Terug naar Ecclesianet.nl

Deel 2 Verzameld Werk J.H. Gunning (II)

In de artikelen, die ik in 2005 in ons blad aan Gunning heb gewijd, heb ik o.m. aandacht besteed aan de door hem gevoerde correspondentie met Dr. Abraham Kuyper1. Wij hebben toen gezien, hoe Gunning met nadruk wees op het verschil in de wijze, waarop Kuyper en hij naar kerkherstel streefden. Bij Kuyper constateerde hij een maken, terwijl hijzelf – gedachtig aan het woord “Laat beide samen opgroeien tot de oogst” (Mattheüs 13 : 30) - een laten groeien geboden achtte. “Gunning kon “wachten”, Kuyper niet.”2. In tegenstelling tot Kuyper met zijn ongebreideld activisme achtte Gunning alleen het gebruik van geestelijke wapenen geoorloofd. Nadrukkelijk waarschuwde hij Kuyper voor het gevaar van onoprechtheid, - een gevaar, dat door het optreden als partijhoofd werd opgeroepen.

In de genoemde artikelenserie heb ik uitvoerig stilgestaan bij de manier, waarop Kuyper in “De Heraut” van 3 februari 1878 Gunning heeft behandeld naar aanleiding van de eerste aflevering van diens Het Leven van Jezus. Gunning had zich hierdoor ernstig gegriefd gevoeld. In een brief van 7 maart 1878 schreef hij aan Kuyper: “Ik meen door u ten allerdiepste gekrenkt te zijn ... Mijn karakter als geloovig christen, als evangeliedienaar, heeft door uw woord een knak gekregen, dien ik niet licht weer te boven kom ... Men houdt mij, op grond van uw artikel, voor een afvallige ....” En in een brief van 8 april d.a.v. zegt hij: “Het feit is dat gij mijne eere als herder en leeraar geroofd hebt. Het valt u licht, te zeggen: “neen, niet ik, maar gijzelf.” Doch de algemeene indruk van hen, die niet mijn geschrift, maar alleen uw artikel gelezen hebben, bewijst het tegendeel. Zij hebben den indruk ontvangen en tegen mij uitgesproken: dat ik “Christus van zijn zetel stooten wil,” – dat ik “in mijn hart modern ben, doch mij in opzettelijk bedrog op den kansel orthodox houd.” Dit alles is historisch.”

Gunning was echter niet alleen gegriefd door wat Kuyper in “De Heraut” geschreven had. Vóórdat het bewuste nummer van “De Heraut” verscheen, had Gunning zijn pennenvrucht teruggenomen, waarvan hij Kuyper bericht gedaan had door middel van een briefkaart, die deze blijkens het poststempel uiterlijk 29 januari ontvangen moet hebben, dus enkele dagen vóórdat de krant gedrukt werd, wellicht zelfs vóórdat Kuyper zijn recensie op papier gezet had. Daar komt nog bij, dat deze er in een P.S. bij zijn artikel nota bene melding van heeft gemaakt, dat Gunning zijn geschrift had ingetrokken, zodat er alle reden is zich af te vragen, waarom Kuyper toch tot publicatie ervan is overgegaan.

De Heelen en de Halven

Het absolute dieptepunt in de verhouding tussen Gunning en Kuyper wordt bereikt in 1885, wanneer Kuyper in De Standaard, een artikel publiceert, getiteld De Heelen en de Halven, waarin hij de “ethischen” karakteriseert als “halven”, in onderscheid van de Gereformeerden, die, als “het volk des Heeren”, voor hem de “heelen” zijn. Gunning reageert op dit artikel met een brochure, die hij dezelfde titel meegeeft. Hierin constateert hij, dat er in Kuypers artikel - waardoor “de broederband tusschen Gereformeerden en Ethischen openlijk wordt doorgesneden”3 - sterker dan ooit tevoren “een diepgaand verschil van zedelijk, geestelijk beginsel” aan het licht gekomen is. Kuyper heeft verklaard, dat de Ethischen, als niet behorend tot Gods volk, door de Gereformeerden moeten worden uitgebannen. Gunning acht dit, “een zware zonde voor God”, “een verlaging des gelóófs, een terugzinken tot het Roomsche beginsel”, waardoor de breuk niet meer te helen is. In Kuyper heeft de “partijvloek” gezegevierd.4

Profetisch

Dat het Gunning met deze zwaargeladen woorden ten volle ernst is, blijkt duidelijk uit een brief van 28 december d.a.v. aan Hoedemaker, waarin hij schrijft: “Wat ik in mijn brochure “de heelen en de halven” uitspreek en uitvoerig motiveer, blijft van kracht; met de “gereformeerde” broeders als afzonderlijke personen, alle broederlijke eenheid des geloofs en der liefde; maar met de politiek-kerkelijke partij der “Gereformeerden” om Jezus’ wille geen gemeenschap in eeuwigheid.” En van Kuyper, wiens optreden hij als dat van een ongelovige aan de kaak stelt, zegt hij in dit verband: “Op de kracht der waarheid heeft hij niet vertrouwd; politiek en verdachtmaking moest er bij komen.” Deze “behooren bij zijn dóór en dóór wereldsch streven. Daardoor heeft hij dan ook macht. Want de wereld, en niet het minst als zij “gereformeerd” is, heeft het hare lief en loont het met macht, invloed en middelen.”5

Een opvallend scherp oordeel voor iemand als Gunning, mag men wel zeggen. Nog scherper echter laat hij zich enkele jaren later uit in een brief aan zijn zoon Dr. J.H. Gunning J.Hz. In deze brief, die door zijn zoon als “hier en daar bijkans profetisch” is getypeerd6, spreekt Gunning over Kuyper als over een “geestelijke Napoleon” en zegt hij van hem: “Hij gebruikt zijn volgers en maakt ze tot zijn slaven. Hij brengt ze niet aan de voeten van Christus, maar aan zijn eigen voeten. Hij is een heerscher, die geen middelen ontziet om zijn doel te bereiken. En dat doel is schoon. De vrijmaking der gebonden kerk, de eenheid der waarachtige geloovigen, de erkenning van Christus’ recht op heel het leven - ook mijne ziel dorst naar dit alles, want onze toestanden zijn op elk gebied droevig, droevig gezonken. Maar hij volgt niet den weg des ootmoeds en der zelfverloochening en der kruisopname achter Jezus. Hij zal het ver brengen in de wereld. Hij zal nog duizenden en tienduizenden achter zich aankrijgen, en ook door zijn sterken geest de wederstrevende Afgescheidenen en allerlei Gereformeerde kringen weten te binden, want er gaat een machtige bekoring van dien man uit, die deze zooveel slappere en min kundige vromen niet zullen wederstaan. Maar hij zal geen geestelijke hervorming tot stand brengen. Daartoe heeft hij wèl de roeping, maar zijn heerschzucht, zijn positie als heerscher en partijleider zullen die onmogelijk maken. (…) Daar zal komen een uitwendig-machtige, indrukwekkende vereeniging van duizenden orthodoxen, door hem tot “belijders” en “geloovigen” verklaard; daar zal geweldige geestdrift en offervaardigheid openbaar worden en eene voor ons beschamende werkzaamheid – maar het zal en kan geen geestelijke vrucht dragen, want het is ijzer en leem, het is leugen en waarheid, het is kruis en eerzucht dooreengemengd….7

Openbare briefwisseling tussen J.H.Gunning J r . en H. Bavinck

Behalve met Abraham Kuyper heeft Gunning ook met Dr. Herman Bavinck de degens gekruist. In 1884 verscheen in het blad De Vrije Kerk een artikel van Bavinck, getiteld: “De hedendaagsche wereldbeschouwing”, waarin het gedachtegoed8 van de “ethische richting”9 en wel in het bijzonder van Chantepie de la Saussaye, aan de orde gesteld wordt. Dit gebeurt echter op een manier, die Gunning noodzaakt naar de pen te grijpen. In een brief van 22 maart 1884 stelt hij, dat Bavinck La Saussaye verkeerd begrepen en onjuist weergegeven heeft. Volgens La Saussaye zou het onderscheid tussen het bovennatuurlijke en het natuurlijke, tussen het goddelijke en het menselijke min of meer moeten verdwijnen (1), zou het goddelijke uit het menselijke verklaard moeten worden (2), zou in het echt natuurlijke het bovennatuurlijke te zien zijn (3) en zou het uitgangspunt van de theologie niet theologisch, maar christologisch moeten zijn (4). Breedvoerig gaat Gunning op een en ander in, waarna hij van Bavinck een brief ontvangt, waarin deze de gevoelens van de “ethische godgeleerden” in het algemeen en van Gunning in het bijzonder bekritiseert.

In een brief van 3 mei staat Gunning bij elk van de door Bavinck aan de orde gestelde punten stil, in het vertrouwen, dat het “innig leedwezen”, waarmee Bavinck een en ander op papier gezet heeft, zal plaats maken voor blijdschap, “wanneer gij zult zien hoe punt voor punt het tegenovergestelde van hetgeen u leed deed, mijn werkelijke mening is” (blz. 160). Dit vertrouwen blijkt echter te hoog gegrepen, waarom Gunning de 17de juni de pen opnieuw opneemt voor een epistel, waarin hij met name op de kwestie van de kenbron van de waarheid ingaat. Bavinck heeft gesteld, dat bij Gunning niet de Heilige Schrift, maar de gemeente, de ervaring, het leven van de Heilige Geest in de gemeente “of hoe men het verder omschrijve” kenbron van de waarheid is. Gunning acht dit onjuist: “Als ik zeg uit te gaan van de gemeente, dan wil dat, zoals dadelijk te dier plaatste blijkt”10, alleen zeggen dat de dogmatiek met een bepaalde, historische gemeente, en niet hetzij met een los individu, hetzij met “het christendom in het algemeen” te doen heeft. Uitgangspunt van de dogmatiek der Hervormde Kerk is de godsidee, als beschrijving van het leven der gemeente. Maar die godsidee, die God ken ik uit de Heilige Schrift. Het gaat dus niet aan te zeggen: Bavinck kent de waarheid uit de Heilige Schrift, en Gunning niet. Want Gunning kent haar evenzeer uit de Heilige Schrift, als Bavinck.”

Hierbij moet echter wel een kanttekening geplaatst worden. Onze vaderen in de tijd van de Hervorming en nog lange tijd nadien gingen er vanuit, dat hun opvattingen uitsluitend aan de Schrift ontleend waren. Zij realiseerden zich niet, dat dit niet mogelijk is, daar een mens zich van de overleveringen, waarbij hij is opgegroeid, slechts zeer ten dele kan losmaken. Zo zijn ook wíj niet boven elke overlevering verheven. Wanneer ik bezig ben de Schrift te onderzoeken, dan doe ik dat niet als “een los individu of een “christen” in ‘t algemeen, maar zeer bepaald als een gereformeerd christen van onze dagen.” Het is Schleiermacher11, die ons hiervoor de ogen geopend heeft. “Dat ik alzo uitga van de gemeente, m.a.w. dat ik niet een los zwevend individu ben, maar een lid der gereformeerde gemeente van mijn eigen tijd, is iets geheel anders dan dat de gemeente, of God in de gemeente, mij kenbron der waarheid zou zijn. Kenbron der waarheid is mij God zelf, zoals Hij zich in het geheel van zijn woorden, daden en leidingen geopenbaard heeft. Deze openbaring, van welke Jezus Christus het middelpunt is, staat geboekt in de Heilige Schrift. (…) Ik kan dus die openbaring Gods nergens “kennen” (…) dan uit de Heilige Schrift. Niet uit de gemeente van later tijd, noch uit die van mijn tijd, noch ook uit mijn eigen persoonlijk leven” (164vv.).

De discussie tussen Gunning en Bavinck zou worden voortgezet in 1884, nadat Bavinck het boek De theologie van Prof. Dr. Daniël Chantepie de la Saussaye had uitgegeven. Gunning reageerde hierop door een omvangrijke studie, Jezus Christus de Middelaar Gods en der mensen, die eveneens in het tweede deel van het Verzameld Werk is opgenomen.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten

1 Vgl. het nummer van 19 maart.
2 Chr. Hunninger, in: Prof.Dr. J.H. Gunning Leven en Werken, deel III, blz. 112.
3 Idem, blz. 70.
4 Idem, blz. 71.

5 Idem, blz. 1000v.
6 Idem, blz. 114.
7 Idem, blz. 877v.
8 Met tegenzin gebruik ik de sinds enige jaren gangbare spelling van woorden als deze. Met tegenzin, omdat het denken van La Saussaye – zoals van zoveel andere grote geleerden – door een rijkdom aan gedachten wordt gekenmerkt.

9 Gunning laakt het gebruik van uitdrukkingen als “ethische richting”, “ethische partij” of “de ethischen.” Men kan het woord “ethisch”, d.i.: tot het zedelijke behorende, niet met betrekking tot personen gebruiken; het is alleen op de waarheid zelf van toepassing (blz. 168v.).
10 Zie Het ethische beginsel der theologie, in. Verzameld Werk, deel 1, blz. 542.
11 Friedrich Daniël Ernst Schleiermacher (1768-1834), Duits theoloog en wijsgeer.