Terug naar Ecclesianet.nl

De Ekklesia en de historie (II)

In het vorige artikel heb ik aandacht gevraagd voor de Franse rechtsfilosofe Blandine Kriegel. Zij diepte op aanraden van haar leermeester Michel Foucault de gedachten op van een vergeten rechtsschool in Frankrijk waarvan de belangrijkste vertegenwoordigers de benedictijnse monnik Jean Mabillon (1632-1707) en de geleerde Jacob Nicolas Moreau (1717-1803) waren. Moreau maakte de Franse Revolutie mee. Hij was – anders dan Mabillon – geen geestelijke.

Wat vooral Moreau interessant maakt, is dat hij grote invloed heeft gehad op de jonge Groen van Prinsterer. Groen heeft zich sterk door Moreau’s historisch onderzoek laten leiden. Via Groen heeft de christen- democratie dus veel aan Moreau te danken – zonder dat zij zich daar doorgaans van bewust is. In feite kunnen we zeggen dat door toedoen van Groen en anderen, de historische kennis die Moreau opdiepte, door de Franse Revolutie niet volledig is weggevaagd.

Franse Revolutie

Ik zeg het met opzet zo: niet volledig is weggevaagd. Want wat Moreau met zijn historische studie voor ogen had, is er niet van gekomen. Hij beoogde namelijk een handreiking te doen aan de Franse koning, Lodewijk XVI, op grond waarvan deze het Franse staatsbestel zou kunnen hervormen – gelet op de terechte grieven die er in de 18e eeuw (de eeuw na Lodewijk XIV!) in Frankrijk alom waren. Het is de tragiek van de Franse geschiedenis dat er in de 18e eeuw goede aanzetten waren om tot een hervorming van het staatsrecht te komen, maar dat de vloedgolf van de Franse Revolutie deze pogingen volstrekt onvruchtbaar hebben gemaakt. De eerste vruchtzetting werd door de storm die in 1789 opstak en door de hagelstenen die toen vielen ruw verstoord. De revolutionairen trokken de macht naar zich toe. Zo bleven de boeken van Moreau zo goed als vruchteloos liggen. Het staatsrecht werd gestoeld op de ideologie van de rechten van de mens, die gegrond waren op de verabsolutering van de Rede, die men als god vereerde.

Jean Mabillon

Ik ken geen boek dat zo’n goed inzicht geeft in hoe een en ander heeft kunnen gebeuren als de vier delen die mevrouw Kriegel gewijd heeft aan het thema van de geschiedenis en het recht, getiteld L’histoire á l’Age classique (1988). Zoals ik in het vorige artikel naar voren bracht, begint zij haar studie met de herontdekking van de historie en de filologie in de 15e en 16e eeuw: de eeuw van het humanisme en van de Reformatie.

We zagen dat het parool ‘terug tot de bronnen’ een belangrijke impuls gaf aan de Reformatie. Zowel Luther als Calvijn waren er door ‘aangeraakt’. Sinds de 16e eeuw werd weer volop het Grieks en Hebreeuws gelezen. De oorspronkelijke boeken van Plato en Aristoteles, de tragedies van de Griekse en Romeinse schrijvers, de staatsrechtelijke geschriften van Cicero en Seneca werden bestudeerd en raakten in de wereld van school en universiteit bekend. Dat gold voor alle landen in Europa, ook voor Nederland. Iemand hoeft maar te grasduinen in bijvoorbeeld de werken van de dichter Vondel om te ontdekken welk een wijsheid men eruit opdiepte.1

Door de herontdekking van de historie en de Schrift werden kerk en staat vanuit de oorsprong opnieuw gefundeerd. Mevrouw Kriegel spreekt van een condordaat tussen de historie (en de filologie), het geloof en het recht. De herontdekking van de historie gaf dus nieuwe kracht aan het geloof en bood gelegenheid tot hervorming van het staatsrecht.

En toch – hoe vruchtbaar deze herontdekking ook was – de studies van mevrouw Kriegel zijn onder andere bedoeld om te laten zien hoe dit concordaat in de 17e en 18e eeuw wreed verbroken werd door de opkomst van de filosofie. Dit is vooral op het conto te schrijven van twee 17e eeuwse filosofen: René Descartes (1596 -1650) en Baruch de Spinoza (1632 -1677). Behalve aan deze twee filosofen besteedt mevrouw Kriegel vooral aandacht aan Jean Mabillon, die een tijdgenoot van hen was. Bijzonder en origineel is het dat zij hen met Mabillon vergelijkt!

In een tijd waarin Europa op kerkelijk en staatkundig gebied naar evenwicht zocht, wees Mabillon op het belang van de bestudering van geschiedkundige bronnen. Wat hem daarbij voor ogen stond, was een hervorming van het recht op grond van geschiedkundige feiten, waaraan men rechten kon ontlenen.

Zonder dat hij het wist bepleitte hij datgene, waar een eeuw voor hem ook Luther een lans voor gebroken had. Mabillon zou zich verheugd hebben als hij bij Luther gelezen had wat deze in 1524 de burgemeesters in Duitsland aanraadde: scholen te stichten waarin daartoe bekwame jonge mensen vertrouwd zouden raken met de Griekse taal, het Latijn en het Hebreeuws. Vooral pleitte Luther voor bestudering van oude kronieken en geschiedenissen (of ze nu van Griekse of van Romeinse herkomst zijn), “Want deze zijn buitengewoon nuttig om de loop van de wereld te kennen en daarin te kunnen ingrijpen, ja ook om Gods wonderen en werken te zien.”

Maar Mabillon ging verder dan Luther. Hij gaf er zich rekenschap van dat de geschiedbeoefening wetenschappelijk verantwoord moest zijn. Hij ontwikkelde daarvoor een eigen methode. Kennis van de historie komt tot stand door bronnenonderzoek. Voor dit onderzoek is filologie van grote betekenis. Hij stelde het zich tot taak om samen met zijn benedictijnse ordebroeders een project te beginnen dat moest leiden tot het verzamelen en bestuderen en codificeren van die bronnen, die van betekenis zijn voor de kerk en voor de rechten van de burgers, van de adel, de steden en van de koning. Mabillon schreef een handleiding waarin hij zijn methode van onderzoek verantwoordde en aangaf hoe men bronnen kon authentificeren en zo tot waarheid kon komen. Waarheidsvinding op grond dus van nauwgezette en eerlijke studie.2

René Descartes

Mevrouw Kriegel slaat de weg die Mabillon wees hoog aan, dit vooral met het oog op de in zijn dagen dieper wordende kloof tusssen Rome en de Reformatie, maar ook met het oog op de ketterijen die zich in zijn tijd voordeden: die van het socinianisme en het arminianisme. De kerkelijke wereld was verdeeld. Ook voor het staatsrecht was Mabillon van betekenis. In Frankrijk regeerde Lodewijk XIV met harde hand, hetgeen protesten uitlokte bij de parlementen, die tegenwicht wilden bieden aan zijn absolutisme. Bestudering van de historie kon in het licht stellen waar de rechten en plichten van de koning en de parlementen lagen.

Maar het project stuitte op onbegrip en liep vast. Mevrouw Kriegel vertelt waardoor. Anderen trokken de aandacht en zetten de toon. Dat gold voor Descartes en vooral voor Spinoza. Descartes zocht de waarheid in een denkproject waarbij de indivuele mens louter rationeel zocht naar houvast. Hij vond dat houvast in zijn denken, waarmee hij het bestaan van God kon ‘bewijzen’. Maar dit bestaan van God fundeerde hij louter rationeel. Hij isoleerde zich voor wat betreft het vinden van de waarheid volledig van die grootheden die voor Mabillon van grote betekenis waren: de historie en de filologie. Voor beide had Descartes weinig goede woorden over, sterker hij keek er met een zekere dédain naar. Waarom zou men Grieks en Latijn kennen en de geschiedenis bestuderen? Het was voor het vinden van de waarheid nutteloos. Zo baande Descartes de weg voor Spinoza, die in 1670 zijn befaamde boek Theologisch-politiek traktaat publiceerde.

Spinoza

Spinoza staat de laatste tijd weer volop in de belangstelling. Voor Jonathan Israël (zie zijn boek Radikale Verlichting, 2005, Wever van Wijnen, Franeker) is Spinoza de meest centrale figuur van de Verlichting. Israel laat zien welk een schok Spinoza’s werk teweeg bracht bij de calvinisten. Dat gold ook voor de Coccejanen. Spinoza’s boek kreeg al snel bekendheid, ook in Frankrijk waar het op grote weerstand stuitte bij de Franse hofprediker en kardinaal Bossuet, toentertijd ‘de kampioen van de orthodoxie’.

Dat Bossuet (1627 -1704) het als zijn taak zag om Spinoza te bestrijden, acht Blandine Kriegel volkomen begrijpelijk. Het eeuwenlang gekoesterde concordaat tussen historie, geloof en recht werd door hem radicaal verbroken! Wat mevrouw Kriegel evenwel betreurt, is de wijze waarop Bossuet dat deed. Bossuet nam een dogmatische positie in. Hij veroordeelde Spinoza (terecht) op grond van zijn ketterse opvattingen. Hij liet echter na hem te bestrijden op het terrein van de bijbelkunde en het historisch bijbelonderzoek. De manier waarop Mabillon historisch onderzoek deed, had Bossuet en anderen kunnen helpen om het onhistorische en daarmee leugenachtige karakter van het werk van Spinoza in het licht te stellen. Maar zó ging Bossuet niet te werk! Het tegendeel was het geval: hij onttrok zich juist door de schok die Spinoza teweeg bracht aan de bestudering van de historie. Hij begon het historisch onderzoek als gevaarlijk terrein te beschouwen. Volkomen ten onrechte. Ook en juist op dit terrein had Spinoza bestreden kunnen en moeten worden!

Immers wat Spinoza in zijn Theologisch-politiek traktaat met grote stelligheid beweert, is historisch gezien volstrekt ongefundeerd. Bossuet en anderen lieten na om dit met kracht naar voren te brengen. Blandine Kriegel acht dit een fatale ontwikkeling, omdat de kerk zich onnodig in een hoek liet drukken. Kerkelijke kringen gingen door het schokkende van wat Spinoza naar voren bracht zelfs bezwaar maken tegen eruditie, historische kennis en kennis van de filologie. Het terrein van de geschiedkunde kwam daardoor braak te liggen. Het lag zodoende open voor allerlei ideologische opvattingen, waartegen vervolgens geen verweer geboden werd op grond van de historische kennis.

Hoe kwam het dat Bossuet wat dit betreft verstek liet gaan? De reden lag ondermeer in het feit dat hij te maken had met een andere tegenstander. Deze bevond zich dit keer op het eigen erf: de abt van Rancé (1626 -1700), een monnik die ‘uit de wereld bekeerd was’ en die vanwege zijn ascetische leven midden in Parijs alom de aandacht trok. Rancé was een rigoureus en fel tegenstander van elke vorm van geleerdheid. Deze maakt een mens alleen maar hoogmoedig. De abt was een geducht tegenstander met wie Bossuet ernstig rekening moest houden. Om niet teveel voet aan hem te geven, stelde Bossuet zich, wat geleerheid betreft, terughoudend op. Dat zette hem op achterstand tegenover Spinoza. Dit leidde ertoe dat het historisch filologisch onderzoek in kerkelijke kringen van een minteken werd voorzien. Geleerdheid werd een verdachte zaak.

Mevrouw Kriegel betreurt deze ontwikkelingen ten zeerste. In Frankrijk bestond er na de twist tussen Rancé en Bossuet geen bijbels-theologische geleerdheid meer. De kerk trok zich terug en beriep zich ‘slechts’ op het dogma. Zij liet de wetenschappelijke wereld en daarmee het hele terrein van het historisch onderzoek aan zichzelf over. Daardoor miste haar boodschap kracht. Pas in de 19e eeuw waren er enkele Franse geleerden die de fakkel weer opnamen – maar zij waren niet direct kerkelijk meer.

Als men toch eens het historisch zintuig bewaard had en in de lijn van Mabillon gewerkt had! Als men juist in die tijd een filosofie had ontwikkeld die wel recht deed aan de historie, dan had het niet gekomen tot een losmaken van de band tussen historie, geloof , wetenschap en politiek!, aldus Blandine Kriegel.

Een kanttekening

Bij haar mijns inziens terechte cri de coeur wil ik één kanttekening maken: de aanzetten voor een dergelijke filosofie werden in de 17e eeuw wel degelijk gegeven, en wel in Frankrijk zelf. Ze kwamen van de hand van Pascal (1623-1662). In zijn Pensées geeft hij er blijk van dat hij zich op de bovengenoemde vraagstukken heeft bezonnen. Van Pascal is de uitspraak: ‘Ik kan het Descartes niet vergeven’. Hij deed recht aan de historie in haar relatie tot het geloof. Het maakte het hart uit van zijn bekering. Toen hij gelovig werd en God ontmoette, schreef hij in verrukking op: ‘God, niet de God van de filosofen, maar de God van Abraham, Izaäk en Jacob.’ Deze woorden zijn van enorme betekenis. Hij ontmoette de God die zich niet zozeer in het denken alswel in de historie heeft geopenbaard, vooral in Jezus Christus, die het culminatiepunt is van de wereldgeschiedenis.

In een volgend artikel wil ik aangeven, hoe Spinoza tegenover de Schrift en de historie stond, hoe onwetenschappelijk hij was en hoe Pascal hem in dit opzicht in alle opzichten overtrof.

H. Klink, Hoornaar

 

Noten

1 Wat dat betreft is het wrang, dat wij in een tijd leven, waarin wij ongemerkt lijden aan wat C.S. Lewis genoemd heeft ‘chronologisch snobisme’: omdat wij later geboren zijn en op technisch gebied vooruitgang hebben geboekt, hebben wij onbewust een zeker dédain voor de ‘geleerden’ van vroeger datum. Ten onrechte. Zij kenden doorgaans, waar tegenwoordig hooguit gymnasiasten die een goed gymnasium bezoeken iets van afweten: de klassieke oudheid. En daarmee stonden de mensen toen, qua levenswijsheid een eind boven ons. De werken van vader Cats geven er een indruk van, hoezeer dat het geval is!
2 Het geschrift waarin hij dit uiteenzet (uitgegeven door Blandine Kriegel), doet me denken aan de weg die Martin Hengel in zijn boeken wijst rondom historisch-filologisch onderzoek.