Terug naar Ecclesianet.nl

De Ekklesia en de historie (I)

Nog eens Romeinen 11

In enkele vorige artikelen over de kerk stond ik stil bij wat Paulus schrijft in Romeinen 11. Paulus gaat in dit hoofdstuk in op de verhouding van de heidenvolkeren tot Israël. Hij houdt de lezers voor dat de heidenvolkeren als ‘wilde takken’ geënt worden in de olijfboom.

Er is in de loop der eeuwen heel wat geschreven over de vraag waar Paulus met deze olijfboom op doelt. Bedoelt hij Israël als volk? Of heeft hij het oog op de echte gelovigen in Israël, zoals Abraham? Of bedoelt hij Christus? Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, wees ik erop dat Paulus in vers 17 zegt dat de takken geënt worden in de olijfboom die tot bloei is gekomen. Op grond daarvan betoogde ik dat Paulus met de olijfboom die tot bloei is gekomen de christelijke gemeente bedoelt. De Ekklesia is de vervulling van de belofte die aan Israël is gedaan, de kroon op Gods werk. Sinds Christus’ komst is de olijfboom tot bloei gekomen. De boom begint vruchten te dragen! Er is zelfs sprake van overvloed!

Op de vraag waarin de heidenvolkeren worden geënt, moet het antwoord dan ook luiden: niet zomaar in het volk Israël, maar via de kerk in de vervulling van de belofte die God aan Israël deed. Zo worden de gelovigen die deel uitmaken van de Ekklesia één met dat deel uit Israël dat gelovig uitzag naar de vervulling van de belofte. Deze notie was in de vroeg-christelijke gemeente alom bekend. We vinden een uitwerking ervan in de brief aan de Hebreeën. Als de schrijver van deze brief in het elfde hoofdstuk de Oudtestamentische gelovigen ten tonele heeft gevoerd, sluit hij zijn hoofdstuk af met de opmerking: “Zij zagen uit naar de belofte, want zonder ons zouden ze niet volmaakt zijn.” De olijfboom staat in bloei! Als de belofte en vervulling ter sprake komen, wordt maar al te vaak gedacht dat deze zich tot elkaar verhouden als een tegoed dat aangevuld moet worden tot een uiteindelijk saldo. Het is echter een feit dat de vervulling de belofte nog ver te boven gaat. Niemand had er ooit op gerekend dat God het heil zo duidelijk en overvloedig aan het licht zou brengen, als Hij gedaan heeft door zijn eigen Zoon te zenden en door de dood heen te laten opstaan uit de doden! Niet voor niets zegt Paulus in 1 Timotheüs 3: En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht: Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid.

Doordat de Ekklesia dit geheimenis verkondigt, dat de belofte vervult en overstijgt, worden de heidenvolkeren tot Christus gebracht en zo geënt in de bloeiende olijfboom.

Deze Ekklesia is door Christus gesticht. Het is opvallend dat God in de belofte die Hij aan Abraham deed, de hele wereld al op het oog had: “In u zullen alle volkeren gezegend worden.” Abraham heeft deze belofte geloofd. Christus die de vervulling van de belofte is en het heil der wereld op het oog heeft, heeft met het oog op dit universele heil zijn Ekklesia gesticht. Hij riep zijn discipelen en droeg hen op om Hem wereldwijd te verkondigen als de vervulling van de belofte. Door deze verkondiging verschaft Hij de volkeren de toegang tot het eeuwige heil.

De takken weggebroken?

Het tweede waarop ik in de voorgaande artikelen de nadruk legde, is dat Paulus stelt dat de takken weer uit de boom kunnen worden weggebroken. Dat gebeurt door ongeloof. Ik wees erop dat dit een treffende beeldspraak is. Ze geeft precies aan wat in Europa gebeurd is: De takken verzelfstandigden zich. Ze leefden niet meer uit de vervulde beloften, maar maakten zich daar los van. Anders gezegd: ze verbraken het verbond. De beeldspraak van Paulus is opnieuw treffend. Hij zegt dat de takken zich verheffen en zich gaan beroemen. Ze denken het wel zonder geloof, zonder de enting in de stam, zonder de historie te kunnen.

Precies dat is gebeurd in de zeventiende en achttiende eeuw, toen het denken verzelfstandigde en men meende dat men het zonder Gods openbaring en zonder de kerk kon stellen. Door deze verzelfstandiging ten opzichte van de olijfboom (Israël en de kerk), die heel bewust in gang gezet is in de 18e en 19e eeuw, brak men niet alleen met de openbaring maar ook met de historie. Ik eindigde mijn artikelen met erop te wijzen dat de Française Blandine Kriegel (geboren 1943) als weinig anderen inzicht heeft gegeven hoe deze breuk in gang gezet is en welke gevolgen eraan verbonden zijn.

Op haar werk wil ik in dit en in een volgend artikel graag in gaan.

Blandine Kriegel: een belangrijke ontdekking

Mevrouw Kriegel was in de jaren zeventig als medewerker verbonden aan de bekende filosoof Michel Foucault (1926 – 1984). Deze laatste had veel invloed op haar. In 2004 schreef ze boekje over Foucault, waarin ze hem lof toezwaaide, maar ook verantwoordde waarom ze een zelfstandige weg ingeslagen was. In een eerder boek (La défaite de l’érudition, 1988, deel 2 in de serie L’histoire á l’Age classique) beschrijft ze hoe Foucault haar op het spoor van het historisch onderzoek bracht. Zijn advies trof doel. Blandine Kriegel had van kindsbeen af aan affiniteit met de historie, ze bezat een historisch zintuig van de eerste orde. Foucault had bij alles wat er verder aan negatiefs over hem gezegd kan worden (hij was in zijn eerste periode een echte postmodernist voor wie er geen waarheid bestaat) de gave om het verleden tot heden te verwekken. Hij was in staat om belangrijke teksten uit het verleden naar voren te halen en hun directe relevantie voor de dag van vandaag te laten zien. Teksten waaruit men kon opmaken dat ze een breuk in de geschiedenis veroorzaakten of ook teksten die laten zien dat er een breuk ontstaan is.

Het is uitermate moeilijk om achter die breuk terug te kijken naar hoe men vroeger dacht. Foucault had de gave om dat te doen. Dat is het wat Blandine Kriegel aan hem verbond. Want door aandacht te vragen voor teksten die tijdens een bepaald breukvlak ontstonden, heeft hij haar op het spoor gebracht van de bestudering van de 16e tot en met de 18e eeuw.

Dat is bijzonder. Deze eeuwen worden in Frankrijk veelal gezien als duistere jaren van het Ancien Régime, waarin de koning het nog voor het zeggen had, jaren waaraan gelukkig – voor de beleving van de Fransen – met de Franse Revolutie (1789) een einde kwam. Generaliserend gezegd beleeft de gemiddelde Fransman de geschiedenis als volgt: voor 1789 was alles verkeerd, daarna begon het goed te worden. Door de directe kennismaking met de folianten van de erudiete rechtsgeleerden en historici uit de zestiende en zeventiende eeuw veranderde de kijk van Blandine Kriegel daarop volkomen. Wat een wijsheid en eruditie kwam zij bij hen tegen en bij de scholen die zij stichtten, in tegenstelling tot wat ze bij latere figuren vond, die de aanstichters waren van de Franse Revolutie. Bij de eersten ontmoette ze het historische zintuig, dat ook haar eigen was. Ze ontmoette bij hen de uitdrukkelijke overtuiging dat de historie van fundamentele betekenis is voor de fundering van het recht en zo voor de staat en ook voor het voortbestaan van de kerk. Blandine Kriegel raakte meer en meer overtuigd van de betekenis van deze geleerden en kwam onder de indruk van hun zienswijze. Steeds duidelijker begon zij in te zien dat deze geleerden een belangrijke bijdrage hadden kunnen leveren aan de hervorming van de staat, het recht en de kerk, maar dat dit tragisch genoeg mislukt is. En dat in een tijd dat een herijking van het recht meer dan ooit geboden was.

De reden van deze mislukking lag in het feit dat er uitgerekend in de zeventiende en achttiende eeuw een ontwikkeling op gang kwam, die tegengesteld was aan wat deze geleerden beoogden – men begon de historie te verachten. De belangrijkste reden daarvoor lag in de opkomst van een filosofie, die niet meer rekende met de historie. De historische openbaring van God in de bijbel werd ofwel genegeerd ofwel vertekend. Het tragische was dat men ook in de kerk door allerlei ontwikkelingen de bestudering van de historie begon te schuwen. Het verlies van een zintuig voor werkelijke historie werkte in de hand dat mensen als Voltaire (1694 -1778) die zeer oppervlakkig en misleidend over de historie schreven, terrein wonnen, met alle gevolgen van dien. Want waar het zintuig voor de historie, aldus mevrouw Kriegel, gaat ontbreken wordt het recht abstract en ideologisch en verstart het geloof en versteent de kerk.

Haar studie is van grote betekenis voor het onderwerp dat ik in deze serie aan wil snijden. Ik gaf al aan dat in de beeldspraak van Paulus de takken zich door ongeloof verzelfstandigden tegenover ‘de stam’ waarin ze geënt waren. Als we willen achterhalen welk proces hieraan ten grondslag ligt, kunnen we te rade gaan bij mevrouw Kriegel. Zij kan ons tot een gids zijn. In het licht van wat zij te berde brengt, zal duidelijk worden hoe belangrijk enkele getuigen van Christus geweest zijn. Dat geldt vooral voor Blaise Pascal (1623 - 1662).

Het begin: de herontdekking van de historie

Blandine Kriegel zet haar boeken over L’histoire á l’Age classique (1988) in bij de herontdekking van de filologie in de tijd van de Renaissance en de Reformatie. Het parool luidde: ‘Terug naar de bronnen!’ Gezaghebbende teksten werden herontdekt of opnieuw onderzocht en op hun historische waarde getoetst. Deze beweging had grote gevolgen, ook en juist voor de staatkundige en kerkelijke vraagstukken. Een treffend voorbeeld van de werkwijze en de resultaten van het filologische onderzoek vinden we bij de humanistische geleerde Laurentius Valla (1407 - 1457). Hij onderwierp het zogenaamde Donatio Constantini aan een kritisch onderzoek. In dit ‘keizerlijke edict’ zou keizer Constantijn (ca. 280 - 337) uit dankbaarheid voor zijn overwinning op Maxentius (312) de paus het wereldlijk gezag over het Westen van zijn rijk (Europa) in handen hebben gegeven. Laurentius Valla toonde zonder meer aan dat het hier om een vervalsing ging. Dit had grote gevolgen. De Rooms-katholieke kerk kon haar wereldlijke machtsaanspraak niet meer verdedigen met een beroep op een keizerlijke acte. Maarten Luther heeft Laurentius Valla meer dan eens geprezen en heeft dankbaar gebruik gemaakt van zijn ontdekking.

Het was ook de tijd dat door de val van Constantinopel (1453) veel oosterse christenen de oversteek maakten naar Europa. Zij namen de werken van de kerkvaders, die daar bewaard waren, mee. Daardoor kwamen in de Italiaanse stadsstaten geleerden in aanraking met de oorspronkelijke werken van klassieke filosofen en van veel kerkvaders. Men begon de Griekse taal te leren om de inhoud van deze boeken tot zich te nemen. Tal van geleerden begonnen zich te verdiepen in de Griekse taal en gaven deze werken uit (de boekdrukkunst maakte dit mogelijk). Na het Grieks volgde het Hebreeuws! De kijk op de geschiedenis veranderde volkomen. Het historisch zintuig waarover we het hadden, werd aangewakkerd. In de geschiedenis kwam als het ware reliëf. Men kreeg er oog voor dat belangrijke teksten pas op waarde geschat konden worden als ze ook gelezen werden in het licht van de tijd waarin ze geschreven werden.

Deze ontwikkelingen zijn niet voorbij gegaan aan degenen die de Reformatie inzetten. Ik wees al op Maarten Luther, die al tijdens zijn kloosterjaren als monnik open stond voor wat humanistische geleerden als Erasmus op de markt brachten. Hij leerde het Grieks en las het Nieuwe Testament dat Erasmus in 1510 in Bazel had uitgegeven. Na enige tijd maakte hij zich ook het Hebreeuws eigen. Luther was goed thuis in de klassieke schrijvers als Cicero en Quintillianus. Hij maakte dankbaar gebruik van de kennis op dat gebied van zijn bijzonder geleerde vriend Philippus Melanchton. Met behulp van de talen en van de kennis van de historie doorbrak hij het strakke scholastieke denken van de Middeleeuwse theologie en de macht van Rome.

Luther zou zich bij het adagium van Groen van Prinsterer ‘er is geschreven, er is geschied’ volledig thuis gevoeld hebben. Dat geldt niet minder voor Calvijn, die in zijn jonge jaren in Bourges rechten studeerde en daar volop in aanraking kwam met de humanistische geleerdheid. De filologie had zijn hart. Hij verdiepte zich in de Griekse en Romeinse filosofen (hij promoveerde op Seneca) en wist zijn kennis van de Hebreeuwse en Griekse taal later te benutten voor zijn schriftuitleg. Met betrekking tot het recht was hij volledig op de hoogte van ontwikkelingen die zich in zijn tijd voordeden en van de studies van zijn tijdgenoten. Betrokken als hij was op zijn tijd, nam hij het in een brief die voorafging aan de Institutie (1534) op voor de vervolgde geloofsgenoten in Frankrijk, waarin hij de koning aantoonde dat de christenen die hij vervolgde, juist de ware christenen waren, die weer teruggingen tot het begin van de kerk.

Met andere woorden: het ‘Terug tot de bronnen’ was ook een wezenskenmerk van de Reformatie.

Mevrouw Kriegel toont aan dat deze tendens om de bronnen te onderzoeken en ten nutte te maken, ondanks het feit dat de Rooms-katholieke kerk in Trente (1563) daarvoor een blokkade opwierp, tot in de zeventiende eeuw voortleefde. Dat was vooral in Frankrijk het geval. In dat land werd de band met Rome vaak als problematisch ervaren. Vooral daar bleef er een sterke drang om de Bijbel in historisch licht te lezen, met behulp van de filologie en oudheidkunde. Ook met het oog op de staatkunde en het recht was er in Frankrijk een sterke tendens om op grond van de historie tot hervorming van het staatsbestel te komen. In het volgende artikel wil ik daar verder op ingaan en aangeven hoe pogingen daartoe de pas afgesneden werden.

H. Klink, Hoornaar