Terug naar Ecclesianet.nl

De Savornin Lohman en de hoogste vrijheid

Wat is de overeenkomst tussen een dominee, een politicus en een toneelspeler?

Over deze vraag boog zich de Tweede Kamer der Staten-Generaal in haar vergadering van 27 november 1919. Aan de orde was een voorstel om de ‘dramatische kunst’ met overheidssubsidies te ondersteunen. Een van de sprekers was Alexander Frederik de Savornin Lohman (1837-1924), de fractievoorzitter van de CHU. Lohman was geen principieel tegenstander van subsidies aan het theater, mits de opgevoerde stukken niet opriepen tot ongehoorzaamheid tegen wet en gezag en niet in strijd waren met de openbare zedelijkheid die de overheid moest verdedigen. Hij ging vervolgens in op het standpunt van velen ‘in den lande’ die iedere vorm van theater principieel afwezen. Zij deden dit met het argument dat de toneelspeler ‘een verkeerd en slecht beroep’ uitoefent omdat zijn beroep hem dwingt telkens een rol te spelen, zodat hij uiteindelijk zelf niet meer weet wat ‘zijn eigen gevoelens’ zijn.

Het zou best eens kunnen zijn dat het spelen van steeds weer andere rollen een gevaar voor het karakter is, zo gaf Lohman toe. Maar dat geldt dan niet alleen voor toneelspelers maar ook voor zeer respectabele beroepen als dat van predikant en Kamerlid en minister. Is het niet zo dat een predikant zeker niet bij elke preek in ‘de hoge stemming’ verkeert die voor het houden van een preek eigenlijk nodig is? Vaak moet hij tijdens een preek in een andere stemming verkeren dan in de stemming ‘waarin hij voorgeeft te zijn’. Eerlijke predikanten hebben dit ook altijd toegegeven. Voor politici behoefde zijn betoog nauwelijks enig bewijs. Hoe vaak houden staatslieden geen prachtige redevoeringen terwijl zij op dat moment overduidelijk een rol spelen? De conclusie van Lohman luidde dan ook: het verschil tussen een toneelspeler en een dominee of politicus bestaat hierin dat de toneelspeler weet dat hij een rol speelt, en zijn publiek weet dat ook, en dat dit veel minder gevaarlijk is dan wanneer men zelf niet weet dat men een rol speelt en de toehoorders dat ook niet weten. ‘Dit is echter geen reden iemand te ontraden predikant of Kamerlid te worden.’

De Handelingen van de Tweede Kamer vermelden niet hoe er op Lohmans bijdrage werd gereageerd. Maar we kunnen ons voorstellen dat zijn geestige woorden hier en daar minstens een glimlach op de gezichten van de heren afgevaardigden hebben getoverd, en dat anderen zich misschien wel over zijn vrijmoedige bijdrage hebben verbaasd. Lohman immers representeerde de hervormde orthodoxie in de politiek, en enige affiniteit met zaken als theater en toneel waren daar alles behalve vanzelfsprekend. Maar Lohman was ook een man van onafhankelijkheid en groot gezag. Hij was – met een korte onderbreking – al vanaf 1879 Kamerlid geweest en zou dat tot 1921 blijven. Bovendien was hij een befaamd jurist, die de Vrije Universiteit als hoogleraar staatsrecht had gediend.

Anders dan zijn tijdgenoot Abraham Kuyper dreigt Lohman echter een beetje in de vergetelheid te geraken. Dat is jammer, omdat hij in tal van publicaties opvattingen naar voren heeft gebracht die nog altijd de moeite van het overwegen waard zijn - zoals over vrijheid. En dan hebben we het nog niet eens over zijn oppositie tegen Kuyper – een oppositie die hij als Réveilman en geestelijke zoon van Groen van Prinsterer voerde tegen de democratische activist die Kuyper was, met alle nadruk die Kuyper daarbij legde op het keurslijf van partijprogramma, discipline en homogeniteit. Lohman stond veel laconieker in de politiek, en dacht ook veel bescheidener over de rol van de overheid. Die had volgens hem niet de taak om het belang van het volk te beredderen. Dat leidde volgens Lohman alleen maar tot dictatuur. Het was al heel wat wanneer de overheid de onderling strijdige belangen van diverse volksgroepen wist te regelen, en de individuele vrijheid niet zou aantasten.

Met die opvatting was Lohman in 1875 voor het eerst publiekelijk naar buiten getreden, in een geschrift (Gezag en vrijheid), dat tegen de liberale filosoof C. W. Opzoomer was gericht en dat volgens Groen van Prinsterer niet minder dan een ‘evenement’ was. Ruim tien jaar later zou hij nogmaals uitvoerig op het aangelegen onderwerp van de vrijheid terugkeren, in een oratie waarmee hij in 1887 het rectoraat van de Vrije Universiteit overdroeg. In deze rede over De hoogste vrijheid verdedigde Lohman het grote goed van de gewetens- en geloofsvrijheid, en stelde hij de vraag aan de orde aan wie we die vrijheid eigenlijk te danken hebben.

De gewetens- en godsdienstvrijheid noemde Lohman het hoogste goed op staatkundig gebied. Hij bedoelde met deze vrijheid de staatsrechtelijke gelijkheid van elke overtuiging. Het gaat hier dus om het recht van ieder individu om volgens zijn eigen diepste overtuiging (‘de diepste roerselen van het gemoed’) te geloven en zijn leven in te richten. Andere grondrechtelijke vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting en van vergadering, zijn op dit grote goed, het goed van de hoogste vrijheid gebaseerd.

Maar waar komt deze hoogste vrijheid nu vandaan? Aan wie hebben wij haar te danken? In Lohmans dagen en de onze prevaleert de opvatting dat het grote goed van de vrijheid een verworvenheid van verlicht denken is, en dat we haar aan de klassieke oudheid, de humanisten en de filosofen van de Verlichting te danken hebben. Maar Lohman geloofde daar niets van. Grieken en Romeinen hebben altijd van alle onderdanen verering van de nationale goden geëist. Het zelfbehoud was de hoogste wet van de staat, en wat daar ook in religieuze zin tegenin ging, moest worden bestreden. Humanisten uit later tijd, filosofen als John Locke en Jean-Jacques Rousseau, hebben wel traktaten ter verdediging van de tolerantie geschreven, maar zij eisten eigenlijk vooral de vrijheid op voor hun eigen mening, en niet veel meer dan dat. En zo is het eigenlijk gebleven, tot aan de liberalen van Lohmans eigen dagen aan toe. De ‘humanisten van onze dagen’ vervolgen niet meer openlijk. Maar zij bevoordelen wel alle richtingen die ongodsdienstig (seculier) zijn en zich zover mogelijk houden van iedere ‘exclusieve geloofsbelijdenis’.

Ook aan de protestanten van de zestiende en zeventiende eeuw hebben wij de hoogste vrijheid niet te danken. Natuurlijk heeft iemand als Maarten Luther wel ‘op heerlijke wijze’ de vrijheid in Christus geproclameerd, maar protestanten hebben daar lange tijd geen staatsrechtelijke consequenties aan verbonden. Hun kerken werden om begrijpelijke redenen publieke volkskerken. Wie van die kerken geen lid was, werd een soort tweederangsburger die verschillende voordelen misliep. En wat is dat anders dan een poging het geweten van die mensen om te kopen?

Lohman gaat vervolgens in op de vraag op grond van welke argumenten de gewetens- en godsdienstvrijheid is verdedigd. En ook hier is zijn oordeel kritisch en scherp. Hij loopt acht verschillende redeneringen langs en stelt vast dat al die redeneringen ondeugdelijk zijn, innerlijk tegenstrijdig, of niet meer dan mooie woorden die door de praktijk al gauw zijn gelogenstraft. ‘In theorie is niets eerbiedwaardiger dan het geweten, maar in de praktijk is er niets dat met minder eerbied wordt bejegend.’

Maar aan wie hebben we de hoogste vrijheid dan wel te danken? Dat is Lohmans derde punt, en hij verdedigt dan een verrassende stelling. De gewetensvrij heid is geen postulaat (onbewezen vooronderstelling) van de rede maar van de plicht om te getuigen. Christus heeft Zijn discipelen in deze wereld uitgezonden. Hij die de wereld overwonnen heeft, wil die wereld ook voor Zich winnen. Niet door macht of geweld, niet met hulp van de overheid, want het geloof kan nu eenmaal niet worden opgedrongen, maar alleen door het christelijk getuigenis, door het belijden van de enige Heer en Heiland Jezus Christus. Niet vrijheid maar ‘de eer van hun Heer’ was, vaak door vele vervolgingen heen, hun doel. Maar juist omdat het de roeping van een christen is te getuigen en de Naam van Christus te verkondigen wordt ook de behoefte geboren aan de vrijheid om God naar het eigen geweten te mogen eren. Uit de roeping tot het belijden volgt dus de behoefte aan de vrije kerk, aan de vrije school ook, en aan andere vrijheden, zoals de vrijheid van spreken, van drukpers en vergadering. Uiteindelijk, zo betoogt Lohman, hebben wij het bezit van de gewetensvrijheid niet aan mensen maar aan Christus zelf te danken.

Deze opvatting van Lohman lijkt mij nog altijd meer dan de moeite van het overwegen waard. Zoals Lohman al betoogde is het pleidooi voor vrijheid in het actuele politieke debat vaak niet meer dan de behoefte aan het creëren van een ruimte om een ideologie van de meerderheid te realiseren – en nu is dat de ideologie van de gelijkheid die voor minderheden tal van vrijheden op het spel zet.

Christelijke partijen schijnen er soms moeite mee te hebben hun houding in deze strijd der geesten te bepalen. Een ruime Kamermeerderheid maakte deze maand een einde aan het recht van christelijke scholen om homoseksuele leerkrachten te weigeren of te ontslaan – de SGP en de ChristenUnie gedoogsteunen het kabinet dat deze gelijkheidsagenda ‘vol’ wil uitvoeren (zoals minister-president Rutte bij het aantreden van zijn tweede kabinet heeft gezegd) en het CDA stemde zelfs in met het initiatiefwetsvoorstel.

Wie in de lijn van Lohman denkt, had zich gerealiseerd dat er hier een belangrijke vrijheid op het spel stond die direct verband houdt met de kern van de christelijke politiek: de vrijheid en ruimte voor het belijden. In de traditie van de CHU gaat het daarbij om het behoud van de positie van de vrije kerk en de vrije school.

Daarmee is de christelijke vrijheid in het geding die volgens een geestverwant van Lohman, de Amsterdamse jurist Paul Scholten (1875-1946), het fundament van de Nederlandse geschiedenis en cultuur vormt. Die kern is al in de zestiende eeuw in ons land verwoord door Willem van Oranje, die tegenover zijn adjudant Marnix de Opstand rechtvaardigde met het argument dat zij slechts de Kerk dienden. ‘Laten we maar dulden dat men over ons heen loopt, Aldegonde! Als wij de kerk van God maar kunnen helpen!’ De reactie van Marnix: ‘Welnu, mijn heer, nu u daartoe besloten hebt, kan het God slechts behagen dat ik daar dit op zeg: gebruik mij waar u ook maar wilt. En ik stelde mij in dienst van al zijn bevelen, omdat de bewaring van de kerken van God mijn enige doel was’.

Hernieuwde aandacht voor de persoon en ideeën van Alexander Lohman zou de herinnering aan het belang van de hoogste vrijheid en deze kern van de christelijke politiek hopelijk opnieuw kunnen verlevendigen.

B.J. Spruyt, Gouda