Terug naar Ecclesianet.nl

Epifanie, waarom de wijzen knielden en aanbaden

Maandag 6 januari jl. was het in het kerkelijke jaar de dag van Epifanie ofwel de christelijke feestdag waarop herdacht wordt dat de wijzen uit het Oosten in Bethlehem het kind Jezus hebben aanbeden.

“En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder en zij vielen neer en bewezen Hem hulde”, lezen we in het Evangelie van Mattheus. Voor ‘hulde bewijzen’ kan men ook lezen ‘aanbaden het’. De evangelist bericht ook dat zij hun schatten openden en geschenken brachten aan het Kind en zo aan de heilige familie: goud, wierook en mirre.

Een gewoon Kind?

In de eeuwen die achter ons liggen, is over deze stof in de wereldkerken talloze keren gepreekt. Zelf heb ik meerdere keren deze stof behandeld. Steeds weer liep ik tegen dezelfde vragen aan. Een van de vragen die ik me altijd weer stelde, was: wat maakte dat deze mannen die van vorstelijke komaf waren, knielden daar in de stal?

In sommige kerstvertellingen en preken werd me voorgehouden dat de wijzen niets bijzonders aantroffen in de stal of het huis waar ze kwamen, of het moest de armoede en schamelheid zijn. Over de herders wordt vaak hetzelfde beweerd. Het Kind dat ze zagen was een gewoon kind, niet anders dan alle andere pasgeboren kinderen.

In eerste instantie lijkt dat zo te zijn. Onwillekeurig wordt deze zienswijze verbonden met het feit dat God zich in Jezus vernederde en zo één van ons werd – in niets uitgezonderd. Vanuit dit gezichtspunt kun je er als vanzelf toe gebracht worden om te veronderstellen dat er in Bethlehem dus niets bijzonders aan het Kind viel op te merken. Deze gedachte wordt misschien ook gevoed door een onbewust verzet tegen een al te romantisch beeld zoals je dat soms ziet op fondantachtige kerstkaarten.

De predikant die zo het kerstevangelie benadert, krijgt bij deze interpretatie bovendien gelegenheid om de gemeente iets voor te houden, dat makkelijk in het gehoor lijkt te liggen: de wijzen hadden om te geloven alleen het Woord. Daar moesten ze het mee doen. Ze moesten geloven dat het Kind in de kribbe de Zoon van God was, terwijl er niets aan hem te zien was. De toepassing is dan snel gemaakt: ook wij moeten op grond van het Woord geloven, terwijl we niets zien. Ook van ons wordt gelóóf gevraagd!

De genoemde uitleg, die maar al te vaak gehoord wordt, heeft iets heel onbevredigends. Het is zeer de vraag of zij recht doet aan de werkelijkheid en of er niet al te makkelijk een dogmatisch raster over deze teksten gelegd wordt. Hebben de wijzen werkelijk niets gemerkt van wat Johannes in zijn evangelie onder woorden bracht: “Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid gezien”?

De herders

Misschien kan het ons helpen als we de geschiedenis van de herders in onze uitleg betrekken. Van hen lezen we dat zij overal verkondigen wat zij gehoord en gezien hadden nadat zij de stal van Bethlehem verlaten hadden. Ze vertellen de mensen dat het zo was zoals de engel het hun in de geboorteaankondiging verteld had. Nu had de engel gezegd dat ze het Kind zouden vinden, gewikkeld in doeken en liggend in een kribbe. Zo was het ook geweest. Maar in deze aanwijzingen lag niet de kern van zijn boodschap, die de jubel van herders veroorzaakte. De herders zullen niet zozeer hoog opgegeven hebben van de kribbe. De engel had méér verteld!: ‘U is heden geboren de Zaligmaker, de Christus, de HERE.’ Drie weergaloze woorden nam de engel in de mond, waarbij het zwaartepunt op het laatste lag: de HERE. In het Grieks staat het woord ‘kurios’, de naam die in het Oude Testament (de LXX) gebruikt wordt voor God zelf. Welnu, zoals de engel het zei, zó vonden ze het, zó zagen ze het! En dat vertelden ze overal!

Wat zagen zij? Iets van de heerlijkheid van God in dit Kind. Er is niemand geweest die dit zo sterk beseft heeft als Rembrandt. Zijn schilderij ‘de aanbidding van de herders’ laat dat zonder meer zien. We zien het Kind liggend in de kribbe vlak voor Maria. Het licht dat in de stal schijnt, komt hoofdzakelijk bij het Kind zelf vandaan. Het merkwaardige is dat het licht iets goddelijks en tegelijk iets natuurlijks heeft. Het markeert het heilige, dat zich meedeelt aan de omgeving. Het knielen in verwondering en aanbidding van de herders is vanwege het licht dat in en om dit Kind te vinden is, bijna vanzelfsprekend.

Rembrandt laat in het schilderij zien dat het Licht der wereld geboren is. En hij laat zien hoe de herders daarvan getuigen zijn geweest.

Liederen

We vragen ons opnieuw af: kan dat? Een feit is dat de gemeente van Christus het eeuwenlang zo begrepen heeft en er ook zo van gezongen heeft. In tal van kerstliederen komen we het dubbele tegen dat doet denken aan het licht en donker (clair-obscur) waarmee Rembrandt het gebeuren in Bethlehem weergeeft. Intuïtief of bewust heeft de gemeente daarvan gezongen. Ik wijs onder meer op het bekende kerstlied: ‘Komt, verwondert u hier mensen’:

Komt, verwondert u, hier mensen,
ziet, hoe dat u God bemint,
ziet vervuld der zielen wensen,
ziet dit nieuwgeboren Kind!
Ziet die ’t Woord is zonder spreken,
ziet, die vorst is, zonder pracht,
ziet die ’t al is in gebreken,
ziet die ’t licht is in de nacht.
Ziet die ’t goed is dat zo zoet is,
wordt verstoten, wordt veracht.

Het is vooral in de Engelse traditie waar deze tweeslag in tal van liederen is verwoord: Ik citeer er enkele:

Shepherds in the fields abiding
Watching o’er your flocks by night,
God with man is now residing;
Yonder shines the infant Light.1

Of:

Christ, by highest heaven adored
Christ, the everlasting Lord,
Late in time behold him come
Offspring of the Virgin’s womb;
Veiled in flesh the Godhead see;
Hail, the incarnate Deity!
Pleased as man with man to dwell,
Jesus, our Emmanuel.2

Ik wijs ook op een strofe uit Luthers prachtige kinderlied ‘Vom Himmel hoch da komm ich her’, waarin hij een van de herders het volgende laat zeggen:

Merk auf, mein Herz, und sieh dorthin;
Was liegt doch in dem Krippelein?
Wer ist das schöne Kindelein?
Es ist das liebe Jesulein

Und wär die Welt vielmal so weit,
von Edelstein und Gold bereit’,
so wär sie doch dir viel zu klein
zu sein ein enges Wiegelein.

Der Sammet und die Seiden dein,
das ist grob Heu und Windelein,
darauf du, König gross und reich
herprangst, als wär´s dein Himmelreich3

De wijzen

Wat voor de herders gold, zal ook gegolden hebben voor de wijzen. Hoe het hun vergaan is, vertelt Mattheüs. Ze waren op reis gegaan vanwege een ster, die leek te zeggen dat er een koning geboren was in Israël. Ze komen in Jeruzalem en doen navraag. Daar blijkt niets bijzonders gebeurd te zijn. Ze worden op grond van de profetie gewezen op Bethlehem. Bij het verlaten van Jeruzalem zien ze de ster opnieuw in de richting van Bethlehem. Het verheugt hen buitengewoon. Dan komen ze in Bethlehem en vinden het onderkomen van Jozef en Maria. En zo vinden ze het Kind.

In het licht van het voorgaande kunnen we wat dan volgt gemakkelijker begrijpen. Van deze drie fiere mannen (zo worden ze in de traditie gezien – en niet ten onrechte) staat letterlijk: “En binnenkomend in het huis zagen zij het kind met Maria zijn moeder en neervallend aanbaden zij het.” Het is alsof de evangelist ons iets mee laat beleven van het abrupte van dit gebeuren. Alsof hen deze houding afgedwongen wordt.

Nog eens: hoe kon dat bij deze mannen van statuur? Als dit Kind een gewoon kind zou zijn en meer niet? Zij die de sterren zagen en aftuurden en die de hele reis maakten – zou het voor hen geen anticlimax zijn als ze ‘slechts’ een gewoon kind zagen? In het licht van wat ik schreef over de herders kan het zo niet zijn.

Hoe is het dan wel geweest?

Een wijze vertelt

Vorige week kreeg ik een briefje van een bevriende predikant dr. Fritz Neugebauer uit Wittenberg, die dat in één zin duidelijk maakte. Enkele jaren geleden leerde ik hem kennen tijdens het symposium ter ere van de 80e verjaardag van Martin Hengel. Ooit was hij hoogleraar in de theologie. Hij was jarenlang predikant in de DDR. Veel heeft hij me over die periode verteld, niet in het minst toen mijn vrouw en ik hem ruim drie jaar jaar geleden bezochten in Wittenberg, waar we samen op zondagmorgen in de Stadtskirche ter kerke gingen, de kerk waar Maarten Luther doorgaans het Woord bediende.

Ds. Neugebauer die inmiddels ver in de zeventig is, is een uiterst fijnzinnig mens. Moed en fijnbesnaardheid kenmerken hem. Daarbij is hij een zorgvuldig exegeet, die zeer goed thuis is in de Griekse taal, waardoor hij uit de Bijbel verrassende dingen weet op te diepen. Op zijn naam staat een mooi boekje over het ‘Onze Vader’. Hij was een begenadigde prediker, die zijn gehoor wist te boeien. Ook jonge mensen, zeker omdat hij goed kon vertellen.

Hij schreef me een nieuwjaarswens. In de enveloppe waren twee korte verhalen bijgevoegd, die hij onlangs schreef ter gelegenheid van het Weihnachtsspiel voor kinderen in een kleine gemeente in de buurt van Wittenberg. De gemeente telt niet veel kinderen. Hij schreef daarom een dialoog tussen een herder en iemand uit Israël. Twee kinderen konden het voorlezen. De man uit Israël ontmoet de wijze en stelt hem vragen. Al lezend was ik benieuwd wat dr. Neugebaur zou zeggen over de ervaring van de wijzen in Bethlehem. Ik had het gevoel: ‘als iemand dit kan peilen, dan hij, begenadigd verteller en christen als hij is.’

Ik geef het verhaaltje helemaal weer en cursiveer de zinnen waar het mij vooral om te doen is. “Een wijze vertelt de kerstgeschiedenis.

(Van achteren komt een vreemdeling, misschien met een tulband op, naar voren).

Letterlijk schreef ds. Neugebauer over de ontmoeting in Bethlehem:

Schon als wir den Stall betraten, spürten wir die Nähe Gottes. Dr. Neugebauer heeft het bij het rechte eind.

Ooit schreef de Duitse geleerde Rudolph Otto een prachtig boek met de mooie titel ‘Das Heilige’. Hij typeerde het heilige als het mysterium tremendum ac fascinosum, het mysterie waar je voor beeft en dat je aantrekt. Het heilige kun je voelen, opmerken. Het gevolg ervan is dat je beseft dat God nabij is, zoals dat bij Mozes het geval was toen hij de braamstruik zag branden. Hij betrad heilige grond. Toen de wijzen de stal betraden, voelden ze iets van Gods nabijheid. God was inderdaad nabij. Ze merkten dit, werden gewaar dat God nabij was. Hoe kan het ook anders, waar dit Kind Immanuël heet: ‘God met ons’?

Dat verklaart waarom de wijzen voor dit Kind neervielen en het aanbaden. Het heeft van hen andere mensen gemaakt. De aanbidding tilde hen op, boven het gewone leven uit en verbond hen aan Christus, zoals zo prachtig beschreven is in het slot van een gedicht van T.S. Elliot waarin eveneens een van de wijzen terugblikt en het volgende zegt:

Dit alles was lang geleden, ik weet het nog goed en ik zou het opnieuw doen, maar schrijf op schrijf dit op
Dit: Moesten wij heel die lange weg gaan voor Leven of Dood ? Er was Nieuw Leven, dat zeker, We hadden het bewijs, geen twijfel mogelijk. Ik had leven en dood gezien,
maar toch gedacht dat het anders was; dit Nieuwe Leven was
een hard en bitter lijden voor ons, zoals de Dood, onze dood.
Wij keerden terug naar huis, een ieder naar zijn Koninkrijk,
maar niet langer op ons gemak, in de oude bedeling, temidden van vreemd volk, dat zich vastklampt aan hun goden...
Ik zou blij zijn met een andere dood.

H. Klink, Hoornaar

Noten

1 Herders die in ‘t veld verblijven die uw kudde ‘s nachts bewaakt: God zetelt nu onder de mensen Ginds daar schijnt het licht van ‘t Kind
2 Christus, aanbeden door de hoogste hemelen, Christus, de Heer voor eeuwig Zie Hem komen in het laatst der tijden Nakomeling uit de schoot van de maagd Zie God gesluierd in ‘t vlees, Heil aan de vleesgeworden God! ‘t behaagde Hem als mens onder de mensen te verblijven Jezus, onze Immanuel.
3 Evt. Liedboek of Gezangenbundeltekst.
4 Es war seltsam. In einem Stall lag in einer Futterkrippe ein neugebornes Kind. Das war geheimnisvoll und wundersam. Maria und Josef, die Eltern, wussten erst nicht, was sie sagen sollten.
5 Schon als wir den Stall betraten, spürten wir die Nähe Gottes. Wir mussten einfach niederknien und beten und legten an der Krippe unsere Gaben und Geschenke nieder.