Terug naar Ecclesianet.nl

Wasser thut’s nicht. Over de kracht van de doop (2)

Logisch

Meer dan één hervormde – ruimer genomen: menig logisch redenerend mens – die nadenkt over de doop voelt de hete adem van de ultra-orthodoxe doopvisie in zijn nek. Rationeel is er immers alles voor te zeggen: ten diepste komt Gods genade alleen de uitverkorenen ten goede. Dat mogen en willen we ook niet ontkennen. We houden vast aan wat Dordt terecht belijdt: “Dat God sommigen in de tijd met het geloof begiftigt en anderen niet, komt voort uit zijn eeuwig besluit.”

Deze rechtlijnige, hyper-calvinistische doopvisie is ook begrijpelijk. Want hebben we – ook in onze tijd en met name in volkskerkachtige situaties, die nog steeds voorkomen – niet meer dan eens te maken met doop uit gewoonte of bijgeloof? Met verbondsautomatisme? Met de oppervlakkige gedachte, bewust of onbewust: ik ben toch gedoopt? Met gebrek aan trouw en betrokkenheid? Op voorhand zijn er soms al omstandigheden die haaks staan op de bediening van de heilige doop en nadien vaak nog meer. Er is alle recht en reden om te stellen: “Wasser thut’s nicht”.

Er pleit dus nogal het nodige tegen een royale, genuïen reformatorische doopopvatting, waarbij iedere gedoopte in Gods genadeverbond wordt opgenomen en alle ontvangers van dit sacrament Gods liefde en trouw betuigd wordt. Immers, als God zijn heil ook toezegt aan niet-uitverkorenen, is Hij dan wel waarachtig? En hoe zit het dan met de “volharding der heiligen”?

Aan de andere kant, kweekt een dergelijke leer geen zorgeloze en goddeloze mensen? De praktijk wijst het uit. Zij is gevaarlijk, want voor je er erg in hebt, zegt men: “Zullen wij in zonde blijven, opdat de genade toeneemt?” Men denkt dat het op grond van de doop wel goed zit voor de eeuwigheid.

Voor een logisch kloppende doopleer, opgezet vanuit de verkiezing, valt dus veel te zeggen.

Voorrang

Evenwel, het gaat er niet zozeer om of wij logisch denken, maar of wij theologisch denken, of wij van God uit denken. Niet het redenerend verstand heeft de voorrang, maar het luisterend hart. De christelijke theoloog moet afleren consequent te zijn. We hebben onderscheid te maken tussen wat nog net wel en wat niet meer gezegd kan worden.

Met name bij de doop komt het erop aan van God uit te denken. Het wezen van de doop ligt in wat God doet. Híj verzekert en verzegelt. Híj bewijst zijn genade. Híj zet zijn beloften op onze naam: van de vergeving, van de doding van de oude en de opstanding van de nieuwe mens, van het kindschap Gods. Dat alles bezegelt Hij door dit sacrament. Daarom komt het er bij de doop níet op aan wie ik ben en wat ik doe, ook al word ik geroepen deze genade in het geloof te omhelzen.

Zodra echter onze inzet, onze bekering, onze toestemming, ons antwoord, onze schuldbelijdenis mede een rol gaan spelen in de bepaling van wat de doop ten diepste is, is zijn wezen geweld aangedaan en is genade geen genade meer. De noodzakelijkheid van het geloof mag er ons niet toe verleiden de essentie van de doop óók te zoeken in een bijdrage van onze kant.

Denken van God uit voorkomt dat we op het verkeerde moment op zich waardevolle noties zoals de verkiezing inbrengen; voorkomt dat we vreemde hulplijnen gaan trekken zoals de veronderstelde wedergeboorte. We moeten het aandurven om genade genáde te laten zijn en op allerlei aantijgingen over oppervlakkigheid, verbondsautomatisme e.d. met Paulus simpelweg te antwoorden: ‘Dat zij verre!’ Ook al komt Gods genade niet in alle gedoopten tot stand, ‘toch doet dit aan de betekenis van het sacrament niets af, hoewel alleen de gelovigen de werking ervan ervaren’ (Calvijn).

Toeëigening

Inderdaad, alleen de gelovigen. Dat zijn zij die Christus door een waar geloof worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen (HC Zondag 7). Hier stuiten we op het toeëigenende werk van de Heilige Geest, dat ons eveneens in de doop beloofd wordt. Gelukkig maar! Wij kunnen immers onszelf het geloof niet geven. Stel je voor dat wij voor het geloof moesten zorgen, nadat Christus voor de verlossing had gezorgd. Wij zouden alsnog verloren in de eeuwigheid staan. Nee, de Heilige Geest eigent ons toe wat wij in Christus hebben.

Hier blijkt de rijkdom van het feit dat in de doop God als de Drieënige op ons afkomt. Calvijn verwoordt dat mooi in zijn Institutie, wanneer hij in het kader van de doop schrijft: “Wij vinden in de Vader de oorzaak, in de Zoon de inhoud en in de Geest de uitwerking van zowel onze reiniging als onze wedergeboorte.”

Het is goed te beseffen dat voor Calvijn de wedergeboorte een ander woord is voor bekering, die in ons leven gestalte krijgt door de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. Die wedergeboorte wordt ons samen met de vergeving . schrijft de reformator in zijn catechismus . in de doop voorgesteld en wel zó dat de werkelijkheid van Gods heil ermee verbonden is. Hij werkt innerlijk wat zijn dienaar door een uiterlijke handeling afbeeldt en betuigt.

De Heilige Geest maakt dit alles effectief. Hij opent ons hart, komt erin wonen, verbindt ons aan Christus en doet ons zo Gods genade ontvangen. Hij troost ons met de belofte dat wij in de doop, zo verkeerd als we zijn, in Christus, de Gekruisigde en Opgestane, zijn overgezet en ingelijfd.

Het is de belofte van de objectieve, voorwerpelijke wedergeboorte. Zodra wij amen zeggen op deze belofte, deze genadige daad van God, is er sprake van de subjectieve, onderwerpelijke wedergeboorte. Dan vertrouwen wij dat God in Christus voor eeuwig onze genadige Vader is.

Het is als met een koning die een kind uit een roversbende tot zijn kind adopteert en opvoedt. Hij zet het kind als het ware over vanuit een wereld van misdaad en dood in een omgeving van leven en vrede. Als dat kind later wegloopt en zich weer aansluit bij zijn vroegere makkers, dan versmaadt het de genade van zijn weldoener en onterft zichzelf. Maar blijft hij bij zijn vorst en heeft hij hem lief, dan is hij ook innerlijk herboren tot een koningskind.

Appèl

Waar wij zo door Gods beloften omringd worden, kan ook het appèl klinken om deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest aan te hangen, te vertrouwen en lief te hebben, alsook om de wereld te verzaken, onze oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Of om het met Paulus te zeggen (Rom. 6:11): ‘Houd het ervoor dat u voor de zonde dood bent en levend voor God in Jezus Christus, onze Here.’

Te hoog gegrepen? Niet veel te idealistisch? Wordt hier wel voldoende rekening gehouden met de kracht van de overblijvende zonde en zwakheid? Is het “houd het ervoor” niet een verkapte vorm van wetticisme? Geen verschraling van het geloofsleven?

Maar Wie vraagt dit alles van ons? Wie stelt hier zijn eisen? De Drieënige, die geeft wat Hij beveelt, die nooit laat varen de werken van zijn handen, die door de Heilige Geest ons leven vernieuwt.

Neergeveld

Ondanks de verstrekkende en verzegelde beloften van God is er helaas ook de verschrikkelijke mogelijkheid van het ongeloof. Een mogelijkheid die in veler leven werkelijkheid is geworden. Een groot deel van het Oude Testament getuigt ervan. Er zouden veel minder profeten zijn opgetreden, als Israël niet alleen besneden zou zijn geweest van voorhuid, maar ook en nog veel meer van hart.

In het Nieuwe Testament schrijft Paulus aan de Romeinen (9:6): ‘Niet allen zijn Israël die uit Israël zijn.’ Dat wil zeggen: niet alle Israëlieten zijn échte Israëlieten. Nog aangrijpender zijn zijn woorden in de Eerste Corinthebrief (10:1-5): ‘Onze vaderen waren allen onder de wolk en gingen allen door de zee, werden allen in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee, maar in de meesten van hen heeft God geen welgevallen gehad: zij zijn neergeveld in de woestijn.’

Zijn deze woorden niet van toepassing op onnoemelijk veel gedoopten, tot op de dag van vandaag? Hoeveel kinderen van het verbond gingen al niet voor eeuwig verloren, ook van godvrezende ouders? Zo gaat in vervulling wat Christus zelf ooit zei: “De kinderen van het Koninkrijk zullen buitengeworpen worden in de buitenste duisternis” (Matth. 8:12). Tegen zijn rebellerende kinderen zal God in het laatste oordeel zeggen: “Ga weg van Mij! Ik heb u nooit gekend.”

Er zijn dus tweeërlei kinderen van het verbond. Juist die wetenschap brengt menige ouder aan de troon van Gods genade, waar hij worstelt voor zijn kind dat de weg van het geloof niet gaat, opdat het net als de verloren zoon huiswaarts zal keren.

Rots

Eén ding is zeker: wie doorgaat op zijn doop, wie God houdt aan de beloften die door de sacramenten zijn betekend en verzegeld . die is op de Rots der eeuwen gebouwd. De poorten der hel zullen hem niet overweldigen. Daarvan verzekert ons de doop.

Kunnen we in onszelf ook niet de zekerheid bevinden dat Gods beloften ons ten goede komen? Dat kan. Bijvoorbeeld als we last hebben van onze zonden, als we merken dat ons hart naar Christus trekt, als we niet zonder God kunnen, als we zin hebben om voor Hem te leven en zijn wil te doen. Stuk voor stuk kenmerken van Gods genade in ons leven, bewijzen dat de doop een zegel is van Gods verbond met ons.

Maar wát als de twijfel aan de echtheid van deze kenmerken en van onze ervaring toeslaat? Waar kunnen we dan voor anker? In onze doop! In de aanvechting en in de beproeving raken wij altijd alles kwijt. Vaak zit daar heel veel tussen waarvan wij dachten er houvast in te vinden. Wie echter de grond zoekt in de vaste en zekere beloften van God, houdt alles over, ook al raakt hij alles kwijt.

Wat rest ons anders dan dag in dag uit te leven uit onze doop, waarin de God en Vader van onze Here Jezus Christus ons betuigde onze Vader te zijn, waarin Christus ons beloofde ons te wassen met zijn bloed en waarin de Geest ons verzekerde ons in alle waarheid te leiden. Daar pleit aan onze kant alles tegen. Daar legt de boze een rookgordijn omheen. Daarom kunnen wij het vaak niet geloven dat wij Gods kinderen zijn, van eeuwigheid door Hem aangenomen en bemind.

Krijgt hier het sacrament van de heilige doop niet zijn volle betekenis en kracht als zichtbaar bewijs van Gods genade en liefde?! Zo zeker we gewassen zijn met het water van de doop – zo zeker zijn we gereinigd door Christus’ bloed van al onze zonden en van al onze twijfels. Vader, Zoon en Geest hebben tot een eeuwig waarmerk daarvan hun goddelijke naam op ons voorhoofd geschreven.

En lig ik straks op mijn sterfbed en houdt de duivel mij al mijn zonden voor, dan zal ik hem gelijk geven. Maar ik zal in geloof de hand leggen op mijn voorhoofd, daar waar het water van de doop werd gesprenkeld, en ik zal zeggen: “Ik weet: mijn Verlosser leeft! Want ik ben gedoopt!”

Nee, Wasser thut’s nicht. God doet het, door de doop.

H.J. Lam, Ridderkerk