Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus’ preken over teksten uit de Nieuw-Testamentische brieven (I)

Nadat ik in Ecclesia van 14 december j.l. de lezers van ons blad heb laten kennismaken met een bundel preken van Augustinus over teksten uit het Oude Testament (Schatkamer van het geloof), vraag ik ditmaal de aandacht voor een tweetal prekenbundels van hem, gewijd aan teksten c.q. passage’s uit de Nieuw-Testamentische briefliteratuur. In de eerste bundel, Leven in hoop1, komen Paulus’ brieven aan Rome en Korinthe aan de orde, in de tweede, Geloof is het begin2, zes andere brieven van de apostel en twee van de zgn. algemene brieven, t.w. de brief van Jacobus en de eerste brief van Johannes. Al deze preken zijn ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Joke Gehlen-Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six-Wienen. Op enkele uitzonderingen na zijn zij niet eerder in onze taal uitgegeven.

“Leven in hoop”

De bundel Leven in hoop bevat zeventien preken. In twaalf van deze preken staat de brief aan de Romeinen centraal, in de overige vijf een van de brieven aan de gemeente van Corinthe. Van de brief aan de Romeinen wordt, op één uitzondering na, steeds een tekst of fragment uit de hoofdstukken 7 en 8 behandeld. Van de eerste Corinthebrief komen de hoofdstukken 1, 6 (tweemaal), 12 en 13 aan de orde, van de tweede brief alleen hoofdstuk 5 : 20.

Vrijwel alle preken zijn in het jaar 417 in Carthago gehouden. Er is geen enkele aanwijzing, dat er ook maar één in Hippo Regius, zijn eigen gemeente, is uitgesproken. Vond Augustinus de door hem behandelde stof te zwaar voor zijn eigen parochie en lag het intellectuele niveau in Carthago hoger dan in Hippo Regius? Dat is heel goed mogelijk, want de preken in deze bundel, althans die over de Romeinenbrief, behoren naar het oordeel van de vertalers “inhoudelijk en communicatief tot de moeilijkste in het genre”, waardoor zij veel van de hoorders gevergd moeten hebben. Als er één is, die zich dit heeft gerealiseerd, dan is het Augustinus zelf wel. Hij was zich er ten volle van bewust, dat de in deze brief behandelde materie verre van eenvoudig is. En hij werd niet moe dit zijn hoorders in te prenten. Maar hoe dan ook, de boodschap mòest verkondigd worden. Preken was voor hem: de Bijbel uitleggen. En daar heeft hij zich tot het uiterste toe ingespannen. Geen actuele ditjes en datjes, zoals die vandaag de dag de preek aantrekkelijk of zelfs leuk moeten maken. De Bijbel zèlf is actueel. De mensen moeten met de Bijbeltekst in het hoofd – en in het hart – de kerk uitgaan.

Opvallend in Augustinus’ verkondiging is de taak, die hij de hoorders op de schouders legt. Al in het begin van de eerste preek (over hoofdstuk 7 : 14-25) scherpt hij hun in, dat zij goed moeten opletten, wanneer hij hun laat zien, wat de Heer hem heeft ingegeven. “En”, zo voegt hij hieraan toe, “wanneer u mij hier of daar ziet worstelen met een moeilijke en duistere passage, help mij dan met uw liefdevolle aandacht” (blz. 41). En een aantal dagen later, opnieuw gesteld voor de bespreking van dit Schriftgedeelte, houdt hij de kerkgangers voor, dat zij zich ervan bewust moeten zijn, dat hij zijn opdracht alleen dàn vervullen kan, wanneer God hem de kracht ervoor geeft, maar zo laat hij hierop volgen: “Als u tenminste door uw vrome houding mij steun biedt bij Hem” (blz. 76).

Wat wij onder deze “vrome houding” moeten verstaan? In elk geval niet de houding van de kerkganger, die, zelf totaal onvoorbereid, er, met een pepermunt achter de kiezen, zo gemakkelijk mogelijk bij gaat zitten (voor de kerkgangers in Augustinus’ tijd was er helemaal geen zitten bij!) om af te wachten, wat de man op de kansel ervan terechtbrengt.

Zonde en genade

Hoewel Augustinus - die een hoofdrol heeft gespeeld in de strijd, die de kerk van zijn dagen had te voeren tegen stromingen als het manicheïsme, het donatisme en het pelagianisme – niet gewoon was de theologische strijdvragen op de kansel ter sprake te brengen, staat in zijn preken over de Brief aan de Romeinen de controverse met het pelagianisme onmiskenbaar op de achtergrond. Pelagius loochende de erfzonde. De mens heeft een vrije wil, waardoor hij in staat is voor het goede of voor het kwade te kiezen. Kiest hij voor het goede, voor een leven, dat rijk is aan goede werken, dan kan hij zich Gods genade waardig maken en de eeuwige gelukzaligheid verwerven.

Augustinus wijst deze opvatting van de hand. Wie de de erfzonde loochent, doet Gods genade tekort. Paulus zegt: “Niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik” (Romeinen 7 : 19), of, in de vertaling van de door Augustinus gebruikte (Latijnse) tekst: “Wij weten, dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde.” En bij het woordje “ik” dacht de apostel niet, zoals de Pelagianen meenden, aan de ònbekeerde mens, maar aan de mens, die tot geloof gekomen is. Met andere woorden: hij had zichzèlf op het oog. “Hoe dan?”, vraagt Paulus zelf. En Augustinus antwoordt dan, verwijzend naar vers 7 van dit hoofdstuk: “Ik wil niet begeren en ik begeer toch. Wat zegt de wet? ‘Gij zult niet begeren.’”

Een christen heeft tot zijn dood toe te strijden tegen zijn zondige begeerten. In deze strijd – een strijd tussen de wet van het lichaam en de wet van het verstand – is hij echter niet kansloos. Door de genade van de doop en het bad van de wedergeboorte is de schuld, waarmee wij ter wereld gekomen zijn, afgelost. En dat niet alleen: alle zonden, die wij bedreven hebben, zijn door het water ongedaan gemaakt. “Als slaaf bent u er in gestapt, als vrij man kwam u er uit. Dat is een feit, daarom staat er: ‘Wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld’ (8 : 1).”3

De betekenis van de wet

Tegenover de Manicheeërs, die de wet veroordelen, stelt Augustinus, in navolging van Paulus (Romeinen 7 : 12), dat de wet heilig en goed is. Maar zij moet wel “op de juiste wijze gebruikt worden” (I Timotheüs 1 : 8). Zij is gegeven om de mens zichzelf te laten ontdekken. Niet om de zieke te genezen, maar om, wanneer de ziekte ten gevolge van zijn overtredingen verergert, er een dokter bij te roepen. En dat is Hij, die gezegd heeft: “Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn” (Marcus 2 : 17). Wie niet erkent, dat hij ziek is, vindt een dokter overbodig. De wet is ons gegeven als hulpmiddel om te voorkomen, dat wij denken, dat wij gezond zijn.4 “De wet is ingevoerd vanwege de overtredingen”, zegt Paulus tegen de Galaten (3 : 19). “Daarom moesten de hoogmoedigen het hoofd buigen: ze schreven veel aan zichzelf toe en hadden een hoge dunk van hun eigen wil. Ze dachten dat voor hen de vrijheid om te kiezen voldoende was om gerechtvaardigd te worden verklaard. Ja, ja, toen die vrijheid nog onverkort bestond – ik bedoel in het paradijs – heeft ze haar kracht laten zien! Ze heeft laten zien wat ze kon: wel vallen, niet opstaan! Kortom, ‘de wet is ingevoerd’, aldus Paulus, ‘vanwege de overtredingen in de tijd dat de nakomeling aan wie de belofte gedaan was nog moest komen. Ze werd door engelen aan een bemiddelaar gegeven.’”5

Hoop doet leven

De titel van Leven is hoop is dezelfde als het opschrift boven de preek over Romeinen 8,24: “Want in die hoop zijn wij behouden.” De vertalers hebben in de prediker de pastor herkend, die zich geroepen wist om de schapen, die God hem had toevertrouwd, moed in te spreken. “Wij hopen op wat nog niet zichtbaar is en in afwachting daarvan blijven wij volharden”, zegt de kerkvader de apostel na (vers 25). “De beloften van deze wereld zijn altijd bedrieglijk, die van God zijn dat nooit. Maar de wereld lijkt haar beloften hier in te lossen, in dit land van de stervenden waar wij ons nu bevinden. Wat God belooft zal Hij ons pas geven in het land van de levenden.” Dit betekent, dat wij geduld moeten betrachten: “Zonder geduld kunnen wij in de stormen van dit leven niet de hoop blijven koesteren op het toekomstige leven” (blz. 131v.).

Ten slotte

Zoals ik reeds heb opgemerkt, zijn de preken in deze bundel niet gemakkelijk. De vertalers hebben er echter naar gestreefd om het niet zelden weerbarstige Latijn in “eenvoudig en helder Nederlands” over te zetten, waarbij zij, net als Augustinus destijds, niet zozeer lezers als wel hoorders voor ogen hadden: het was hun erom te doen de preken geschikt te maken om voorgelezen te worden. En hierin zijn zij uitstekend geslaagd. Door het gebruik van korte zinnen en door eenvoudig taalgebruik (een grote verdienste!) hebben zij een maximum aan verstaanbaarheid weten te bereiken. Vandaar, dat deze preken het alleszins waard zijn gelezen te worden, zeker in een tijd als de onze, waarin angstwekkend veel kerkgangers ten prooi zijn aan de infectie, die ooit door de apostel als “kittelachtigheid van gehoor” (II Timotheüs 4 : 3 Statenvert.) is omschreven. Mij dunkt, dat zij een kennismaking met deze preken als een heilzaam medicijn zullen ervaren.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Leven in hoop. Preken over teksten uit de brieven aan de christenen in Rome en Korinthe. Uitg. Damon(2011). ISBN 978 94 6036 025 1. Aantal blz.: 252. Prijs: € 32,90.
2 Geloof is het begin. Preken over teksten uit brieven van het Nieuwe Testament. Uitg. Damon (2013). ISBN 978 94 6036 149 4. Aantal blz.: 288. Prijs: € 34,90.
3 Preek 152,3 (blz. 52).
4 Preek 156,2 (blz. 115).
5 Idem,4 (blz. 118).