Terug naar Ecclesianet.nl

De Ekklesia en de historie (III)

We zagen in het vorige artikel dat Blandine Kriegel het betreurt dat in de zeventiende eeuw niet adequaat gereageerd werd op het Spinoza’s geschrift Theologisch- politiek traktaat (1670). Zij bedoelde daarmee dat hij niet van repliek gediend werd waar het zijn ‘bijbelkritiek’ betrof. Spinoza trok de betrouwbaarheid van de bijbeltekst zo geraffineerd in twijfel dat iemand als Bossuet, de hofprediker van Lodewijk XIV en de ‘kampioen van de orthodoxie’, kopschuw werd van goed historisch en filologisch onderzoek. En dat terwijl juist in zijn tijd Jean Mabillon een methode ontwikkelde om dit betrouwbaar en adequaat te kunnen doen! De kerk had, aldus mevrouw Kriegel, niet zo angstvallig hoeven te zijn!

Vervreemding van de historie

Spinoza (die nota bene van Joodse komaf was) baarde in zijn dagen opzien, zowel in de Joodse gemeenschap als in het christelijke Europa. Hij ging zo’n andere koers varen dat hij alom tegenspraak uitlokte. Geen wonder. Hij vervreemdde zich van de Joodse traditie en van het Oude Testament. Zodoende kwam zijn mening ook haaks te staan op de christelijke traditie in het algemeen en op de hervormde traditie in de Nederlanden in het bijzonder. Hij vervreemdde zich ervan door het rationele denken te verabsoluteren en door in de menselijke rede de enige bron van waarheid te zien! Op twee aspecten wil ik wat deze vervreemding betreft wijzen.

Wat opvalt zijn de veelal gekunstelde en geforceerde redeneringen waarmee hij geschiedenissen van het volk van Israël, van Mozes, de profeten en de apostelen enz. van hun kracht berooft. Van een impact van Gods handelen in de geschiedenis is bij hem geen sprake meer. Hij bedient zich daarbij van zo sterk sofistische argumenten dat je je afvraagt of hij nog eerlijk te werk gaat en werkelijk op waarheid uit is.

Of is het zo dat de mens als hij de rede verabsoluteert juist niet meer in staat is om sommige dingen te ‘zien’ en op waarde te schatten? Om met de beeldspraak van Paulus uit Romeinen 11 te spreken: de tak die afgebroken wordt, verdort. Ze houdt nog wel een poosje haar taaiheid, maar ze kan niet meer tot bloei komen. Het denken wordt kaal, kil en zonder relatie met de werkelijkheid; het gezonde bewustzijn en het historisch zintuig verzwakken en verdwijnen op den duur, zodat het denken, dat zich weliswaar op de rede beroept, zelf niet meer redelijk is! Bij Spinoza is dat evident. Hij laat zich voorstaan op zijn redelijkheid, maar wie zijn boek goed leest, merkt dat zijn redeneringen op cruciale momenten volkomen misplaatst zijn en volstrekt niet overeenkomen met wat de Engelsman ‘common sense’ noemt. Onwillekeurig moet ik denken aan de plechtige woorden van Paulus: “zich uitgevend voor wijzen, zijn ze dwaas geworden.” Spinoza doet in veel dingen denken aan de sofisten, van wie Paulus en van wie ook ooit Socrates zulke verklaarde tegenstanders waren. Je zou gewenst hebben dat iemand van Socrates’ kaliber Spinoza op de markt van Leiden ontmoet had, om hem wat zijn redeneertrant betreft aan de tand te voelen.

Geforceerde redeneringen

Hoe geforceerd en historisch gezien onverantwoord zijn redeneringen zijn, waar het de Bijbel betreft, wil ik illustreren met enkele voorbeelden.

Spinoza beweert dat Mozes en de profeten niets anders geopenbaard werd dan wat ze zelf van te voren al over God en zijn wil dachten. Wat in hen al aan gedachtengoed leefde, werd hun ook geopenbaard.

De profeten onderscheidden zich alleen (!) van andere mensen door hun rijkere verbeeldingskracht.

God heeft Israël uitverkoren. Dat houdt slechts in dat Hij hun het land Kanaän gunde met het oog op aardse voorspoed (‘alleen om de voordelen van het lichaam’).

Christus is iemand die de juiste Rede had. Hij paste zich echter, evenals Mozes en de profeten, bij het volk aan. Dat verklaart waarom Hij in gelijkenissen sprak en beweerde dat God rechtvaardig en barmhartig is (iets wat God niet kan zijn).

Hetzelfde geldt voor de apostelen. De kern van de leer van de apostelen – ook van Paulus – zou daarin bestaan hebben dat alle mensen de zedenwet kennen. Hij typeert de brieven van de apostelen als brieven “die niet anders bevatten dan broederlijke vermaningen vermengd met beleefdheden.”

Spinoza concludeert: alles wat met de rede in strijd is, moet op het conto van Mozes of de profeten geschreven worden, die niet alles even helder hebben gezien en zich aanpassen aan het bevattingsvermogen van het volk. Wat zij schrijven tegen de ware rede in behoort tot het domein van de theologie en niet van de filosofie. De theologie is voor waarheidsvinding secundair. De filosofie niet.

In de laatste zin is Spinoza’s eigenlijke bedoeling uitgesproken. Hij wil met zijn boek vooral bereiken dat de theologie (wat daar dan ook van overblijft) en de filosofie radicaal van elkaar gescheiden worden, om slechts op de filosofie zijn levens- en Godsbeschouwing te laten rusten. Om dat te bereiken maakt hij zich heel opzettelijk los van de historie en van de impact daarvan.

Onhistorisch

Waar ik de nadruk op wil leggen is dat Spinoza op al de genoemde punten in flagrante tegenspraak is niet alleen met de Schrift maar ook met de historische werkelijkheid waarvan de Schrift getuigt en die bij onbevangen historisch onderzoek (in de geest van Mabillon) evident is. Ik loop enkele van de genoemde punten na:

De naam van God als ‘Ik ben die Ik ben’ en de ontmoeting met God ontzette Mozes en raakte hem tot in zijn ziel. Zijn roeping kwam volstrekt onverwacht. Bovendien openbaarde God zich als méér dan de God van Abraham, Izaäk en Jacob.

Profeten zouden alleen wat hun verbeeldingskracht boven anderen staan. Ook hier draagt de openbaring bijv. aan Jesaja en Jeremia een heel ander karakter. We hoeven maar te denken aan het feit dat sommige profeten er als het ware ‘met de haren bij gesleept’ moesten worden om te profeteren. Wie het roepingsvisioen van Jesaja onbevangen leest, merkt dat hier sprake is van een ontmoeting tussen een God die heilig is en de profeet. Het betreft een gebeuren dat hem de kracht gaf om tegen de stroom in te roeien en om het zelfs tegen de koning op te nemen. Er is sprake van iets dat kwalitatief anders is dan een rijke fantasie. Bovendien is ook de boodschap van de profeet kwalitatief anders en behelst ze veel meer dan het inscherpen van de algemeen aanvaarde zedenwet die hij levendiger zou preken dan anderen (wat Spinoza beweert). Ze zijn eschatologisch van inhoud en vormen een nieuw stadium in de openbaring aan Israël. Het zwaartepunt bij de profeten ligt in het gepassioneerd aangeven dat God door zijn eigen optreden in de historie (!) verlossing zou schenken, een verlossing die uitreikte boven het verstand en de mogelijkheden van de mensen! Spinoza gaat hier met sofistische redenen aan voorbij of ontkent het tegen alle evidentie in.

De verkiezing van Israël zou alleen behelzen dat God het een veilig gebied zou geven om vredig te wonen. Spinoza redeneert gekunsteld. Hij stelt eerst dat de kennis van God en de zedenwet door iedereen die nadenkt verkregen kan worden. Daarom kan het bijzondere van Israël er niet in bestaan dat het God op een grootsere wijze heeft leren kennen dan de andere volken. En daarom behelst de verkiezing van Israël niets meer dan dat God het een veilige woonplaats geeft, waar het alleen de voordelen van het lichaam geniet: zelfbehoud en behoud van de staat.

Dat dit in flagrante tegenspraak is met hoe Israël het zelf ondervond, is duidelijk: Alleen aan Israël heeft God zijn Naam bekend gemaakt, zodat het volk naar zijn wil zou leven en een bijzonder volk zou zijn, wat het ook geworden is. Abraham had de roeping gekregen naar het beloofde land te gaan om daar een nageslacht te verkrijgen. Door in de vreze van God te leven zou Israël Gods sieraad zijn en zo de volkeren tot dit heil trekken!

Spinoza spreekt met verachting over het volk dat de rede niet kent, terwijl hij de loftrompet steekt op de redelijke mens. In dit keurslijf wringt hij zelfs Christus. Het is historisch gezien zonneklaar dat hij met opzet voorbij gaat aan de kern van wat Jezus werkelijk zei. Dat staat (hij moet dit beseft hebben) haaks op zijn beschouwingen: “Ik dank U, Vader, Here van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen verborgen hebt voor de wijzen en verstandigen en hebt ze aan de kinderkens (onmondigen) geopenbaard.”

Spinoza omzeilt heel gekunsteld de eenheid in de prediking van de apostelen, die erin bestaat dat het God behaagd heeft door de dwaasheid van het kruis en de prediking ervan zalig te maken die geloven en dat Hij de wijsheid van verstandigen (sofistische mensen) door deze prediking teniet doet. Dat de eenheid van de prediking van de apostelen (Petrus, Johannes, Paulus – zie het apostelconvent in Handelingen 15) daarin bestaat, komt in Spinoza’s kraam niet te pas. Hij verzwijgt of ontkent het vierkant. Wie leest over wat Spinoza schrijft over Paulus en de roeping van de apostelen, kan er historisch gezien nauwelijks omheen om te stellen dat hij hier bewust liegt. Vriendelijker gezegd: hij doet volstrekt geen recht aan de historische werkelijkheid!

Wat verder opvalt in zijn geschrift is dat hij – precies zoals mevrouw Kriegel het aangeeft – met verachting spreekt over de geschiedenis, terwijl als hij de Bijbel recht zou doen, hij zou moeten erkennen dat juist de Schrift alle nadruk legt op die momenten in de wereldgeschiedenis die kairos-momenten heten. Zij zijn beslissend en bepalend voor de hele wereldgeschiedenis, de mensheid, zelfs de kosmos. Hij zou moeten erkennen dat in de Bijbel alle nadruk gelegd wordt op de eschatologie, op de profetieën die uitmonden in het onvoorstelbare, wat Johannes als volgt onder woorden brengt: “Het Woord (God zelf) is vlees geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid gezien.” Hij zou dus moeten erkennen dat de Bijbel zelf vooral aandacht voor en geloof vraagt in wat in de historie gebeurd is. Het is juist het proprium van de Bijbel om het wonder te onderstrepen dat God zelf in Christus in de geschiedenis is gekomen.

In het licht hiervan nog twee opmerkingen:

Spinoza onttrok zich aan de historie die in de Bijbel en vooral in het Evangelie naar voren komt. Hij deed dit niet zozeer door ongeloof in wat het Evangelie zegt. Het wonder daarvan (dat God mens geworden is) is zo groot dat men begrip op kan brengen voor degenen die zich daaraan niet zomaar gewonnen geven. Wie op die manier ongelovig is, staat nog in een open en onbevangen houding. Spinoza ging veel verder: hij ontkende dat de Bijbel, het Woord zelf, zegt dat God in de wereld gehandeld heeft. Hij ontkende dat de kern van het Evangelie daarin gelegen is, dat het verkondigt dat het heil in de historie is gekomen – iets wat zelfs voor ongelovigen die eerlijk zijn evident moet zijn. En het valt hem aan te rekenen dat hij met veel arrogantie en met een raffinement dat niet meer redelijk is (omdat hij de historie geweld aandoet) aan die claim probeert te ontkomen.

De kerk is er alles aan gelegen om terug te keren tot de bronnen en de waarheidsclaim die in het raam van de historie pas echt oplicht! De weg daarheen wijst Pascal: ‘Verneder u, machtige rede’. Pas dan als de Europese mens die sterk door het Verlichtingsdenken beïnvloed is, de kracht én de zwakheid van het denken op een juist wijze zou erkennen, komt er ruimte voor het werkelijkheidszintuig dat de mens juist in het denken bezit. Zo ontstaat er ook ruimte voor de boodschap van het Evangelie. Pas dan staat de rede het juiste gebruik van het denken, dat met de historie rekening houdt en voor een belangrijk deel uit de historie opkomt, niet meer in de weg. 1

H. Klink, Hoornaar

 

Noot

1 Vanwege het belang van de kwestie die ik hier aansnijd, wil ik er nog enkele woorden aan wijden. Dit fenomeen, dat de verzelfstandiging van het denken nadelig is voor de rede zelf in al haar geschakeerdheid (en ook voor wat wel heet het ‘historisch zintuig’), is iets wat je wijd en zijd tegen komt, helaas ook bij historici. Een treffend voorbeeld is hoe men aankijkt tegen Willem van Oranje. Voor tal van historici mag hij alles zijn: een opportunist, iemand die zijn tijd vooruit is vanwege zijn tolerantie, een gewiekst politicus, iemand die opkomt voor staatshervormingen naar moderne snit, een revolutionair etc. etc. Wat hij echter niet lijkt te mógen zijn, is wat hij van zichzelf zegt: een gelovig man, die het op wilde nemen voor de kerk. Of men neemt zijn opmerkingen daaromtrent niet serieus of men veronachtzaamt ze door er hautain aan voorbij te gaan. Men heeft geen oog meer voor de kern van waar het hem om te doen was, omdat men er geen affiniteit mee heeft. Zo onttrekt men zich aan de (claim) van de werkelijkheid. Vervolgens verklaart men die werkelijkheid weg met psychologische of sociologische categorieën. Dit is een ernstig fenomeen. We komen het tegen in moderne films over personen en gebeurtenissen van vroeger dagen. Bij gebrek aan kennis of wellicht onbewust wordt de denktrant van de 21e eeuw ingebouwd in gebeurtenissen van vroeger, die daardoor vertekend worden. Zo kijkt de moderne mens als hij naar de historie kijkt in de spiegel en ziet hij zichzelf. Het is een vorm van narcisme op het terrein van historiebeoefening. Daarmee is de eigenlijke historie in rook opgegaan.