Terug naar Ecclesianet.nl

Bij de tweehonderste geboortedag van Sören Kierkegaard (I)

“Kierkegaard in discussie”

Enige tijd geleden verscheen bij Uitgeverij Damon in Budel een boek van de hand van Onno Zijlstra, docent filosofie aan de Protestantse Theologische Universiteit en aan de ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten te Zwolle, getiteld Kierkegaard in discussie. Een boek, dat niet bepaald uit de lucht is komen vallen, daar het in mei van dit jaar tweehonderd jaar geleden zal zijn, dat Kierkegaard het levenslicht zag, hetgeen doet vermoeden, dat er in het komende jaar naar alle waarschijnlijkheid nog heel wat publicaties over hem zullen volgen. En dat, terwijl het hem, mogen wij wel zeggen, toch al niet aan belangstelling ontbreekt, hetgeen overigens niet verwonderlijk is, daar hij ons een indrukwekkend oeuvre heeft nagelaten. Zijn productiviteit doet denken, aldus Zijlstra, aan de wijze, waarop Simon Vestdijk ooit door een collega-auteur werd aangesproken: “O gij die sneller schrijft dan God kan lezen” (blz. 12).

In de inleiding van zijn boek merkt Zijlstra op, dat Kierkegaard – die in de eerste helft van de vorige eeuw, de tijd van het existentialisme (Sartre e.a.) en van de dialectische theologie (Karl Barth), volop in de belangstelling stond, maar sedert de jaren zestig gaandeweg meer in vergetelheid geraakt – vandaag de dag als “een vaste kracht in de categorie ‘kopstukken’ geldt, en dit niet alleen in Europa, maar ook, ja, in nog sterker mate, in Amerika en in Azië. Enkele jaren geleden is er een nieuwe Deense uitgave van zijn oeuvre van de persen gerold, en talloos vele zijn de vertalingen van en commentaren op zijn werken, die in de afgelopen jaren op de markt gebracht zijn, niet in de laatste plaats in ons land, waar Uitgeverij Damon sinds 2006 met de regelmaat van de klok de ene na de andere uitgave het licht doet zien.

Een “persoonlijk project”

Het boek “Kierkegaard in discussie” dient zich aan als een “persoonlijk project”: Zijlstra heeft zich ten doel gesteld Kierkegaard in gesprek te brengen met hedendaagse denkers, die zich met kunst, wetenschap en cultuur hebben beziggehouden. Een lofwaardige onderneming, maar er komen zó veel namen op ons af en de informatie, ons verschaft, is zó omvangrijk, dat men nu en dan moeite heeft de stroom aan informatie te verwerken. Dit, gevoegd bij het feit, dat er bij de lezer vrij veel kennis, met name van de geschiedenis van het wijsgerig denken, wordt verondersteld, maakt het althans voor hen, die hiermee niet of nauwelijks bekend zijn, nu en dan verre van gemakkelijk de schrijver bij te benen.

Zijlstra behandelt overigens slechts enkele van Kierkegaards hoofdwerken, en wel Vrees en beven en Of-Of uit 1843, het Afsluitend onwetenschappelijk naschrift uit 1846 (door Kierkegaard bedoeld als sluitsteen van de reeks onder een pseudoniem geschreven werken) en het religieuze werk De ziekte tot de dood. Een christelijk psychologisch betoog tot opbouwing en opwekking uit 1849. Ook andere werken van hem, die weliswaar in het boek ter sprake komen worden slechts sporadisch aangehaald. Van de genoemde hoofdwerken krijgt Vrees en beven verreweg de meeste aandacht. Het omvangrijke Afsluitend onwetenschappelijk naschrift, daarentegen komt er verhoudingsgewijs veel minder goed af, wat dunkt mij, vooral de theologen onder Zijlstra’s lezers zal teleurstellen, daar dit werk van Kierkegaard, gewijd aan de vraag, wat het betekent een christen te zijn, bij uitstek als “voer voor theologen” mag gelden.

De enkeling

In het oeuvre van Kierkegaard komen tal van onderwerpen aan de orde, maar wáárover hij ook schrijft, steeds krijgen wij de individualiteit, de enkeling, in het vizier. In zijn boeken “is een enkeling aan het woord, één die zich richt tot die andere enkeling, zijn lezer. De enkeling is het onderwerp van Kierkegaards schrijven” (blz. 128).

Afgaande op de grote plaats, die dit gegeven in zijn werken inneemt, is men licht geneigd te veronderstellen, dat er in onze tijd, nu de individuele mens “een bijna religieuze status gekregen heeft” (blz. 10), wel veel belangstelling voor het oeuvre van Kierkegaard zal zijn. Maar mocht dit al het geval zijn, de enkeling, die bij Kierkegaard zo’n grote plaats inneemt, heeft niets van het begrip individualiteit, dat vandaag de dag bij velen zo hoog genoteerd staat.1 Wanneer Kierkegaard “enkeling” zegt, dan doet hij dat niet zonder aan God te denken: “De enkeling wordt pas enkeling ten overstaan van God. En die relatie heeft een uitgesproken christelijke2 kleur” (blz. 115). Al schrijvend “probeert hij zichzelf en wie hem leest tot zichzelf te brengen en daarmee tot God – dan wel tot God en daarmee tot zichzelf” (blz. 128).

Christen-worden

Kierkegaard heeft zijn leven lang met de implicaties van het christelijk geloof geworsteld. Anders echter dan zijn mede-christenen was hij niet zozeer geïnteresseerd in de vraag naar het “hoe” van het christen-zijn als wel in de vraag, hoe – in een ooit gekerstende wereld - een christen te worden. In het Denemarken van zijn dagen stond iedereen als christen te boek: men werd als christen geboren en, na volbrachte levenstijd, ook als zodanig begraven. Kierkegaard zag dit als een waanvoorstelling, die hij dan ook aanhoudend met zijn scherpe pen aan de kaak stelde. Maar zich ervan bewust, dat hij zijn doel niet kon bereiken langs de weg van een directe, regelrechte aanval, bediende hij zich van de zgn. socratische methode, een in-directe wijze van doen. Net als eeuwen geleden de Griekse wijsgeer Socrates ging hij als een vroedvrouw te werk door de mensen zelf te laten ontdekken, dat hun zogenaamde zekerheden niet meer dan schijn-zekerheden waren, dat hun christendom niets had van het oorspronkelijke, authentieke christendom. Door de neiging “de christelijke boodschap op kleuterhoogte te krijgen“, aldus Climacus in Kierkegaards Afsluitend onwetenschappelijk naschrift, is Christus “van een teken van aanstoot veranderd in een Sinterklaasachtige kindervriend” (blz. 108). Een uitspraak, die vandaag de dag nog niets aan actualiteit heeft ingeboet.

Christendom en postmodernisme

In het zesde hoofdstuk van Zijlstra’s pennenvrucht, “De enkeling, religie en het transcendente”, maken wij kennis met de Italiaanse wijsgeer Gianni Vattimo, die - van mening, dat er “vandaag de dag geen aannemelijke, krachtige filosofische redenen meer [zijn] om atheïst te zijn, of in ieder geval om de godsdienst af te wijzen” (blz. 124) “zich laat kennen als christen en die er wonderwel in slaagt postmodernisme en christendom bij elkaar te krijgen” (blz. 122). Een uitspraak, die vertrouwen wekt, maar die ons vertrouwen alle grond onder de voeten wegslaat, wanneer wij vervolgens lezen, dat deze filosoof van het zgn. zwakke denken (een denken, dat niets moet hebben van “rotsvaste zekerheden”) afwijzend staat tegenover het transcendente godsgeloof en dat hij niets weet te beginnen met Kierkegaards “paradox van de sprong”, met zijn nadruk op God als “de gans Andere” en met zijn gedachte van de absurditeit van het geloof”, - drie elementen, die voor het theologische gedachtegoed van de Deense denker zonder meer bepalend zijn. Dat Vattimo een en ander als “het laatste grote misverstand van het christelijke denken” beschouwt, is tekenend voor de kloof, die zijn opvatting van het begrip “christendom” scheidt van het christelijk geloof van de Kerk der eeuwen.

De stijl

Zijlstra’s boek laat zich – het gegeven, dat hij bij zijn lezers veel kennis van een en ander veronderstelt, daargelaten – vrij gemakkelijk lezen: de stijl is vlot, hier en daar wat al te vlot en zelfs min of meer gewildmodern, om niet te zeggen populistisch.

Opvallend is de wonderlijke wat ik zou willen noemen: feminisering van sommige mannelijke en onzijdige woorde. Enkele voorbeelden: “Wat maakt een mens tot individu? Welke rol speelt zij daar zelf in en welke rol haar omgeving?” (blz. 12); “de enkeling en haar God” (ibid.), “de enkeling en haar subjectieve waarheid” (blz. 125). “Iemand kan overvallen worden door twijfel aan de zin van wat zij doet, of aan de zin van haar bestaan” (blz. 42). “Het voordeel van de christen is dat zij zich bewust is van de ziekte” (blz. 119). “De ander” en “haar diepste overtuigingen” (blz. 136). “De lezer,… zij leert onderscheiden en relativeren” (blz. 138).

Bepaald hinderlijk is het feit, dat Kierkegaard nu eens als “Kierkegaard”, dan weer als “Sören”, als “Sören Aabye” of als“Sören Kierkegaard” en zelfs als “SAK” (!) ten tonele gevoerd wordt. In dezelfde lijn ligt het spreken over Anti-Climacus als over “Anti”.

Niet minder storend is het gebruik van het woord hen, wanneer de schrijver hun moet gebruiken, en de combinatie van een voorzetsel als over met het voegwoord dat in zinswendingen als: “de preek over dat wij tegenover God altijd in gebreke blijven” (in plaats van: “over het feit, dat” etc.) op blz. 115 en: “reflecties over hoe hij middels zijn werken communiceert” (in plaats van: “over de wijze, waarop hij” etc.) op blz. 128. Het valt te betreuren, dat deze ergerlijke vorm van taalvervuiling in onze tijd hand over hand toeneemt.

Tot zover onze bespreking van Zijlstra’s pennenvrucht, die wij, onze kritische kanttekeningen ten spijt, graag bij de lezers van ons blad ter lezing aanbevelen, als de vrucht van een intensief onderzoek naar het gedachtegoed van een van de grootste geesten, die de negentiende eeuw heeft voortgebracht.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Vgl. bijvoorbeeld een gedichtje (over huwelijk en gezin) uit de zgn. Frankfurter School: “Ik doe, wat ìk doe, en jíj doet, wat jij doet. Ik ben niet op deze wereld om naar jòuw verwachtingen te leven. En jíj bent niet op deze wereld om naar míjn verwachtingen te leven. Jíj bent jíj, en ìk ben ík. En als wij elkaar toevallig vinden, - prachtig. Zo niet, dan is er niets aan te doen”.
2 Cursivering JGB.