und die politische Frage von heute uit 1938 en Die Kirche im Wechsel der Staatsordnungen uit 1948. Het laatste vraagt eerst onze aandacht.

Die Kirche im Wechsel der Staatsordnungen

Het boekje is een compilatie van artikelen en lezingen van Barth uit 1948. In dat jaar vond in Hongarije van de kant van de communisten een staatsgreep plaats. Barth heeft geprobeerd de christenen in dit land een hart onder de riem te steken en een weg te wijzen tijdens deze dramatische gebeurtenissen.

Barth geeft in zijn uiteenzettingen een uitvoerige omschrijving van wat de kerk is. Wie de regels die hij eraan wijdt op zich in laat werken, kan er niet omheen of hij ziet in de typering ervan de contouren oprijzen van hetgeen vanaf het begin het meest eigenlijke van Barths theologie uitmaakt: de genade die de werkelijkheid ‘verticaal van boven raakt’, zonder in deze werkelijkheid op te gaan. Deze gedachte lijkt door te werken ook m.b.t. de kerk.

De kerk leeft in haar geloofsacte. Deze onttrekt zich aan wat officieel van de kerk te zien is. Barth omschrijft de kerk als volgt: “die in haar verzameld zijn, zijn verloren zondaren, dus geen religieuze virtuosen, en geen morele elitemensen. Waar de kerk ‘de goede samenleving is’, daar is ze juist niet de werkelijke kerk. Wat haar leden van anderen onderscheidt, kan alleen dit zijn, dat het onder hen bekend, toegegeven en erkend is, dat wij mensen samen geen goed gezelschap zijn. (…) Zijn zij rechtvaardigen? Ja, maar dan alleen zo dat er niets anders overblijft dan dat zij God zijn recht te geven. (…) De werkelijke kerk leeft dus op een manier dat zij voortdurend als boven een afgrond gehouden en gedragen wordt.” De kerk leeft alleen uit de Schrift. De Schrift is alleen daarom heilig omdat ze aan onheiligen gericht is. De kerk leeft in de gemeenschap met de Heilige Geest, die als een vertikaal zich verhoudt tot de christenen die in het horizontale met elkaar leven. Zij leeft in een steeds weer nieuw erkennen van Christus’ heerlijkheid en in een steeds weer nieuw gebed. “In dit steeds nieuw erkennen en bidden leeft de werkelijke kerk in een steeds nieuwe beweging.”

Actualisme met betrekking tot de kerk

 Wat opvalt is het actualistische in deze omschrijving. De kerk krijgt geen gestalte maar leeft van geloofsact tot geloofsact. Dat Barth het zo ook bedoelt, blijkt uit de volgende passage: “… heeft de kerk ooit geprobeerd om in gehoorzaamheid te denken en te spreken en te handelen, dan zal zij zich door geen van haar maatregelen, en beslissingen, door geen van haar eigen overleveringen en gebruiken, ook niet door nieuw genomen beslissingen als eeuwig en onfeilbaar en onwrikbaar gebonden beschouwen. Zij zal zich dan veel eerder voor nieuwe aanwijzingen bereid houden. Dat geldt voor haar prediking en voor haar kerkdiensten, dat geldt voor haar theologie en voor haar theoretisch en praktisch kerkrecht. Wat wij mensen in het leven van de kerk als waar en juist inzien, begrijpen en uitdenken, waarin wij naar beste weten en geweten overeenstemming bereiken, waarin wij het misschien al sinds eeuwen eens zijn, dat mag als uitkomst van onze moeite en die van onze vaderen zijn serieuze voorlopige en richtingwijzende betekenis hebben. Het kan en mag echter niet tot een macht worden die de kerk regeert. Dan zou er sprake zijn van een kerkelijke demonie. Men moet het de Heer van de kerk toestaan alleen over haar te regeren. Terwijl Hij van zich getuigd heeft aan de apostelen en profeten, terwijl de kerk hun getuigenis, de Heilige Schrift, hoort, is daarvoor gezorgd dat Hij steeds weer tot haar spreekt en zijn stem van andere onderscheiden kan worden. Om zijn regering uit te oefenen, heeft Hij niets anders nodig dan dat zijn gemeente werkelijk hem in de prediking, de doop, het Avondmaal verkondigt en naar hem hoort.”

Dit momentane karakter van de kerk wordt onderstreept door het volgende. Barth stelde: “niemand behoort tot de kerk op grond van geboorte en afkomst, of krachtens het feit dat hij deel uitmaakt van een christelijk gezin.” Alleen in de geloofsacte, van moment tot moment, openbaart zich de kerk. Zij is nergens écht aan gebonden. Niet aan haar verleden, niet aan een traditie, hoe betekenisvol die ook mag zijn.

Wat verder opvalt is, dat de kerk ook niet gebonden is aan enige ordening in deze wereld. De kerk richt zich uitsluitend tot deze wereld vanuit de genade van Christus die de wereld verzoend heeft met God. Zij hecht niet aan staatkundige ordeningen, zij hecht wel aan mensen. De kerk is dan ook niet afhankelijk van de wisseling van staatkundige ordeningen. De kerk kan in allerei staatkundige ordeningen leven en haar werk doen: ze is er immers voor de mensen.

Als er zich veranderingen voordoen, is dat niet erg. Wel is het zaak het goede van het verleden te bewaren, maar vooral is het erom te doen met frisse moed en positief de nieuwe staatkundige ordening tegemoet te treden. Ook al gaat het in Hongarije om een coup van de communisten, het hoeft de kerk niet angstig te maken. De kerk weet immers van dé wisseling bij uitstek, die van dood naar leven, van het oude naar het nieuwe, in Christus. Zij weet van de weg die Christus geopend heeft naar het Koninkrijk van God. Dat heeft gestalte gekregen in Jezus’ dood en opstanding en dat straks gestalte krijgt als Jezus een eind maakt aan de wereldgeschiedenis. In die grote wisseling is de wereld opgenomen, ook in zijn staatkundige veranderingen. Dit gezichtspunt is bepalend voor hoe de christen in de wisseling van staatkundige ordeningen staat. Vanuit dit gegeven is de kerk er voor álle mensen. Ze weet van de genade. De staat moet daar dienstbaar aan zijn, omdat Jezus voor allen is gestorven. Bepalend is of de staat daar ruimte voor geeft. Die ruimte mag en moet de kerk claimen, ook tegenover het communistisch bewind en dat vervolgens beoordelen op zijn daden.

Wie het voorgaande op zich in laat werken, merkt dat Barth de kerk geen gestalte toedicht. Ze staat voortdurend in betrekking tot haar Heer als begenadigde. Zij rust niet op een verbond van geslacht tot geslacht. Het zal niemand verbazen dat Barth er inmiddels toe gekomen was om de kinderdoop af te wijzen.

Actualisme met betrekking tot de staat

Het tweede wat opvalt, is dat Barth ook met betrekking tot de staat momentaan en zeer vluchtig denkt. De staat is een ordening van mensen om het recht te waarborgen. Meer niet. Deze ordeningen veranderen, wisselen van karakter. Van een historische verankering, die gekoesterd kan en soms moet worden, spreekt Barth niet. In 1948 doet zich een dergelijke verandering in Hongarije voor. De kerk moet zich daar positief op instellen. Staatsordeningen gaan en komen als de golven van de zee.

Anders dan in 1922 spreekt Barth postitiever. In zijn Römerbrief stond de hele werkelijkheid onder het oordeel. Nu ligt de nadruk vooral op de verlossing waarin de hele wereld deelt, waardoor er een positieve houding mogelijk is voor de kerk. Zij is in eerste instantie solidair en niet kritisch. Barth houdt deze houding zelfs vol tijdens de machtsgreep van de communisten. Dit laatste is hem uiterst kwalijk genomen ondermeer door Emil Brunner, van wie hij in 1933 zo boud afstand genomen had, toen deze een vorm van scheppingstheologie wilde handhaven als ordeningsprincipe voor het aardse leven.

Dat brengt me in het kort op het tweede boekje dat ik noemde. Het is uit 1938, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog geschreven. In dit boekje schrijft hij dat de kerk de staat beoordeelt met betrekking tot de vraag of zij gerechtigheid betracht en vrijheid garandeert. Duidelijk is dat het nationaal socialisme dat niet doet. Sterker: het afficheert zich als een heilsleer. Daarom moet het afgewezen worden en moet de kerk politiek spreken.

‘Ontwikkelingen’ in de theologie van Barth

In 1948 slaat Barth dus andere tonen aan. En dat terwijl er in het communisme ook sprake is van een pseudo-religie, een aardse heilsleer. Het marxisme waaruit het communisme voortkomt is apert anti-christelijk, iets wat al tientallen jaren gebleken was in Rusland (onder Stalin). Hoe komt het dat Barth in 1948 heel anders dan in 1938, zelfs verzachtend spreekt over een ontwikkeling die desastreus was voor de bevolking van Oost-Europa en in het bijzonder voor de kerk?

M.i. hangt het samen met de theologie van Karl Barth, juist met betrekking tot de kerk. De genade is zozeer uitsluitend het uitgangspunt van Barths denken geworden dat het dramatische van het kwade en de zonde weg dreigt te vallen. Barth heeft zijn christologische uitgangspunt van 1922 zo uitgewerkt dat God zelfs de wereld schiep omdat er in Christus verzoening is, vanwege de verlossing. Het gevolg ervan is dat zijn theologie een onwerkelijk en docetisch karakter krijgt, waardoor de geschiedenis vervluchtigt. De zonde kan de genade niet aantasten. De genade is vooraf gegeven en het kwade is van meet af aan overwonnen. Vanuit deze wetenschap staat Barth in de geschiedenis en ziet hij de geschiedenis. Daarmee vervluchtigt de ernst van geschiedenis. De kerk is zo betrokken op het heil in Christus dat er altijd al was en dat nu door het geloof voor haar opengaat (en dat steeds weer voor het geloof opengaat), dat ze alleen oog heeft voor hoe de staat in het ‘nu’ functioneert. Ze beoordeelt dat van moment tot moment (vanuit de genade), zonder negatief te zijn.

Men voelt: deze vervluchtiging heeft geleid tot naïviteit op het terrein van dramatische gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis! Zozeer staat alles in het teken van de genade, dat Barth de –ismen op hun merites wil beoordelen. Letterlijk zegt hij dat hij ze niet wil omhelzen, maar ook niet op voorhand afwijzen, maar op hun actualititeit, op hun daden beoordelen. Zelfs in 1948 in Hongarije. Over de communistische ideologie spreekt hij zich dan ook niet uit. Hij geeft haar het voordeel van de twijfel en weigert een afwijzing. Dat verklaart waarom hij niet spreekt van een coup of van een revolutie, maar omfloerst en ‘verzachtend’ van een ‘wisseling van staatsordening’.

Wat is hier eigenlijk aan de hand?

Van meet af aan was de theologie van Barth iets speculatiefs, iets geforceerds. Dat was al in 1922 het geval, toen hij de filosofie van Kierkegaard als exclusieve leesregel ging gebruiken voor het lezen van de Schrift en de historische openbaring van Christus. Zijn theologie was eenzijdig. Dit kan op een bepaald moment zijn nut hebben, maar Barth heeft deze eenzijdigheid dogmatisch doorgezet en willen verantwoorden in zijn kerkelijke dogmatiek. De schepping en de historie kregen daarin geen eigenstandige plaats, maar kwamen te staan onder de noemer van de ‘genade’.

Door de ervaringen met het nationaal socialisme is hij meer en meer in de richting gedreven van wat van meet af aan in aanleg in zijn theologie aanwezig was: het denken van uit Christus alleen, zonder in aanmerking te nemen dat God zich ook in de schepping of de historie heeft geopenbaard. Door dit te ontkennen kon hij met kracht fulmineren tegen het nationaal socialisme dat zich te onrechte op de voorzienigheid beriep. Het liep erop uit dat hij elke vorm van openbaring in schepping of geschiedenis los van het principe van de genade ontkende. Het communisme kende zo’n beroep op de schepping niet. Daar komt bij dat Barth van jongs af aan voorkeur had voor het socialisme. Ook dat kan in zijn beoordeling van de situatie in Hongarije meegespeeld hebben.

De geschetste ontwikkeling in zijn theologie had gevolgen voor zijn visie op de kerk. Barth ging er toe over om de volkskerk af te wijzen. Achter de volkskerk zit de gedachte van het verbond dat in de historie zijn beslag krijgt. Zo sterkt wees Barth vanuit Christus elk beroep op de historie en elke gestalte van de kerk in de historie af dat hij ertoe kwam om de kinderdoop en daarmee de volkskerk af te wijzen. De genade van Christus staat kritisch tegenover elke gestalte, de kerk krijgt geen gestalte dan in de toestemming van de genade van de enkeling. En deze wordt niet gedoopt op grond van het geloof van de ouders en op grond daarvan dat de genade zich uit kan spreiden over geslachten. Dat was in Israël nog het geval, sinds de komst van Christus niet meer.

In het licht van het bovenstaande blijkt hoe gelukkig we ons mogen prijzen met de geschriften van Groen van Prinsterer. Profetisch en evenwichtig wees hij de ideologie van de revolutie af en duidde hij de tijd waarin wij leven. Hij deed dat ondermeer in ‘Ongeloof en Revolutie’. Volgens Groen waarde er door de westerse wereld de geest van de revolutie, die zich losmaakte van God en zijn geboden en van elk gezag van boven, waardoor het westerse denken verzandde in ideologieën. De twee ideologieën die zich in de 20e eeuw manifesteerden, waren het nationaal-socialisme en communisme, die in feite ‘feindliche Brüder’ waren, zoals de historicus Furet op het laatst van zijn leven met tal van argumenten bewees. Het verweer van Groen tegen de revolutionaire ontwikkelingen was gebaseerd op ‘er is geschreven, er is geschied’ – op beide. Van het laatste nam Barth afstand, met alle gevolgen van dien, ook voor zijn zicht op de kerk. Dat de kerk haar zelfstandigheid moet bewaren tegenover de staat en een volk, is juist, maar de betrekking van kerk tot volk en staat is veel ingewikkelder, veelzijdiger dan Barth waar wilde hebben. Ze is ook historisch verankerd. Voor dit laatste had Barth nauwelijks oog, met alle gevolgen van dien.

Het heeft het anti-historische en revolutionaire denken van de zestiger jaren alleen maar versterkt – ook in de kerk. Vandaar dat de aandacht voor de kerk als volkskerk meer en meer verslapte.

H. Klink, Hoornaar