Terug naar Ecclesianet.nl

De persoon van de Heere Jezus Christus en de betrouwbaarheid van het getuigenis van de evangeliën (I)

Niet in de laatste plaats bieden de boeken over de Here Jezus van Joseph Ratzinger, die als paus de naam Benedictus XVI aannam, voor een groot publiek een tegenwicht tegen populaire publicaties met een semiwetenschappelijk karakter. In deze laatste boeken wordt ofwel gesteld dat we van de historische Jezus zo goed als niets kunnen weten ofwel dat de apocriefe evangeliën ons dichter bij de historische Jezus brengen dan de canonieke evangeliën. De zogenaamde nieuwe atheïsten plegen zich met graagte op dergelijke geschriften te beroepen. Daarmee geven zij er blijk van niet op de hoogte te zijn van wat er speelt in de nieuwtestamentische wetenschap.

Tegen beide genoemde zienswijzen zijn namelijk – nog los van de geloofsovertuiging dat de nieuwtestamentische geschriften door Gods Geest zijn geïnspireerd – doorslaggevende wetenschappelijke bezwaren aan te brengen. Ook als men de canonieke evangeliën veel later dateert dan nodig is, gaan zij nog aan de apocriefe evangeliën vooraf. Terwijl er in de canonieke evangeliën – en dan niet in de laatste plaats het evangelie naar Johannes, dat ten onrechte vaak als historisch weinig betrouwbaar wordt gezien – telkens weer geografische en chronologische details voorkomen, ontbreken die juist in de apocriefe evangeliën. De canonieke evangeliën dragen alle – elk op hun eigen wijze – het stempel van het Palestijnse Jodendom van de Tweede Tempel. Ik wijs er terzijde op dat het woord ‘Palestijns’ hier geen enkele politieke lading heeft, maar in dit verband in onderscheid met ‘hellenistisch’ wordt gebruikt.

De evangeliën zijn als genre niet uniek zoals wel door de zogenaamde vorm-kritici is beweerd. Dezen stelden dat de evangeliën ons confronteren met de verkondiging over Jezus, het kèrugma. Volgens de vormkritiek is de inhoud van de evangeliën terug te voeren op de christelijke gemeenten na Pasen. Als dit zo is, merkte reeds in de vorige eeuw de Britse nieuwtestamenticus Vicent Taylor ironisch op, moeten de apostelen direct na de opstanding in de hemel zijn opgenomen. De apostelen waren immers oog- en oorgetuigen van Jezus’ optreden op aarde.

Voor lezers en hoorders uit de antieke oudheid hadden de evangeliën het voor hen bekende karakter van biografieën. Niet de vorm maar de inhoud maakt de evangeliën uniek. In alle evangeliën gaat het om verkondiging en theologie gebaseerd op historische feiten. Er is sprake van theologische geschiedschrijving. Bij de eerste drie evangeliën moet het woord ‘geschiedschrijving’ en bij het vierde het woord ‘theologisch’ meer worden onderstreept. Daarbij gaat het om een gradueel en niet om een principiëel verschil.

Een groot deel van het onderwijs van Jezus heeft de vorm van spreuken. Dat geldt voor zowel de gelijkenissen als voor de andere woorden van Jezus. In deze vorm was het onderwijs van Jezus gemakkelijk te memoriseren. Bij de vormgeving van de mondelinge overlevering en later bij de opschriftstelling ervan, was het redactionele ingrijpen minimaal. Vaak deed men niet meer dan hier en daar wat verduidelijken. Vanzelfsprekend was de redactionele vormgeving sterker waar het in onderscheid van het onderwijs van Jezus ging om de vertelling over Jezus’ leven. De evangelisten vertellen vanuit de volle wetenschap wie Jezus na Zijn opstanding bleek te zijn. Vanuit het licht van de opstanding wordt zijn gehele leven op aarde verteld. Dat is echter op zich niet strijdig met het historische karakter van wat verteld wordt. Geschiedenisvertelling is nooit neutraal en wordt altijd door uitgangspunten beheerst.

De evangeliën geven niet altijd de ipsissima verba (de exacte woorden die Hijzelf gebruikte) van Jezus maar wel de ipsissima vox (zijne eigen stem). Wij moeten geen maatstaven aanleggen die historici uit de oudheid vreemd waren. Nog afgezien van het feit dat de evangeliën gerelateerd moeten worden aan mondelinge overlevering, moeten we in aanmerking nemen dat men niet de gewoonte kende om citaten tussen aanhalingstekens te plaatsen. Ook voetnoten waren onbekend. Dat betekent onder meer dat men geen strak onderscheid maakte tussen een exacte en een zakelijke weergave van iemands woorden.

De nieuwtestamentische brieven ondersteunen de gedachte dat de eerste christenen een nauwkeurig onderscheid maakten tussen door de Geest geleide vermaning en het onderwijs van Jezus’ zelf. Het onderwijs van Jezus zelf speelt geen overheersende rol in de vermaningen die we vaak aan het slot van de nieuwtestamentische brieven tegenkomen. Dat is een indicatie dat het onderwijs waarvan we lezen in de evangeliën echt bij Jezus’ optreden op aarde hoort en niet bij de verkondiging van de christelijke kerk na Pasen.

De vier evangeliën zijn door de Kerk nooit als concurrenten van elkaar gezien. In overeenstemming met wat wij lezen in 1 Kor. 15:1v., waren de eerste christenen ervan overtuigd dat in de vier evangeliën dezelfde boodschap werd gehoord. Welbewust heeft de Kerk eraan vastgehouden en niet de harmonie die de Syrische christen Tatianus vervaardigde als vervanging ervan aanvaard. De schijnbare tegenstrijdigheden tussen de evangeliën werden niet als een bedreiging voor het historische karakter ervan gezien. Hoe dan ook zijn de verschillen tussen de evangeliën veel minder groot dan de overeenkomsten. Deze constatering blijft staan, ook als wij het evangelie naar Johannes erbij betrekken.

De schijnbare verschillen tussen de evangeliën werden in de Vroege Kerk door harmonisatie in de uitleg van de evangeliën met elkaar in overeenstemming gebracht. Niet elke harmoniserende verklaring die werd gegeven, is even geloofwaardig. Echter, het afwijzen van elke vorm van harmonisatie getuigt van een vooringenomenheid die haaks staat op de claim van de Schrift zelf. In de geschiedwetenschap is harmonisatie één van de middelen die wordt gebruikt, als bronnen tegenstrijdigheden bevatten. Als historici dit middel voor buitenbijbelse bronnen gebruiken, mogen christenen het dan niet doen bij het lezen van de Bijbel?! 

In de evangeliën zien en horen we Jezus zoals hij getekend is door de evangelisten. Zij waren óf zelf ooggetuigen óf hebben van de getuigenissen van ooggetuigen gebruik gemaakt. Hun portret van Jezus gaat dan ook terug op het optreden en onderwijs van Jezus zelf.

Bij het optreden van Jezus horen ook de wonderen die Hij heeft verricht en met name zijn opstanding. Op dit punt wordt duidelijk dat een levensbeschouwelijk neutrale benadering van de evangeliën niet mogelijk is. Want wie uitgaat van het methodisch naturalisme kan per definitie geen plaats inruimen voor wonderen. Echter, als de wonderen werkelijk zijn geschied – en daar zijn christenen terecht diep van overtuigd – betekent dat een op de uitgangspunten van het methodisch naturalisme getekend portret van Jezus een vertekening is.

In de synoptische evangeliën wordt de stof vaak thematisch en niet chronologisch geordend. Ook dat doet aan de historiciteit van het vermelde niet af. Het is één van de aanwijzingen dat de vermelde gebeurtenissen met een doel worden verteld. Ik merk terzijde op dat het evangelie naar Johannes waarvan het historisch karakter door veel nieuwtestamentici laag wordt ingeschat vanwege de chronologische wijze van vertellen en de vele geografische details in de Vroege Kerk juist op dit punt zeer hoog werd ingeschat

De evangelisten hebben het optreden en het onderwijs van Jezus verhaald met het doel om hoorders en lezers ervan te overtuigen dat Jezus de Christus de Zoon van God is en om degenen die dat reeds geloofden, in het geloof te versterken. Onweerlegbaar is dat de allervroegste christenen Jezus als kurios beleden, wat inhoudt dat ze Hem gelijk zagen aan de God van Abraham, Izak en Jacob. Dan is weer de vraag: gaat deze overtuiging op het onderwijs van Jezus zelf terug? Wanneer die vraag negatief wordt beantwoord, omdat een dergelijke overtuiging niet zou passen in het Jodendom van de Tweede Tempel, wordt het probleem van Jezus zelf naar Zijn volgelingen verlegd. Deze behoorden echter ook bij het Jodendom van de Tweede Tempel. Ten opzichte van de persoon van Jezus en het getuigenis dat de evangeliën van Hem geven, is geen neutrale houding mogelijk. Of wij verwerpen de claim dat Hij werkelijk God is die mens werd of wij aanvaarden haar. Dat laatste maakt alles anders.

P. de Vries, Hardinxveld-Giessendam