Terug naar Ecclesianet.nl

H.F. Kohlbrugge en J.H. Gunning jr. over Réveil en heiliging (II)

Net zo kritisch over bepaalde aspecten van het Réveil was Gunning. In 1875 publiceerde hij een serie artikelen in het Réveiltijdschrift Vereeniging, Christelijke Stemmen, die hij ‘omgewerkt en uitgebreid’ bundelde in de brochure Geestelijke opwekking (Revival). De aanleiding voor deze publicatie bestond in ontwikkelingen in Engeland, waar Amerikaanse evangelisten als Dwight L. Moody, Ira D. Sankey en het echtpaar Robert en Hannah Pearsall Smith in de jaren zeventig met hun prediking aan de basis van een massale opwekking stonden. Ook in Nederland werd over hun activiteiten bericht, en na enkele afwijzende of afwachtende reacties, nam de waardering voor de spectaculaire uitwerking van de frisse prediking in methodistische stijl van de Angelsaksische predikers, met hun oproep tot directe bekering en een heilig leven, snel toe. De bekende Réveilman Jhr. Mr. P. J. Elout van Soeterwoude bezocht een conferentie in Oxford, uit ‘dorst naar heiligmaking’. In 1875 haalde Elout Pearsall Smith naar Nederland. Hij sprak o.a. in het huis van Elout voor een aanzienlijk gezelschap, waartoe koningin Sophie, prins Frederik en zijn dochter Marie prinses von Wied behoorden. Samen met Abraham Kuyper ging Elout een jaar later naar Brighton, waar de evangelisten een conferentie belegden die door 8000 mensen werd bezocht om in gemeenschap met God te komen en de zonde in hun leven te overwinnen. Kuyper kwam enthousiast terug, belegde nog hetzelfde jaar een reünie voor de Nederlandse Brightongangers en zorgde ervoor dat er ook in Nederland dergelijke meetings werden georganiseerd. De deelnemers vertelden elkaar over hun geestelijke ervaringen, hun overgave aan Christus, hun berouw over de zonde en hun voornemen hun leven voortaan geheel aan Christus te wijden. Dit leven van ‘hoger heiliging’ noemden ze hun tweede bekering.

In zijn beoordeling van deze beweging wijst Gunning allereerst op een aspect dat hij positief waardeert. Er openbaart zich in de opwekkingsbeweging een ‘behoefte aan hoger geestelijk leven’, en wie zou zich daar niet over verheugen? ‘Wie zou niet van harte over de in zonden en ongeloof verzonken massa, en over zeer velen die zich reeds bekeerd achten, een krachtige werking des Geestes verlangen?’ Maar we zouden er volgens Gunning verkeerd aan doen om deze Engelse vorm van evangelisatie in Nederland te gaan nabootsen.

In de eerste plaats is deze vorm van geloofsbeleving veel te individualistisch, te onkerkelijk, te onhistorisch. Dat individualisme is ten diepste revolutionair. ‘Vele vromen verwerpen de revolutie op maatschappelijk gebied, maar hangen haar met beslistheid aan op geestelijk gebied. Luid verkondigt men dat men de overheid moet eren, ook als ze verkeerd handelt. Maar in geestelijke dingen is men volstrekt revolutionair. Men breekt met alle in de loop der historie ontstane en gevestigde instellingen en toestanden. Men vraagt niet naar hetgeen rondom ons is, naar de gaven aan ons gegeven, naar de weg om het onze te verbeteren en aldus beter te gebruiken, naar de onder ons werkzame herders, leraars, onderwijzers. Men wil een volstrekt individualisme. De Kerk voor de vergadering der bekeerden houdend, en ziende dat de tegenwoordige kerk aan die eis niet beantwoordt, is men in de grond baptist. De betekenis van het natuurlijke dat het geestelijke voorbereidt, wordt miskend. Men loochent dat de maatschappij zoals zij is, iets met Gods Koninkrijk te maken zou hebben. Op ieder gebied, onder iedere vorm verwerpt men de natuurlijke bemiddeling. Dit baptisme is een ontkenning van de natuurlijke ordeningen Gods.’ Wie de gemeenschap van de kerk verlaat omdat de kerk zo zondig en geesteloos is geworden, weigert ‘de schande en het lijden van de gemeenschappelijke schuld’ mee te dragen, en wil slechts kerken waar hij het persoonlijk ‘goed heeft’.

Hieruit volgt voor Gunning een tweede bezwaar. Er is veel ‘onnatuurlijks’ in de opwekkingsbeweging. Gunning rekent daartoe de gewoonte om elkaar ‘onbescheiden en onvoorbereid’ intieme vragen over het persoonlijk geloofsleven te stellen. En ook het blindelings navolgen van leiders die meetings organiseren en gebedsdiensten leiden, rekent hij daartoe.

Wat wij nodig hebben, aldus Gunning, is geen opwekking, maar bekering. Een opwekking is gebaseerd op een emotie, op het moment, op een beslissing hier en nu. Bekering daarentegen is een gehoorzaamheid die het gehele leven doortrekt en wordt volgehouden. Daarvoor moeten wij bidden en arbeiden, niet alleen voor enkelen maar voor velen, voor de grote gemeente der gedoopten.

In zijn uiteenzetting van een volgend bezwaar komt Gunning tot de kern van zijn betoog. Dat bezwaar raakt de wijze waarop in de opwekkingsbeweging over bekering en heiliging wordt gesproken. Volgens Pearsall Smith c.s. moeten er in het leven van een christen twee dingen gebeuren. Eerst is er de rechtvaardiging, wanneer de christen de verzoening in Christus’ bloed aanneemt. Maar daarmee is hij er nog niet. Hij is nu wel bekeerd en zeer ijverig in de dienst voor de Heer. Maar hij vindt toch geen vrede. Hij kan de zonde niet overwinnen. En daarom moet hij een tweede stap zetten. Ook voor zijn heiligmaking moet een christen zich nu aan God overgeven. De heiliging is een toevoeging aan de rechtvaardiging, een soort nader besluit om een echt en volkomen christen te worden.

Volgens Gunning is dat een verkeerde en gevaarlijke voorstelling van zaken. Er wordt een ongeoorloofde scheiding aangebracht. Wie gelooft, kent Christus zowel tot verzoening als tot heiliging. ‘Het is de Heer Jezus zelf die in de gelovige woont, en zijn genade is absoluut, volkomen. Als dit ontkend wordt, als velen beweren dat wij eerst van lieverlee, door gestadige voortgang, van betrekkelijke heiligheid uiteindelijk tot absolute heiligheid kunnen geraken, dan antwoorden wij dat, omgekeerd, het absolute vooraf moet gaan, anders komt het betrekkelijke nooit. Ik kan niet de allerkleinste zonden overwinnen dan daardoor dat ik geheel in Christus gereinigd ben.’

Ook de verkeerde voorstelling van zaken over rechtvaardiging en heiliging zoals die in opwekkingskringen werd gepropageerd, hangt weer met het individualisme samen. In hun prediking denken zij alleen aan afzonderlijke zielen. Die moeten bekeerd worden. Als dat gebeurt, dan is het klaar. Een christen moet nu weliswaar ook nog steeds heiliger worden, en dat doet hij door ‘in een comité voor in- of uitwendige zending’ nu ook anderen te gaan bekeren, maar ‘het hoofddoel is bereikt’. Tegenover dit individualisme brengt Gunning een andere manier van denken in stelling, waarbij het ‘komend en reeds kiemend koninkrijk van Christus, d.w.z. de heerlijke eenheid van het lichaam des Heeren’ centraal staat. Dan staan verkiezing, doop (als bevestiging van de verkiezing), de trouw van God, Christus als Verlosser én als Hoofd en Koning van zijn gemeente centraal. Alleen daar is zekerheid en vreugde.

Het revolutionaire, ‘wilde en onvruchtbare’ individualisme van de opwekkingsbeweging is eigenlijk het geloof van naïef egoïstische kinderen die in een voortdurende staat van heimelijke onrust verkeren. Daar komen vele kwalen uit voort. Individuen dwalen ‘heren derwaarts’, en hebben voortdurend behoefte aan prikkels. De basis wordt immers in het eigen geloofsleven gelegd en niet in ‘de daad Gods in het Doopverbond’. Individuen vragen zich dan ook voortdurend af of zij wel zeker (kunnen) zijn van hun deel aan Christus. Vandaar de eindeloze behoefte aan boekjes waarin die vraag wordt beantwoord, aan charismatische voorgangers, aan massale samenkomsten waar een ‘diepe ontroering’ merkbaar is, aan allerlei activiteiten om het christenzijn openlijk en publiekelijk uit te dragen, en aan erkenning binnen de eigen groep (met alle partijschappen die daaruit voortvloeien). Ze zijn wel opgewekt maar het komt niet werkelijk tot bekering. ‘Ondanks de sterk uitgeroepen en vreselijk geschilderde erkenning van zonde en verdoemelijkheid, ontbreekt bij hen toch in de grond de ware verootmoediging, de wezenlijke verbrijzeling van het hart. Ach, er zijn in de gemeenten opgewekten, die een verterende ijver tonen. Het gerucht van hun naam en hun “christelijke werkzaamheden” wordt alom gehoord, en men zou hen groot onrecht doen met te denken dat die ijver niet oprecht ware en niet inderdaad voor velen tot een zegen zou zijn. Die opwekking kan een op zichzelf hoogst eerbiedwaardige toewijding, ja een uitdelen van al wat men heeft aan de armen, ja een overgave van het lichaam opdat het verbrand worde, ten gevolge hebben. En toch is om de hardheid van hun oordeel, om de ongebroken hoogmoed die kennelijk naast hun vroomheid voortleeft, om het ongezalfde van hun gehele zijn, te vrezen dat hier, gelijk we zeiden, slechts opwekking, maar geen ware bekering is. In een levendige Jehu-ijver wordt tegen vele afgoden met oprechtheid krijg gevoerd, maar de gouden kalveren van wereldliefde, slechts onder een andere vorm en schijn, blijven staan. Men ziet dan ook niet zelden bij dezulken van tijd tot tijd een zeer droevige verdonkering en stremming van het geestelijke leven, dat alsdan, om het prikkelende van zulke nieuwe toestanden, en om de krasheid waarmee ze door hen die erin verkeren, beschreven worden, gewoonlijk weer bij onkundigen voor iets bijzonder dieps, voor zeer ontwijfelbare werkingen Gods gelden. Deze dingen werken het ongeloof der wereld zeer krachtig in de hand, omdat zij een voorwendsel niet alleen, maar ook een gegronde reden bieden om van zulke vroomheid niet te willen weten. Vele “onbekeerden” voelen zich van vele “bekeerden” (gelijk zij heten) afgestoten door de lichtzinnigheid en oppervlakkigheid van dezer geestelijk leven. Zij willen met zulk een geloof, zeer terecht, niets te maken hebben, omdat zij er te ernstig, te godvrezend, voor zijn. Het zijn deze belijders vooral die, honderdmaal erger dan de meest besliste “modernen” of ongelovigen, de Christus Gods verloochenen en zijn werk bestrijden.’

Ook Gunning verlangt naar een ‘krachtige vernieuwing van het leven’, maar dan niet langs de weg van het heilloze opwekkingsindividualisme. Daarover in het volgende nummer meer.

B.J. Spruyt, Gouda