Terug naar Ecclesianet.nl

Het begrip ekklesia nader uitgewerkt (V)

Romeinen 11

In een van de vorige artikelen over de ekklesia stond ik stil bij wat Paulus schrijft in Romeinen 11. In dit hoofdstuk gaat de apostel in op de verhouding tussen Joden en heidenen en van de ekklesia tot de heidenwereld. Hij vergelijkt de beloften van God en het verbond dat God sloot met Israël met een gecultiveerde olijfboom. In deze olijfboom worden takken geënt. Het zijn de heidenvolkeren, die als wilde takken deel krijgen aan de goede sappen die door de olijfboom heengaan. Ze krijgen deel aan de beloften en de genade van God en delen in de beloften die aan Abraham gedaan zijn.

Ik legde er de nadruk op dat de olijfboom in bloei staat, zoals Paulus zegt. De belofte is tot vervulling gekomen. De ekklesia is de vervulling van de belofte. Aan haar is de prediking van het Evangelie aan de volkeren toevertrouwd. Via deze prediking krijgen de volkeren deel aan het verbond dat God al met het oog op de hele wereld sloot. Paulus is in deze ‘heilseconomie’ van God een beslissende schakel geweest. Hij was de heidenapostel bij uitstek. Maar ook Petrus en de andere apostelen hebben hun aandeel in de verbreiding van het Evangelie gehad.

Paulus gebruikt deze beeldspraak als hij het heeft over de verhouding van Israël tot de volkeren. De vraag hoe het kan dat Israël zelf voor een deel ongelovig bleef, terwijl de heidenen tot geloof kwamen heeft hem erg bezig gehouden. Hij komt tot de conclusie dat sommige takken die van nature bij de olijfboom horen, zijn afgebroken. En dat ter wille van de wilde takken, die nu kunnen worden geënt in de boom. Juist dat gegeven geeft het hem in om ook met betrekking tot de geënte takken een waarschuwing te laten horen: pas op dat ook u niet door ongeloof gebroken wordt uit de olijfboom. Want wat een deel van Israël overkwam, kan u ook overkomen. Dan zult ook u als takken verdorren.

Ook onderstreepte ik dat de sappen die door de olijfboom stromen de beloften zijn die aan Abraham gedaan zijn. Ze zijn te vinden in het Oude Testament.

De volkeren en het Oude Testament

Eveneens gaf ik aan dat wat Paulus in dit hoofdstuk onder woorden brengt op een weergaloze manier waar geworden is: tal van volkeren zijn daadwerkelijk geënt in de olijfboom. Voor vele volkeren, vooral in Europa, is het Oude Testament de achtergrond geworden van hun bestaan. Ze hebben zich de geschiedenissen en de boodschap van het Oude Testament eigen gemaakt als was het hun eigen geschiedenis.

Het is in zekere zin ook hun eigen geschiedenis geworden. Het Oude Testament heeft gefungeerd als historische achtergrond in de prediking van de kerk, in de politiek, in de cultuur, de muziek, de kunst, de naamgeving van kinderen. Tal van generaties zijn groot geworden met de prediking, kinderbijbel en catechese, met de geschiedenissen van Abraham, Izaäk en Jacob, met die van David en Daniël. Ze konden hun eigen geschiedenis plaatsen in het licht van Gods handelen met Israël. De geschiedenissen van het Oude Testament vormden een paradigma voor de historie van de volkeren. In het licht van de belofte die erin te vinden zijn, las men de boodschap van Christus. Beide, belofte en vervulling, stempelden het heden en gaven uitzicht op de toekomst. In het licht daarvan ging de hemel open en leefde men bij de dingen van het Koninkrijk van God. Zo werden de volkeren opgenomen in de verbondsgeschiedenis van Israël en de vervulling ervan. Als geen ander heeft Maarten Luther dit gezien en naar voren gebracht. M.a.w.: wat Paulus in Romeinen 11 onder woorden bracht, is werkelijkheid geworden.

Afgebroken?

Wat echter ook werkelijkheid kan worden, is wat Paulus zegt over het weer afbreken van de wilde takken. De volkeren kunnen zich vervreemden van het Oude Testament en de beloften ervan. Ik stelde dat Paulus’ beeldspraak heel toepasselijk is op wat in Europa gebeurde ten tijde van de Verlichting. De rede verabsoluteerde zich tegenover de openbaring en vervreemdde ervan. Daarbij legde ik er de nadruk op dat de rede zich daarmee ook vervreemdde van de historie, waarin deze openbaring plaatsvond en daarmee van de achtergrond van haar bestaan. Op dit laatste wordt doorgaans weinig gelet. Vaak wordt er in kerkelijke kring gezegd dat ten tijde van de Verlichting velen zich niet meer stelden onder het gezag van de Bijbel. Op zich is dat waar. Waar veel minder aandacht aan besteed wordt is dat men zich ook losmaakte van de eigen traditie door de rede te verabsoluteren– men verzelfstandigde zich tegenover Israël en het verbond van God dat via de ekklesia tot de volkeren gekomen was en waarin de volkeren waren opgenomen. Er zijn enkele grote geesten die erop gewezen hebben hoe ernstig dit is. Een van hen noemde ik al in het vorige artikel: Johann Georg Hamann. Ik zou kunnen wijzen op Bilderdijk en op Groen van Prinsterer, maar ook op een hedendaagse visionaire historica: Blandine Kriegel, die enkele boeken schreef over “De geschiedenis in de klassieke eeuw” (L’histoire à l Age classique – Parijs 1988).

Johann Georg Hamann

In het licht van het bovenstaande is één boek van Johann Georg Hamann (1730 -1788) van grote betekenis: Golgotha und Scheblimini (1784). Hamann schreef het als een antwoord op een geschrift dat de Jood Moses Mendelssohn (1729 – 1786) het licht deed zien. Daarin pleit Mendelssohn voor een volstrekte scheiding van kerk en staat. De staat mag zich niet bezig houden met ‘Gesinnungen’, d.w.z. met wat er in de mensen omgaat. De staat is er om het onrecht te bestraffen. De kerk is er om de mensen in hun innerlijk aan te spreken. Maar de kerk mag daarbij geen recht laten gelden. Beide zijn in feite opvoedingsinstanties, die zorgen voor een betere samenleving. Ze dienen elkaar te respecteren, maar ze mogen niet met elkaar verbonden zijn. Daardoor ontstaat er vrijheid van religie en gelijkheid van alle godsdiensten.

Hamann is scherp in zijn verweer tegen Mendelssohn. Hij is dat vanwege de absolute waterscheiding die Mendelssohn voorstaat en vanwege de redenering die hij erop na houdt om tot deze waterscheiding te komen. Wat Hamann vooral laat zien is dat Mendelssohn in zijn redeneringen geen recht doet aan de historie – noch die van de totstandkoming van de staat, noch die van de kerk. Daardoor ontgaat hem het wezenlijke karakter van de staat en van de kerk.

In het kort wil ik ingaan op wat Hamann daarover te berde brengt. Allereerst over de totstandkoming van de staat.

De staat

Mendelssohn sluit in zijn beschouwing over de wording van de staat aan bij een redeneertrant die de Verlichting sinds Thomas Hobbes (1588 – 1679) eigen was: de idee dat de staat rust op een contract dat de mensheid sluit. Hobbes had beweerd dat de mensheid ooit in een toestand van constante onderlinge vijandschap leefde: iedereen verkeerde op voet van oorlog met elkaar. Dit was zo bedreigend voor haar voortbestaan dat men uiteindelijk vrede sloot. Om deze vrede te waarborgen, leverde men de macht over aan een vorst, die men uit hun midden verkoos. Men beloofde hem onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Zo werd de staat geboren. De vorst mocht niet bestreden worden. Wel rustte op hem de plicht om goed te regeren, overeenkomstig de wetten van God. Dit kon echter niet afgedwongen worden.

John Locke (1632 – 1704) dacht in dit spoor verder, maar stelde dat de mensen uit vrije wil de macht afstonden, zolang de vorst naar tevredenheid regeerde. Mendelssohn was naar eigen zeggen dieper en reëler dan Hobbes. Het stond en staat de mens die niet in een staat leeft vrij om de mogelijkheden te benutten die God hem geeft om zijn eigen geluk op te bouwen. De middelen die hem ten dienste staan en de mogelijkheden die hij heeft mag hij tot zijn eigen voordeel aanwenden. In de mens leeft het besef dat het goed is om ook aan anderen te denken, maar hij is dat niet verplicht. Het hangt af van zijn eigen goeddunken of hij dat doet, evenals de mate waarin hij dat doet. Hij kan er niet toe gedwongen worden. Slechts als hij zich ergens op vastlegt (bijvoorbeeld bij de totstandkoming van de staat), is hij na een belofte die hij aflegt, verplicht te doen wat hij toegezegd heeft. Maar ten principale is hij er niet toe verplicht. Mendelssohn brengt dit pregnant onder woorden. De mens kan zeggen: “Mij en mij alleen komt de bevoegdheid toe om te bepalen wanneer en in welke mate ik welwillend ben, en niemand anders.”

Hamann kan niet nalaten de spot met Mendelssohn te drijven. Als dit zo is, dan verkies ik het “Wij, met Gods genade”, zoals een vorst kan zeggen. Slechts een Nimrod kan zo spreken, stelt Hamann. Met andere woorden: deze gedachtenspinsels zijn ten enenmale ontoereikend voor de grondslag van de staat. Wanneer men een natuurtoestand veronderstelt waarin de mens verkeerde, waarin hem middelen gegeven zijn die hem gelukkig maken, dan is het God zelf die hem die middelen verschaft en in zijn goedheid aangeeft, hoe hij die gebruiken moet om gelukkig te worden. God geeft bovendien aan waarin zijn geluk bestaat. In dat geval is de mens niet overgeleverd aan het goeddunken van zichzelf en van de ander. En alleen in dat geval is er werkelijk staatsvorming mogelijk. De staat hangt dus niet louter af van een contract tussen mensen onderling, maar van een verbond – God is erbij betrokken, aan Hem is de mens in zijn doen en laten verantwoording schuldig, ook met betrekking tot de naaste.

Daar komt bij dat de staat en het leven in een staat alleen dan mogelijk is als er sprake is van rechtszekerheid. Dit laatste heeft alles te maken met het feit dat men zijn woord gestand doet, dat ‘ja’ ‘ja’ is en ‘neen’ ‘neen’. De staat rust, zoals Cicero zei, op de rede en op het gesproken woord, op wat er in de mens leeft en de uitdrukking ervan, met andere woorden: op gezindheid en belofte, waarbij de belofte ook een daad is. Hamann bedoelt met deze laatste opmerking vooral aan te geven dat de staat wel degelijk ook met de ‘gezindheid’ van mensen te maken heeft. Er is alles aan gelegen, ook voor de staat, dat men aan kan op wat door mensen gezegd wordt. Dit laatste hangt nauw samen met hun oprechtheid, dus met hun gezindheid. De uiting daarvan is een handeling. Op goede trouw berust het hele staatswezen. Daarom is een absolute waterscheiding tussen gezindheid en handeling niet te maken. Het bouwsel van Mendelssohn staat dan ook op een wankele grond en is onhistorisch.

De kerk

Hetzelfde geldt ook de kerk, stelt Hamann. De kerk is niet alleen een historische grootheid, ze heeft haar ontstaan te danken aan gebeurtenissen die in de historie plaatsvonden in het raam van de geschiedenis van Israël. Israël was een bijzonder volk, waarin staat en ‘kerk’ samenvielen als in een theocratie. In Israël vonden die dingen plaats waar de kerk van getuigt. De gebeurtenissen waarvan het Evangelie getuigt, zijn betekenisvol en gezagvol omdat ze binnen dit bijzondere volk plaatsvonden. Bovendien hebben betrouwbare getuigen er getuigenis van gegeven en markeerden de wonderen die ermee gepaard gingen hun authenticiteit. Ze kwamen overeen met de beloften, die zoals de historie laat zien aan Israël gegeven werden.

Hamann is er tegenover Mendelssohn veel aan gelegen om te onderstrepen dat de gebeurtenissen van het Evangelie ook voor de historie van Israel zelf van doorslaggevende betekenis zijn. Jezus is gekomen om het volk op te richten, wie ongelovig is, komt echter tot een val. Dat geldt voor Israël. Het geldt ook voor Europa. Wie de feiten van het Evangelie die plaatsvonden tegen de achtergrond van het Oude Testament en wie de betekenis ervan gaat ontkennen, komt er los van te staan, waardoor het leven van de volkeren wordt ontwricht.

Dat wreekt zich in de geschiedenis: de kerk wordt, aldus Hamann, in staatkundig opzicht een spook en de staat een geraamte. Hij bedoelt: de kerk die niet meer geworteld is in en gericht is op de historie gaat een spookachtig bestaan leiden: er is geen gebeente, geen kracht meer in, terwijl de staat, die zich losweekt van de kerk zielloos wordt: een geraamte, waarin veel regels zijn, maar zonder leven, zonder bloedsomloop en vlees. Want een verandering van denken omtrent de kerk en de samenleving kan niet zonder gevolgen blijven, aldus Hamann. Het voorbeeld van de Pruisische koning Frederik de Grote die het zich veroorloofde om enorme belastingen te heffen, met voorbijzien aan het welzijn van de mensen en wiens hofleven op seksueel gebied te denken geeft, was voor Hamann sprekend genoeg.

De waterscheiding die Mendelssohn aanbrengt, maakt de staat dus steriel en zielloos. Ontworteling van historie, een breuk met het verbond heeft heilloze gevolgen, omdat de openbaring van God in de historie is ingegaan.

Nu weet Hamann heel goed dat, ondanks het feit dat het Evangelie in de geschiedenis is gekomen, de verhouding van de kerk tot deze wereld (de staat) altijd problematisch is en dat het al heel wat is als de kerk geduld wordt. Om die reden zegt hij ook dat het theocratisch karakter van Israël uniek was. Het is als een dauwdruppel waarop de zon schijnt en die daardoor enigszins laat doorschemeren hoe God het eigenlijk bedoeld heeft, terwijl de directe betrokkenheid van de staat en de ‘kerk’ die Israël kende wel enigermate als voorbeeld dient, maar nooit gerealiseerd kan worden. De kerk draagt immers een eschatologisch karakter. Ze is gericht op het Koninkrijk der hemelen. Toch heeft een geforceerde en absolute waterscheiding desastreuze gevolgen. Het berust op een miskenning van wat God in de historie heeft gedaan.

Deze laatste notie komen we vaak tegen bij Hamann, ook in zijn polemiek met zijn vriend Immanuel Kant. Het was de grote kwaal van de Verlichting dat de rede uit elkaar haalde wat bij elkaar hoort: waarheid en historie, realiteit en idealiteit. Dit laatste is bij mijn weten door niemand zo helder onder woorden gebracht als door de Française Blandine Kriegel. Over haar diepgravende en zeer verhelderende onderzoek en gedachten wil ik in een volgend artikel schrijven.

H. Klink, Hoornaar