Terug naar Ecclesianet.nl

H.F. Kohlbrugge en J.H. Gunning jr. over Réveil en heiliging (I)

Over dr. H. F. Kohlbrugge en Abraham Kuyper, over Kohlbrugge en Isaäc da Costa, of over Kohlbrugge en Willem de Clercq laten zich studies schrijven, en dat is ook gebeurd. Zij hebben elkaar gekend, veelvuldig contact gehad en de ontwikkeling van hun relatie, met alle vriendschap en conflicten, laat zich gedetailleerd vastleggen. Bij Kohlbrugge en J. H. Gunning jr., een van de vaders van de zogenoemde ethisch-irenische theologie, ligt dat anders. Kohlbrugge (1803-1875) en Gunning (1829-1905) waren geen leeftijdgenoten, ze scheelden een generatie, en hebben geen contacten onderhouden, elkaar niet ontmoet, elkaar geen brieven geschreven, niet gereageerd op elkaars publicaties. Bovendien lijken zij, zeker op het eerste gezicht, grondig van elkaar te verschillen.

Kohlbrugge was de eenzame dominee, de man van het ene aambeeld van de rechtvaardiging en heiliging van de goddeloze, een man voor wie in Nederland geen vaarwater was en die pas in 1846, 43 jaar oud, in Elberfeld in het Wuppertal een schaapskudde vond waarover hij als herder werd aangesteld. Hij preekte, schreef preken, en een enkele theologische verhandeling. Gunning was ook predikant, maar werd hoogleraar, schreef niet alleen over zonde en genade en het kruis van de Verlosser, maar ook over Dante, Spinoza en Goethe, verkeerde in de welgestelde kringen van de Nederlandse burgerij en mocht zelfs de adel aan haar roeping herinneren in een salon die door Haagse aristocraten en leden van het koninklijk huis werd bezocht. Kohlbrugge en Gunning leefden in andere tijden en werelden.

Maar toch is een vergelijking niet zinloos. Er is één centraal punt van aanraking en overeenkomst waarop, bij mijn beste weten, nog niet eerder is gewezen. Op het punt van de heiliging – voor Kohlbrugge toch geen marginale kwestie – hebben zij op een verrassend eenstemmige wijze gesproken. Een christen wordt niet heilig door zichzelf op zijn heiligingskrukken voort te slepen, maar is in Christus volkomen heilig, zo leerde Kohlbrugge. Dat standpunt verwoordde Gunning ook. En zoals Kohlbrugge met zijn preken en brieven over de heiliging de opvattingen van Da Costa en de meeste representanten van het Réveil bekritiseerde, zo richtte ook Gunning zich tegen een vroomheid zoals die in Réveilkringen werd gepraktiseerd. Hij gaf zijn mening in een brochure gericht tegen de ‘revivals’ die in de kringen van het Réveil grote invloed hadden, en in een publicatie waarin hij antwoord gaf op de vraag of ‘de volmaaktheid trapsgewijze wordt bereikt’.

Maar tegelijkertijd zijn er ondanks de fundamentele overeenstemming in deze kernzaak ook verschillen tussen Kohlbrugge en Gunning. Gunning onderbouwde zijn visie op de heiliging anders dan Kohlbrugge, en bouwde deze ook uit op een wijze die we bij Kohlbrugge niet terugvinden. In dit artikel wil ik een en ander beschrijven.

Daarbij verkeer ik niet in de veronderstelling dat het voor het eerst is dat een zekere verwantschap tussen Kohlbrugge en Gunning wordt aangewezen of mogelijk blijkt. Niemand minder dan K. H. Miskotte schreef in zijn boek over Gunning (1929) dat Gunning met Kohlbrugge ‘en diens heerlijke “eenzijdigheden”’ zeer verwant was. Een zoon van Gunning – J. H. Gunning J.Hzn. – vermeldt in zijn Herinneringen uit mijn leven (1940) dat hij in zijn Leidse tijd (1891- 1894) ds. Foppe Oberman leerde kennen, ‘de stoere Fries, de strenge Kohlbruggiaan’, en dat deze hem Kohlbrugge leerde kennen en waarderen. Oberman wees hem daarbij de weg om Kohlbrugges geschriften – die in die tijd blijkbaar moeilijk te verkrijgen waren – bij elkaar te brengen. Bij een theoloog als Oepke Noordmans is de waardering voor Gunning altijd samen op gegaan met een fascinatie voor Kohlbrugge (Geestelijke perspectieven, 1930). En dat geldt eigenlijk ook voor dr. W. Aalders. Er zijn vele plaatsen in zijn oeuvre waar Gunning met instemming wordt aangehaald (Gunnings portret hing zelfs bij Aalders aan de muur), terwijl Aalders’ waardering voor de theologie van Kohlbrugge geen nader betoog behoeft. Hier, in het vervolg van dit artikel, gaat het mij erom zo precies mogelijk aan te geven waarin de verwantschap tussen Kohlbrugge en Gunning ten diepste heeft bestaan, en op welk punt hun wegen zich weer scheidden. Aan het slot zou ik willen voorstellen om beide tradities bij elkaar te brengen in een soort ‘ethisch- Kohlbruggiaanse’ synthese, omdat deze ons in onze tijd kan helpen bevindelijke diepte en katholieke breedte nauw met elkaar te verbinden.

I.

De relatie tussen Kohlbrugge en de kringen van het Réveil is een ongemakkelijke geweest. Aanvankelijk ging alles goed. Als jong student al zocht Kohlbrugge aansluiting bij personen die deel uitmaakten van de ontluikende vriendenkring van het Réveil. Zo bezocht hij Da Costa in 1823 om hem enkele gedichten voor te leggen. Kohlbrugge was toen nog een zwaarmoedige, romantisch angehauchte student die zijn melancholieke hart in poëzie uitstortte. Zijn ‘eerste bekering’ voltrok zich in 1825, en zijn prediking bracht hem nadien in conflict met de Herstelde Lutherse Kerk in Amsterdam. Dat laatste maakte hem in Amsterdamse Réveilkringen alleen maar meer welkom. Kohlbrugge kwam geregeld aan huis bij Da Costa, waar hij Réveilvrienden als Abraham Capadose, de broers Willem en Stephen de Clercq en hun zwager Matthijs Westendorp ontmoette. In oktober 1828 ging hij voor het eerst voor in een ‘oefening’ in de woning van Abraham Capadose, nadat hij ’s middags met andere vrienden bij Da Costa een maaltijd had gebruikt. Kohlbrugge sprak over de dorre doodsbeenderen uit Ezechiël 37 en sprak een ‘lang gebed’ uit. Mevrouw Hanna da Costa-Belmonte schreef in het Dagboekje dat zij van 1820 tot 1865 bijhield, over een ‘allervoortreffelijkste preek’. ‘Het was een recht bevindelijke en allerkrachtigste uitlegging. De Heere stond hem bijzonder bij. Verheugd en in de Heere juichende scheidden wij van elkander.’ Maar als de reactie van de aanwezige Willem de Clercq representatief mag heten, moesten de vrienden wel even aan Kohlbrugge wennen, aan zijn niet zo innemende uiterlijk en aan zijn ‘populaire’ taalgebruik. Na zijn promotie in Amsterdam op psalm 45 en zijn huwelijk met Catherina Louise Engelbert, maakte Kohlbrugge een huwelijksreis, die hem zowel bij Da Costa als bij de grote Willem Bilderijk bracht. De betrekkingen waren hartelijk, en bleven dat vooralsnog.

Kohlbrugge zelf geraakte ondertussen in moeilijkheden. Hij wilde graag lid worden van de Nederlandse Hervormde Kerk – maar dat werd hem ‘willekeurig belet’, naar de titel van het boek met bescheiden dat hij in 1833 over zijn kerkelijk conflict publiceerde. Sommige vrienden van het Réveil, onder wie Abraham Jacob Twent, wilden Kohlbrugge in dit geschil publiekelijk steunen, anderen echter wilden dat niet, bang als zij zeiden te zijn voor oproer en separatisme. Die weigerachtige houding van de vrienden (april 1833) heeft Kohlbrugge zeer teleurgesteld en zelfs jegens hen verbitterd. Kort daarop, in de zomer van 1833, vertrok hij als jong weduwnaar naar het Duitse Elberfeld, waar hij, zoals bekend, in enkele preekbeurten mocht voorgaan en de befaamde preek uitsprak over de komma in Romeinen 7:14, de preek die zijn ‘tweede bekering’ markeert.

In deze preek keerde Kohlbrugge zich onder andere tegen een christendom van bekeerde mensen die zich uitsloven in een wereld van ‘tractaten, beoefeningsleeringen, moraalstelsels, overdenkende Christelijkheid en allerlei eigenwillige geestelijkheid’. Het ware christelijke geloof bestond volgens Kohlbrugge in de erkenning dat wij van God en Christus vervreemde zondaren zijn die niet in overeenstemming leven met Gods heilige wet, vleselijk blijven en verkocht onder de zonde, en onze rechtvaardigheid én heiligheid alleen in Christus kunnen vinden. Het grote geheim van het geloof is de kruisiging van de oude mens. Voor christenen die zich met een heiligingsleer of zedenleer op de been proberen te houden, is dit geheim ontoegankelijk. De wet is ons een lijk geworden, we werpen onze heiligingskrukken van ons af, en moeten leren met vrijmoedigheid te zeggen dat wij alleen in Christus heilig zijn, ook al bespeuren wij niets dan onreinheid in ons zelf. Meer dan dat is er niet en moeten, en mogen, wij ook niet willen.

De reacties in de Réveilkring op deze preek, die spoedig bekend werd, waren afwijzend. Antinomiaans noemden zij het gevoelen van Kohlbrugge. Da Costa wierp zich op als hun tolk door Kohlbrugge op 15 november 1833 een scherpe brief te schrijven waarin hij zijn bezwaren tegen Kohlbrugge’s preek uiteenzette. Kohlbrugge reageerde in februari 1834 in niet minder scherpe bewoordingen op de brief van da Costa. De breuk tussen Kohlbrugge en de Réveilkring was daarmee een feit. (Het verdient vermelding dat de betrokkenen geen grote ruchtbaarheid aan hun meningsverschil gaven. De briefwisseling tussen Da Costa en Kohlbrugge is pas in 1880, zeer tegen de zin van Kohlbrugge’s schoonzoon Eduard Böhl, uitgegeven, en wel om het kritische beeld van Kohlbrugge en diens prediking te corrigeren dat de gereformeerde L. H. Wagenaar in zijn proefschrift over Het Réveil en de Afscheiding had gegeven.)

B.J. Spruyt, Gouda