Terug naar Ecclesianet.nl

Ds. D. van Heyst (1913-2001), “de laatste kohlbruggiaan”?

Daar hebben we ds. Van Heyst, de láátste kohlbruggiaan van Nederland.” Met die woorden begroette professor dr. Heiko A. Oberman de dominee uit Ommen, toen hij hem in het najaar van 1990 bij een bepaalde gelegenheid ergens in Nederland ontmoette.1 Dat de aangesprokene verguld was met deze (goedbedoelde) begroeting, is niet aannemelijk. Als rechtgeaard discipel van Kohlbrugge weigerde hij met diens naam te worden aangeduid; hij wilde alleen vriend of leerling van Kohlbrugge worden genoemd. En van “láátste kohlbruggiaan” kon zeker geen sprake zijn. Er waren er in ons land nog altijd velen, die bekoord werden door de prediking van dr. H.F. Kohlbrugge.
Sloeg de vermaarde kerkhistoricus professor Oberman2 de plank dan helemaal mis? Of bevatten zijn woorden toch een kern van waarheid? Op deze vraag komen we nog terug aan het slot van een korte schets van Van Heysts leven en werk.

Levensloop
Dirk van Heyst werd een eeuw geleden, op 5 mei 1913, in Vlaardingen geboren als zoon van Jakob van Heyst en Henderina Maria van der Valk. In deze stad, waar de visserij destijds een belangrijke rol speelde, groeide hij op. De zee trok hem, maar het verlangen om “visser van mensen” te worden kreeg de overhand. Het ontwaakte bij hem reeds, toen hij als jongen van dertien op een woensdagavond een dienst in de Grote Kerk bijwoonde, waarin de Rotterdamse hervormde ds. P. van Toorn preekte over Lamechs wraaklied. Hij was destijds leerling van het stedelijk gymnasium in Schiedam. Kohlbrugge, in die jaren nog geestelijk eigendom van een betrekkelijk kleine kring, bleef voor Dirk van Heyst voorlopig een gesloten boek. Ook in de tijd dat hij in Utrecht theologie studeerde, van 1931 tot 1934, hoorde hij maar weinig over Kohlbrugge. Professor dr. Hugo Visscher, die in Sint Johannesga had gestaan, een gemeente met een kohlbruggiaanse inslag, noemde zijn naam wel eens. Verder kwamen de prediking en de theologie van Kohlbruggeaan de orde in de door de Groningse hoogleraar dr. Th. L. Haitjema gegeven gastcolleges over de richtingen in de Nederlandse Hervormde Kerk.3

Na zijn kandidaatsexamen op 21-jarige leeftijd ging Van Heyst naar Leiden om Assyrisch-Babylonisch te studeren bij professor dr. F.M.Th. (de Liagre) Böhl en zo zijn kennis van de wereld van het Oude Testament te verdiepen. Een vraag die hem in die tijd vooral bezighield, was: hoe de Christus te verkondigen uit het Oude Testament. Hij sprak erover met een medestudent en deze wees hem toen op de Leidse kohlbruggiaanse predikant dr. J.C.S. Locher. Van Heyst nam contact met hem op en kreeg het advies, geschriften van Kohlbrugge te lezen (onder andere Wozu das Alte Testament en preken over de beloofde Christus), alsmede werken van diens schoonzoon Eduard Böhl. Zo kwam hij voor het eerst in aanraking met Kohlbrugge’s prediking, waarvan hij nooit meer is losgekomen. Er ontstond een hechte band met dr. Locher, die doorkneed was in de theologie van Kohlbrugge. Na anderhalf jaar hulpprediker te zijn geweest in Rijnsburg, werd Van Heyst op 6 februari 1938 in het Utrechtse Tienhoven in het ambt van predikant bevestigd. Dr. Locher, die de bevestigingsdienst leidde, preekte over Ezechiël 3: 17a: “Mensenkind! Ik heb u gesteld tot een wachter over het huis Israëls”. Zestig jaar later schreef ds. Van Heyst in een brief, dat deze preek voor hem gedurende heel zijn loopbaan richtinggevend is geweest.

Sinds vele jaren redigeerde dr. Locher het Kerkblaadje, het landelijke orgaan van de vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge. Na Lochers overlijden (27 april 1940) kwam het blad onder redactie van zijn zoon dr. G.F.D. Locher (Breukelen). Medewerking verleenden ds. D. van Heyst (Tienhoven) en ds. H.C. Touw (Leiden). Al na vijf maanden legde de Duitse bezetter het blad een verschijningsverbod op. Aanleiding daartoe was een stuk van dr. Locher ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van koningin Wilhelmina. Zes jaar lang moesten de vrienden van Kohlbrugge het zonder hun lijfblad stellen. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg ds. Van Heyst uit de vroegere lezerskring het verzoek, het blad opnieuw te laten verschijnen. In 1946, nadat hij predikant in Ommen was geworden, slaagde hij daarin met steun van dr. G. Oorthuys. Zo verscheen op 22 november 1946 het eerste naoorlogse nummer van het Kerkblaadje.

Gedurende een halve eeuw gaf ds. Van Heyst als eindredacteur zijn beste krachten aan het blad. Veel steun ondervond hij daarbij van zijn vrouw, mevrouw P.A. van Heyst-van der Kooij, die jarenlang administratice was. Ds. Van Heyst zag het als zijn speciale roeping, door middel van het Kerkblaadje (in 1989 omgedoopt tot Ecclesia) het geestelijk erfgoed van dr. H.F. Kohlbrugge door te geven. In de loop der jaren verschenen van zijn hand tal van vertalingen van preken, preekfragmenten, Schriftuitleggingen en anderestukken van Kohlbrugge.

Deze activiteiten combineerde hij met zijn ambtelijke bediening in Ommen, waar hij ruim 31 jaar werkzaam is geweest, van 30 juni 1946 tot 1 maart 1978, toen zijn emeritaat inging. Als prediker trad ds. Van Heyst in de voetsporen van zijn voorgangers, de predikanten F. Oberman, H.G. Ubbink en G.A. Bruins, die hun stempel op de hervormde gemeente hadden gedrukt. Niet alleen als prediker en catecheet, maar ook als pastor was hij uiterst actief, stelde zijn Ommense ambtgenoot vast.4

Luie kohlbruggianen?
Ds. Van Heyst heeft nog de tijd meegemaakt dat kohlbruggiaanse predikanten soms werd verweten dat zij hun pastorale werk verwaarloosden. In 1947 verscheen in het weekblad De Hervormde Kerk een serie artikelen van de hand van professor dr. A.M. Brouwer5 over de richtingen in de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarin kwamen modernen en vrijzinnigen, evangelischen (de opvolgers van de “Groningers”) en confessionelen, de ethischen en ook “de kohlbruggianen” en de Gereformeerde Bond aan de orde. Brouwer rekende kohlbruggianen en “bonders” tot uiterst rechts. De eersten vormden geen partij en wilden zelfs de naam van Kohlbrugge niet dragen; ze waren slechts als “een nuancering onder de gereformeerden” te beschouwen. Volgens Brouwer zagen tegenstanders van Kohlbrugge in diens standpunt een volkomen miskenning van de Wet (antinomisme), een lijdelijkheid en een zich afzijdig houden van gemeentelijke, maatschappelijke en sociale werkzaamheden (quietisme). Een nobel en bekwaam kohlbruggiaan als dr. J.C.S. Locher ontkende dit, aldus Brouwer. “Maar dat er onder de latere volgelingen van Kohlbrugge zulke waren, predikanten bijv. die zich alleen op het preekwerk toelegden, maar het pastorale werk lieten rusten, moet toch wel erkend worden.”

Tegen deze opmerking kwam ds. Van Heyst terecht in ‘t geweer. Hij reageerde in een ingezonden stuk met het opschrift “Luie kohlbruggianen?” in De Hervormde Kerk van 5 juli 1947: “Het is een vreemde historie met deze luie kohlbruggianen. Destijds is aan Kohlbrugge zelf verweten, dat hij te lijdelijk zou zijn, omdat hij zo hartstochtelijk afwees, dat de mens, die zondaar is en blijft, zelf zijn eigen heiligmaking zou oprichten en ook deze niet als genadegave Gods in Christus zou ontvangen. Maar daarbij ging het volstrekt niet om lijdelijkheid. Integendeel: het ging erom bij Christus en Zijn Woord te blijven en om levende gemeenschap met Hem te hebben. En juist wanneer dat geschiedt gaat de belofte in vervulling: “Ik zal Mijn Geest in U geven en Ik zal zulke mensen uit U maken, die in Mijn geboden wandelen, Mijn rechten houden en daarnaar doen.” Dat heeft zich ook zowel in Kohlbrugge’s leven als in zijn gemeente geopenbaard: het diaconale werk bloeide er; jeugd- en vrouwenverenigingen werden opgericht; zijn preken hielden zich bezig met het gehele leven, ook met de maatschappelijke verhoudingen en toestanden. Van luiheid was er geen spoor te vinden. Ook niet bij hen, die door zijn prediking gegrepen werden, zoals de Lütges en de Lochers. Het weten dat het Woord alleen het doet, gaf hun een wonderlijke drift van binnen om dat Woord dan ook te prediken, in kerken en in huizen.

Maar desondanks duikt altijd weer de beschuldiging op: de luie kohlbruggianen (…..). Zij, die wezenlijk iets met Kohlbrugge hebben uit te staan, weigeren echter met zijn naam genoemd te worden: ze willen hoogstens zijn vrienden heten en erkennen gaarne, dat zijn prediking hun ogen geopend heeft voor de boodschap des heils. Die boodschap, die tot brandende getuigen maakt : “Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig.”

De tijden zijn intussen veranderd. Tegenwoordig worden de vrienden van Kohlbrugge nog maar sporadisch als “kohlbruggianen” of “neo-kohlbruggianen” aangeduid. Doelde professor Oberman wellicht op het bijna verdwenen gebruik van deze term, toen hij ds. Van Heyst “de laatste kohlbruggiaan” noemde? Kohlbrugge’s gedachtegoed is allang niet meer in kleine vriendenkringen opgesloten, maar heeft in veel bredere kring erkenning gevonden. Zelf heeft ds. Van Heyst in belangrijke mate bijgedragen aan de verbreiding van Kohlbrugge’s geestelijk erfgoed. Met dankbaarheid brengen we zijn werk nog eens in herinnering, nu het honderd jaar geleden is dat hij het levenslicht aanschouwde. M. den Admirant, ‘s-Gravenhage

Noten

  1. Medegedeeld door ds. J.K. Vlasblom in zijn toespraak op 8 november 1991 bij de presentatie van de bundel HET WOORD is ons gegeven, Schriftuitleg van Dr. H.F. Kohlbrugge. Zie: Ecclesia, 82ste jg. Nr. 25 (13 december 1991).
  2. Heiko Augustinus Oberman (1930-2001), historicus en theoloog, één van de grootste kenners van de late middeleeuwen en de Reformatie, werd in Utrecht geboren, studeerde aan de universiteit aldaar en promoveerde in 1957. Achtereenvolgens was hij hoogleraar aan de Harvard University, in Tübingen (Duitsland) en aan de universiteit van Arizona in Tucson. Hij was een kleinzoon van de kohlbruggiaanse ds. Foppe Oberman (1851-1914), die in Steenwijkerwold, Ommen en Leiden heeft gestaan.
  3. De Civitate, maandblad van de CSFR, jg. 23, Nr. 10 (december 1973), blz. 12.
  4. Zie Kerkblaadje, 69ste jg., nr. 2/3 (27 januari 1978); dit speciale nummer verscheen ter gelegenheid van het veertigjarig ambtsjubileum van ds. Van Heyst.
  5. Professor dr. A.M. Brouwer (1875-1948) behoorde tot de ethische richting.