Terug naar Ecclesianet.nl

Wat is een volkskerk (IV)

In het vorige artikel over de volkskerk heb ik ruime aandacht besteed aan Abraham Kuyper. Zijn optreden in de kerkelijke situatie van de 19e eeuw heeft het ontstaan van de Gereformeerde Kerken tot gevolg gehad (1886). Kuyper opteerde voor een vrije kerk in een vrij land. Daarmee nam hij radicaal en principieel afstand van de volkskerk, een kerktype dat hij meer dan eens beschimpte. Het is opmerkelijk en het verdient vermelding dat zijn grote tegenspeler in Amsterdam ten tijde van de Doleantie dr. G.J. Vos was, een geestverwant van Groen van Prinsterer.

Kuyper leefde tot 1920. De Gereformeerde Kerken vormden bij zijn sterven een bastion van orthodoxie. Ze recruteerden hun predikanten onder meer uit de eigen universiteit in Amsterdam, de Vrije Universiteit. Kuyper heeft het niet meegemaakt dat in 1927 de eerste haarscheuren in dit bastion zichtbaar werden. Dat was met de kwestie Geelkerken, waarin het ging over de vraag of de slang uit het paradijsverhaal werkelijk gesproken had. Voor velen was dit een halszaak omdat de inspiratie van de Schrift ermee gemoeid was. Dat gold ondermeer de jonge hoogleraar Berkouwer. Een veel ernstiger crisis deed zich voor in de Tweede Wereldoorlog. In 1944 kwam het tot een scheuring. De Vrijgemaakte Kerk werd gesticht. Men was het niet eens geworden over de vraag of de kinderen van gelovige ouders gedoopt werden op grond van de veronderstelling dat zij wedergeboren waren, of op grond van de onvoorwaardelijke belofte van God. De strijd die voorafging aan de kerkscheuring kwam op een uiterst ongelukkig moment, midden in de oorlog. Hoe kon het zijn dat kwesties als deze toen uitgevochten werden, terwijl de wereld in brand stond?

Hoe dan ook: in diezelfde tijd moesten ook de theologen van de Gereformeerde Kerken zich wel met andere dingen bezig houden. Het was oorlog geworden en van over de grens diende zich de theologie aan van Karl Barth, die in Duitsland het gezicht was geworden van het protestantse kerkelijke verzet tegen Hitler. Barth maakte al vanaf 1920 furore in de kerkelijke wereld. Het was vooral de reeds genoemde Berkouwer die zich al in de jaren dertig bezig had gehouden met het opkomend barthianisme. In de jaren vijftig en zestig veranderde zijn aanvankelijke afwijzende houding volkomen. Meer en meer kwam hij op het spoor van Barth. De invloed daarvan was groot omdat hij aan de VU een heel gerenommeerde plaats innam en gezien werd als ‘de kampioen van de orthodoxie’. In hervormde kringen was Barth al ver voor de oorlog niet alleen een geziene maar ook bewonderde figuur.

De setting van de theologie van Barth – de betekenis van Erik Peterson

Karl Barth brak door in 1922 met commentaar op de Romeinenbrief. Hij kreeg er zo’n naamsbekendheid door dat hij kort na het verschijnen ervan de aanbieding kreeg om in Göttingen hoogleraar te worden. Zijn boek was van enorme betekenis. Het sloot aan bij het levensgevoel van velen. De Eerste Wereldoorlog was niet minder dan een aardschok voor de westerse wereld. De bommen die insloegen in de loopgraven in Noord-Frankrijk waar de soldaten zich verschanst hadden, vernielden niet alleen in de letterlijke maar ook in figuurlijke zin een oude wereld.1 Ze maakten een einde aan het vooruitgangsoptimisme dat voor de oorlog ook uitgedragen werd door de toonaangevende liberale theologen in Duitsland. In de jaren na de wereldoorlog stond de westerse wereld mentaal voor een afgrond. Een compleet nieuwe oriëntatie was nodig. Ook in de theologie. Als weinig anderen heeft Karl Barth dat gevoeld en heeft hij uitgezien naar een antwoord op de vragen waarvoor de tijd van toen de kerk stelde. Voldeed de oude theologie nog? Duidelijk was dat de oude liberale theologie te zelfbewust was geweest, zich teveel vereenzelvigd had met de bestaande politieke orde. Christendom was cultuurchristendom geworden, waardoor de kerk meegezogen dreigde te worden in de ondergang van het Europa van weleer. Vragen rezen als: betekende de oorlog niet een volstrekt ‘neen’ van God tegen deze oude wereld?

Al tijdens de oorlog had Barth gezocht naar een antwoord in de brief aan de Romeinen en schreef hij zijn ‘eerste Römerbrief’. In 1922 schreef hij opnieuw een commentaar. Van beslissende betekenis daarop was de kennismaking met de geschriften van Sören Kierkegaard. Barth werd aangesproken door iets wat Kierkegaard in zijn filosofische geschriften sterk naar voren had gebracht: het oneindige onderscheid tussen de mens en God. Op zijn eigen wijze voortbordurend op motieven in Kierkegaards oeuvre onderstreepte Barth dat de openbaring van Christus als de Redder der mensheid niet in het verlengde van ons denken ligt. Genade is een soevereine daad van God, waarbij allereerst een ‘neen’ uitgesproken wordt over al het menselijke doen. Barth koppelde deze noties aan de boodschap van Paulus en droeg ze met grote kracht uit. Het bood hem gelegenheid om met gezag van de apostel een ‘neen’ uit te spreken over alles wat naar cultuurchristendom riekte, over het vooruitgangsoptimisme van de 19e eeuw en vooral ook over de liberale theologie. En dat alles vanuit het centrale punt van Gods ‘gans anders-zijn’. Want ook in Christus wordt dit ‘gans anders-zijn’ niet opgeheven. Integendeel. Christus is weliswaar op deze wereld gekomen, maar als de ‘Gans Andere’. Hij raakte de aardse werkelijkheid weliswaar in de incarnatie, maar Hij vormde tegelijk de kritische grens van deze aardse werkelijkheid. Het aardse brak op Hem stuk, het kwam allereerst onder het oordeel. En deze kritische grens is zo eigen aan Christus’ persoon dat hij in de theologie nooit mag worden opgeheven, ook niet als er van genade wordt gesproken. Genade is een scheppingsdaad van God en ligt niet in het verlengde van de aardse werkelijkheid. Christus is en blijft de absolute paradox, d.w.z. Hij is als de Gans Andere nooit inpasbaar in deze wereld, maar blijft er kritisch tegenover staan.

Deze tonen sloten aan bij het levensbesef van na de Eerste Wereldoorlog. In de grote onzekerheid waarin men zich bevond, bood Barth een volstrekt nieuw uitgangspunt, dat bovendien in lijn leek te zijn met de reformatorische theologie. Geen wonder dat hij in grote delen van Duitsland bewonderd werd, zoals dat ook in Nederland het geval was.

Later zou Barth, terugkijkend op deze periode in zijn leven zeggen ‘Well roared lion’. Ondanks de waardering die Barth ten deel viel door de jongere generatie, waren er ook die kritische vragen stelden, juist met het oog op de kerk. Ze werden ondermeer onder woorden gebracht door een jonge theoloog, die in Göttingen, waar Barth in 1921 hoogleraar werd, doceerde: Erik Peterson (1890 -1960).2 Barth heeft hem als weinig anderen weten te waarderen, ondanks de kritiek die hij van meet af aan op hem had. Het valt te betreuren dat er in de literatuur over Barth voor zover ik weet doorgaans weinig aandacht aan hem besteed wordt. Peterson begreep evenals Barth heel goed wat er in zijn tijd omging, vooral op kerkelijk gebied. Meer dan anderen vroeg hij naar de kerkelijke consequenties van Barths antwoord op de vragen van zijn tijd.

Peterson bracht de situatie waarin de kerk na de Eerste Wereldoorlog gekomen was ter sprake in een briefwisseling met de grote kerk-en dogmenhistoricus Adolf von Harnack (1851 -1930), één van de toonaangevende liberale theologen van rond de eeuwwisseling. De vragen die Peterson stelde, hingen samen met de verandering van de positie van de kerk in het Duitse staatsbestel. Na de oorlog moest het eeuwenlange keizerschap plaatsmaken voor een democratische eenheidsstaat. De grote vraag was hoe de positie van de kerk daarin was? De band met de staat, voor zover die nog bestond, werd definitief losgemaakt.3 Daarmee was de kerk volgens Peterson in een situatie gekomen waar zij gezien werd als een denominatie, een willekeurige religieuze groepering, een vereniging of een religieus verband. De vraag was welk gezag zij in die constellatie nog kon laten gelden?

Peterson had uitgesproken gedachten over wat tot het wezen van de kerk behoorde. Een van de kenmerken van de kerk was dat zij met apostolisch gezag spreekt. Alleen een kerk die zich bewust is met apostolisch gezag te spreken, kan een dogma, een officieel leerstuk formuleren. Zij draagt het dogma ook uit. Het protestantisme was zich daar lange tijd van bewust geweest. Luther had weliswaar met Rome gebroken, maar bleef zich beroepen op de oud-christelijke dogma’s. Toch was de eigenlijke gezagsinstantie voor het protestantisme niet meer de kerk, maar de Schrift. In het uitdragen van de boodschap van de Schrift werd de protestantse kerk aanvankelijk gesteund door de overheid. Daardoor had haar spreken een officieel en openbaar karakter en sprak de kerk met gezag. Na de Eerste Wereldoorlog, toen de band met de overheid definitief was weggevallen, was de vraag acuut geworden, welke weg de kerk moest inslaan om met eenzelfde gezag te kunnen spreken.

Zoals gezegd: volgens Peterson was er in het oude protestantisme nog een besef dat men wat dogma betreft, aanleunde tegen de kerk van Rome en van een behoefte om het Evangelie in de openbaarheid te brengen. Binnen het oude protestantisme was er een ontwikkeling geweest van drie ‘stromingen’. De eerste was die van het kerkelijk rationalisme – de boodschap van de kerk kon redelijk worden onderbouwd en worden uitgedragen. Een tweede stroming was die van het piëtisme. Daarin werd nadruk gelegd op de beleving van het geloof. Een derde stroming was die van de dadendrang – het uitdragen van de boodschap door middel van een manifestatie van de liefde van Christus. Volgens Peterson waren deze stromingen los van elkaar komen te staan doordat in het protestantisme een centrum ontbrak – de kerk als eigenstandige, publieke grootheid, die gegrond is op het apostolische getuigenis en een dogma kent. Zo was de situatie in het Duitse Rijk in de 17e en 18e eeuw, toen de kerk nog min of meer bevoorrecht werd en een officiële, openbare positie innam. Nog moeilijker werd de situatie nu in de 20e eeuw de band met de overheid helemaal werd doorgeknipt. Waaraan kon de kerk nu nog haar gezag ontlenen?

Twee wegen dienden zich aan.

Aan de ene kant de weg die gewezen werd door Otto Dibelius, die de situatie waarin de protestantse kerk gekomen was, positief duidde. Nu er geen sprake meer was van een band met de overheid moest de kerk zich verzelfstandigen en presbyteriaal-synodaal gestructureerd worden. Juist daardoor kon zij ongehinderd het Evangelie uitdragen. De twintigste eeuw zou de eeuw worden van de kerk. Zij zou met haar getuigenis en dadendrang naar voren moeten treden en zich zo als het ware ‘waar moeten maken’. Het was de kerkelijke weg, de weg van de reorganisatie en van een getuigend en praktisch christendom. Dat dit getuigenis samenhing met het verlossende werk van Christus nam Dibelius bijna als vanzelfsprekend aan. De vraag naar de verhouding van dogma en kerk, stelde hij zich nauwelijks.

Een andere weg wees Karl Barth. In de jaren twintig zette hij zich als hoogleraar tot het schrijven van een dogmatiek. Daarover stelde Peterson enkele kritische vragen: waarop berustte het gezag van Karl Barth? Hij was hoogleraar en predikant. Maar is een ‘willekeurige’ predikant of hoogleraar ‘bevoegd’ een dogmatiek te schrijven, een dogma te poneren? Of is het schrijven van een dogma – wil dat gezag hebben – een kerkelijke aangelegenheid? En waar is de kerk bij Karl Barth?

Dat Peterson een gevoelige snaar raakte, blijkt wel uit het feit dat Barth bij het schrijven van zijn dogmatiek in de jaren twintig voortdurend voor de vraag stond waar hij met het schrijven van zijn dogmatiek moest ‘inzetten’. Eenvoudig gezegd: moest hij wat de christelijke boodschap betreft met de deur in huis vallen en deze boudweg poneren? Dit laatste lag voor de hand gezien zijn uitgangspunt, zoals hij dat verwoordde in zijn uitleg van de brief aan de Romeinen. Het Evangelie raakt de wereld, maar kritisch. Als dat zo is, mocht hij niet veronderstellen dat er een punt is waarin hij het Evangelie aannemelijk kan maken bij de mens. Maar hoe moest hij dan het Evangelie verantwoorden, publiek maken? Hier ligt de kern van Petersons vraag aan Barth. Waar ligt de basis van zijn theologie? Hoe kon Barth verantwoorden dat hij zomaar met een dogmatiek, een christelijke geloofsleer naar buiten trad? Was een dogmatiek alleen maar persoonlijk getuigenis van een hoogleraar of behelst een poneren en een uitleg van een dogma meer? Vraagt het dogma niet om een kerk?

De vragen die Peterson stelde, troffen Barths manier van theologiseren in het hart. Barth is zich daarvan wel bewust geweest, meer m.i. dan doorgaans beseft wordt. Dat blijkt uit het feit dat Barth in de jaren dertig het schrijven van zijn dogmatiek opnieuw ter hand nam en deze ‘kerkelijke’ dogmatiek is gaan noemen. De vraag die Peterson hem stelde was: namens welke kerk spreekt u?, ofwel: welk (leer)gezag kunt u laten gelden? Barth verantwoordde zich door te wijzen op de Schrift en op Christus, die het centrum is van de Schrift. Barth hield vast aan wat hij in zijn uitleg van de Romeinenbrief in 1922 met veel furore naar voren had gebracht, dat er geen weg van de mens uit naar God bestaat, maar onderstreepte meer dan vroeger dat God in Christus tot de mens komt en de band met God mogelijk maakt. Tegelijkertijd maakte hij duidelijk dat daarin het kerkelijke spreken bestond, dat de kerk getuigt dat God zich in zijn openbaring tot de wereld richt. Daardoor kon hij de exclusieve benadering die hij in zijn theologie gekozen had, waarin er geen weg van de wereld toe naar God mogelijk is, voor zijn gevoel kerkelijk vastleggen en dogmatisch uitbouwen en was hij ‘veilig’ voor de kritiek van Peterson.

Uit een volgend artikel zal echter blijken dat dit laatste niet het geval was en dat de kritische vragen aan Barths adres relevant bleven. Want Barth’s theologie mondde uiteindelijk uit in een ecclesiologie (een leer over de kerk), die ver afstond van die van Luther en Calvijn. Zij bracht hem er uiteindelijk toe de volkskerk principieel af te wijzen en de kinderdoop af te keuren.

H. Klink, Hoornaar

Noten
1 Zie daarvoor het prachtige boek ‘Im Westen nichts neues’ van Erich Maria Remarque (1928),dat in het Nederlands verscheen onder de titel ‘Van het Westelijk front geen nieuws’.
2 Peterson ging uiteindelijk over tot de Rooms-katholieke kerk, maar zijn betrokkenheid op de ontwikkelingen in de protestantse kerk bleef groot. Peterson verhuisde naar Rome, waar hij moeilijk aansluiting vond. Terecht merkte Martin Hengel ooit op: “Men heeft hem in Rome slecht behandeld.” De geschriften van Peterson zijn de moeite waard. Ze worden als verzameld werk uitgegeven door Echter Verlag onder redactie van Barbara Nichtweiss.
3 In Pruisen had Otto von Bismarck als rijkskanselier tot voor kort het protestantisme proberen te bevoorrechten in de Kulturkampf, die gericht was tegen het Rooms-katholicisme.