Terug naar Ecclesianet.nl

Wasser thut’s nicht. Over de kracht van de doop (1)

Wijnvat

Ergens in de Pfalz bevindt zich in een kelder een reusachtig wijnvat waarop te lezen is: “Schon Doktor Luther spricht, Wasser thut’s nicht”. Voor de wijnboeren is dat uiteraard een aanbeveling voor de drank die ze hebben gebotteld. De reformator bedoelde zijn woorden natuurlijk vele malen ernstiger en dieper. Hij legde zó sterk de nadruk op het geloof waarmee wij de doop moeten ontvangen, dat hij het heil niet vond in de doop op zich; nee, slechts de in het gelóóf ontvangen doop doet het: die werkt. Daarmee wordt niet bedoeld dat het geloof zaligmakend is. Allerminst. Het geloof draagt niets bij aan het heil. Het geloof is slechts de weg waarlangs wij in het heil delen. Dat geloof is te danken aan de Heilige Geest, doordat Hij het Woord van God met vurige vlammen in ons hart schrijft.

Inderdaad, het Woord. Dat Woord is een Woord vol beloften. Op die beloften richt zich het geloof. Aan die beloften klemt het zich vast. Dat zit hem niet allereerst in de hechtingskracht van het geloof, maar in de aantrekkingskracht van de beloften.

Hun aantrekkingskracht wordt versterkt in en door de doop: daardoor worden de beloften op naam van de gedoopte gezet, door niemand minder dan de Drieënige God zelf, om hem te verzekeren van zijn heil in Christus en van de gave van de Geest. Tegelijk geeft de doop een impuls aan de hechtingskracht van het geloof.

Noot

Nogmaals, de doop zelf “thut’s nicht”. Pas door het Woord, nauwkeuriger: door de doopformule wordt het water een instrument waarmee God ons binnen de cirkel van het heil trekt. Augustinus bracht dat kernachtig onder woorden, toen hij zei: als het verbum (= woord) bij het elementum komt, wordt het een sacramentum. In het verlengde daarvan schreef Luther: “God zelf verbindt aan de doop zijn eer en legt er zijn eigen kracht en macht in. Daarom is het niet alleen natuurlijk water, maar goddelijk, hemels, heilig en zalig water.”

Daarom overspelen we onze hand niet als we stellen dat er in en door de doop terdege iets gebeurt. De doop is meer dan een symbolische handeling, meer dan een teken. Van een noot – zegt Luther – zie je alleen de dop, maar Gods inzettingen moet je anders bekijken; die moet je niet beoordelen naar hun grove buitenkant, maar naar wat erin zit: Gods Woord.

Tegelijkertijd vaart hij uit tegen de wederdopers, die er steeds op hameren dat men behouden wordt door het geloof alleen. Dat weet ik best, zegt Luther. Daar getuigt de spreuk op het wijnvat wel van: “Wasser thut’s nicht”. Maar het gaat volgens de reformator niet in de eerste plaats om het geloof. Waar gaat het dan wel om? Dat het geloof iets heeft waarop het staat en steunt. Dat is het water, dat op zichzelf niets betekent, maar waaraan God wel zijn naam en zijn belofte verbonden heeft.

Sacramenteel

Om een en ander zorgvuldig te verwoorden is het goed twee begrippen uit de sacramentstheologie naar voren te schuiven. Het eerste begrip is sacramentele spreekwijze. Dat wil zeggen: de sacramenten spreken hun eigen taal. Deze taal moet zoals elke taal geleerd en geoefend worden. Anders ontstaan er spraakverwarring en onbegrip.

In de gebeden van ons doopformulier treffen we van deze sacramentele spreekwijze mooie voorbeelden aan: “Wij bidden U dat U deze kinderen door uw Heilige Geest in uw Zoon Jezus Christus wilt inlijven, opdat zij met Hem in zijn dood begraven worden en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven”. Dat inlijven – zo is de gedachte achter deze woorden – geschiedt op het moment dat de doop bediend wordt.

Wanneer de doopouders hun doopgelofte afleggen, wordt bij de eerste vraag de sacramentele taal even losgelaten: “Belijdt u dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten van zijn gemeente gedoopt behoren te wezen?” Dus niet: geheiligd door de doop; maar: geheiligd en daarom gedoopt.

In het dankgebed wordt weer sacramenteel gesproken: “Wij danken en loven U dat U ons en onze kinderen door het bloed van uw lieve Zoon Jezus Christus al onze zonden vergeven en ons door uw Heilige Geest tot lidmaten van uw eniggeboren Zoon en zo tot uw kinderen aangenomen hebt.” Dat is gebeurd tijdens de doop. Vandaar de toevoeging dat God ons de vergeving, de inlijving en de adoptie tot zijn kind “met de heilige doop verzegelt en bekrachtigt”.

Hoor je iemand dus sacramentele taal spreken, dan is het alsof hij alles aan het sacrament zelf toeschrijft: het is de doop die onze zonden afwast, het zijn brood en wijn die ons met Christus verbinden. We zullen straks nog meer voorbeelden noemen.

Unie

Het tweede kernbegrip, dat vlak tegen het vorige aan ligt, is sacramentele unie. Dat wil zeggen: het teken en de zaak die wordt betekend worden als één gezien. Er is een vereniging, een unie van teken en betekende zaak.

Die eenheid moeten we niet grof realistisch opvatten, iets waartoe de Rooms-Katholieke Kerk zich heeft laten verleiden. Evenmin mogen we haar vervluchtigen, wat in de Hervormde Kerk in de negentiende eeuw meer dan eens gebeurde. Zo was er een predikant die bij de bediening van de heilige doop de doopformule niet gebruikte, maar bij het besprenkelen met het water zonder scrupules zei: “Deze druppel water doet het niet”, waarna hij de dopelingen voor gedoopt verklaarde.

Zoals gewoonlijk is het ook nu Calvijn die evenwichtig het geheim van een en ander vertolkt: “De kracht en het gebruik van het sacrament wordt op de juiste manier verstaan door degene die de zaak en het teken zó verbonden ziet dat hij het teken niet betekenisloos en krachteloos maakt; en die toch het teken niet zó vereert dat hij de Heilige Geest ontneemt wat zijn werk is.”

Er schuilen geen mysterieuze krachten in het doopwater, als zou dat onze zaligheid bewerken. Wasser thut’s nicht. Tegelijk minachten wij het doopwater niet, want de Geest gebruikt het om ons te verzekeren en te verzegelen.

Fontein

Wij schrikken meer dan eens terug voor de sacramentele taal. Begrijpelijk. Zij klinkt nogal verheven en gewaagd. Onze Heidelberger heeft er echter geen moeite mee, evenmin predikers als Luther, Calvijn, Kohlbrugge. Nog belangrijker is dat de Schrift er niet voor terugschrikt. We willen dat nagaan.

Alleen al het doopbevel is een prachtig voorbeeld van de sacramentele spreekwijze. Dat bevel bevat namelijk indrukwekkende beloften, beloften van de volle genade en gemeenschap van God. Het opent een machtige fontein van heil. Want gedoopt worden “in de naam van” betekent niet alleen in opdracht van; het is een overgeschreven worden op de naam van; het is vooral een ondergedompeld worden in de naam van, dat wil zeggen: in het wezen van. Het is een opgenomen worden in de liefde van Vader, Zoon en Heilige Geest. Zo bezegelt God zijn genade, aan iedereen persoonlijk die de doop ontvangt.

Er staan nog meer teksten in de Schrift die de taal van het sacrament spreken. Ik denk aan Paulus’ woorden in Titus 3:5, aangehaald door de Catechismus in antwoord 71: “God heeft ons zalig gemaakt, niet op grond van onze rechtvaardige werken, maar naar zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing door de Heilige Geest.” Welke hoge kwalificatie geeft Paulus hier aan de doop: bad van de wedergeboorte en van de vernieuwing door de Heilige Geest! En door dat bad, Titus, heeft God ons zalig gemaakt, gered. Nee, “Wasser thut’s nicht”. Maar Paulus formuleert het wel op deze manier.

Een andere tekst waarin teken en betekende zaak ineen worden geschoven is Handelingen 22, ook aangehaald in antwoord 71: “Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen.” Het lijkt wel alsof het uiterlijk waterbad van de doop de afwassing van de zonden zelf is. Dat is het natuurlijk niet, want “Wasser thut’s nicht”. Maar Ananias zei het zo wel tegen Paulus, toen hij in Damascus zat bij te komen van de ontmoeting met de verheerlijkte Christus.

Imponerend

Er zijn nog meer teksten te noemen uit het Nieuwe Testament die direct of indirect verwijzen naar de doop. Johannes 3:5: “Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.” 1 Corinthe 6:11: “Onrechtvaardigen zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. Sommigen van u zijn dat wel geweest, maar u bent schoongewassen, u bent geheiligd, u bent gerechtvaardigd, in de naam van de Here Jezus en door de Geest van onze God.”

Ook de Hebreeënbrief (10:22) verbindt de innerlijke en uiterlijke doop en afwassing uitdrukkelijk: “Laten wij tot Christus naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.”

Een van de meest imponerende teksten treffen we aan in Romeinen 6. Daar bindt Paulus ons op het hart dat wij door de doop met Christus begraven zijn en dat wij op basis van die doop het ervoor mogen houden dat wij dood zijn voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. In Colossenzen 2 en 3 spreekt hij op een zelfde manier over de doop.

Onderschat

Op grond van deze Schriftwoorden mogen we aan de doop dus een machtige en heerlijke werking toeschrijven. Gebeurt dat ook? Helaas is menigeen ingeprent dat Gods Woord in de Schrift wel waarheid is, maar geen belofte, geen heilsboodschap voor degene die de belofte wordt toegezegd, behalve als er een aparte persoonlijke tekst of een bepaalde ervaring regelrecht van Godswege in het hart komt. Maar zo worden Woord, sacrament en heilsbelofte uiteengescheurd.

Gevolg is dat men de sacramentele taal verleerd is, dat men met de sacramentele unie amper raad weet en dat de doop schromelijk onderschat wordt.

Daarentegen laat de Roomse Kerk genoemde Schriftwoorden volop gelden. Men aarzelt niet om te zeggen dat de doop er is tot vergeving der zonden, dat de doop de zonden afwast, dat de doop wedergeboren doet worden, dat de doop de oude mens doodt en begraaft en de nieuwe mens doet leven, dat in de doop de oude mens als een vuil, oud kleed wordt uitgedaan en de nieuwe mens aangedaan. Volop schriftuurlijke taal! Daaraan doen we tekort als we in de doop niet meer zien dan een mogelijkheid om vergeving te ontvangen, een mogelijkheid om wedergeboren te worden.

Spannend

Nu wordt het spannend. Want al neemt Rome de Schriftwoorden over de doop ten zeerste serieus, men houdt onvoldoende rekening met het feit dat de taal van de doop sacramentele taal is en dat het teken niet hetzelfde is als de betekende zaak. Met andere woorden: de doop wordt overschat. Het is immers niet zo dat de doop automatisch werkt, dat hij letterlijk de erfzonde wegneemt (wat Rome leert) en ons de genade ingiet. “Wasser thut’s nicht.”

Van de weeromstuit is de ultra-orthodoxie aan de andere kant van het schip gaan hangen: de beloften van de doop gelden alleen de uitverkorenen. Dat is bijvoorbeeld de opvatting van ds. G.H. Kersten, zij het nog niet zo uitgesproken als van zijn navolgers.

In de verklaring van vraag en antwoord 73 gaat het – zo lezen we in Kerstens Catechismusverklaring – om twee dingen: de doop leert en verzekert. Bij het leren durft hij nog wel een enkele keer te zeggen “wij”, maar als het gaat om het verzekeren, dan spreekt hij slechts over Gods volk en over de uitverkorenen. Niet ieder kind dat het zegel van het verbond ontvangt, heeft recht op Gods beloften; slechts de kinderen die in Gods soevereine verkiezing daartoe zijn afgezonderd, worden opgenomen in het genadeverbond. Het “ons”, het “wij”, het “deze kinderen”, het “in Christus geheiligd zijn” uit het doopformulier slaat alleen op de uitverkorenen. Alleen aan hen wordt in de doop de genade verzegeld. Daarin delen zij nog slechts ‘voorwerpelijk’ (in uiterlijke zin). De echte, onderwerpelijke inlijving in het verbond vindt plaats op het moment van de wedergeboorte.

Bij dr. C. Steenblok liggen deze zaken nog weer explicieter, om niet te zeggen extremer. Een niet-uitverkoren gedoopte mag niet pleiten op zijn gedoopte voorhoofd. De betekenis van dat gedoopte voorhoofd is dat de weg der zaligheid hem of haar bekend is gemaakt, opdat men niet te verontschuldigen is; meer niet. Daarom is het niet geoorloofd – zoals enige tijd geleden in het RD te lezen was – tegen gedoopten te zeggen: God wil je Vader zijn. Dat is een dwaling. De beloften moeten wel voorgesteld worden, maar pleiten op de belofte is een geloofswerk en dat kan alleen door gelovigen worden gedaan.

H.J. Lam, Ridderkerk