Terug naar Ecclesianet.nl

Hoe de kijk op Kohlbrugge’s prediking veranderde (III)

Karl Barth over Kohlbrugge
Hoe dacht de reeds genoemde Zwitserse theoloog Karl Barth zelf over Kohlbrugge? Karl Barth (1886-1968), die in Bern, Berlijn, Tübingen en Marburg studeerde, werd in 1921, na een tienjarig predikantschap in Safenwil, bijzonder hoogleraar in de theologie aan de universiteit in Göttingen. Tijdens een reis naar het Rijnland en Westfalen maakte hij kennis met een protestantse wereld waar de geest van Kohlbrugge rondwaarde. Op 7 juni 1925 schrijft hij daarover in een brief aan zijn studievriend Eduard Thurneysen. Hij heeft aandachtig de gelééfde geloofshouding van enkele kohlbruggianen in zich opgenomen, constateert verwantschap, maar waarschuwt tegen radicalisme. “Ik speur ( ..…) een soort protestantse jezuiëterij van zeer fijn kaliber, die ikzelf – zonder het te bestrijden – in ieder geval niet meemaak.” Hun schoonmaak in de ethische huishouding en hun afstand nemen tot de leer der heiliging kan ook een bedenkelijke crypto-ethiek zijn. Wie beweert in zichzelf niets te bezitten, omdat hij in Christus alles bezit, kan blijkbaar als levensgenieter heel goed z’n slag weten te slaan! Het gaat niet aan, Gods vrije genade te willen prijzen en eren door een vrijmoedig gebruik van de vrucht van de wijnstok.1

In een “Vorwort” in zijn in 1927 verschenen werk Die christliche Dogmatik im Entwurf noemt Barth Kohlbrugge als één der personen bij wie hij zich op beslissende punten theologisch thuis voelt. Hij citeert in dit boek Kohlbrugge’s bekende schedelpreek. In zijn werk Die protestantische Theologie im 19. Jahrhundert (1947) wijdt Barth negen pagina’s aan Kohlbrugge, waarin hij zich lovend over hem uitlaat. “Krachtiger dan wie ook voor en na hem in de negentiende eeuw heeft Kohlbrugge de theologie van de Reformatie weer ten tonele gevoerd en daarmee het protestantisme aan zijn oorsprong, aan zijn wezen herinnerd.” Een integrale vernieuwing van het reformatorische dogma, juist op de moeilijkste punten (onvrije wil, dubbele predestinatie, rechtvaardiging), is hij niet uit de weg gegaan. Barth heeft echter ook kritiek. Kohlbrugge mag de vrije en vrijblijvende genade Gods duidelijker hebben gezien dan Calvijn, de Geneefse hervormer heeft de problematiek van de verhouding tussen God en mens over het geheel toch beter doorzien. Bij hem verdwijnt de gehoorzaamheid niet in het geloof, de heiligingsgenade niet in de rechtvaardigingsgenade. Voor Calvijn blijft de Wet als correlaat van het Evangelie, als zinvol Woord Gods voor de in de wereld levende mens zelfstandig van belang. Om dit te verduidelijken kiest Barth een sprekend voorbeeld dat Kohlbrugge zelf heeft gebruikt: de hond is het dankbaarste schepsel, hij kruipt altijd naar zijn meester, ook als hij slagen van hem krijgt. Bij Calvijn, aldus Barth, kruipt de hond niet alleen deemoedig naar zijn baas, maar hij kan en moet, als zijn meester fluit en commandeert, ook opspringen, blaffen, nazitten, pakken en bijten. Daarmee is niet gezegd dat dit alles bij Kohlbrugge werkelijk verdwijnt, maar dat zo’n gevaar dreigt, en in de kringen van Kohlbrugge’s leerlingen soms heel tastbaar is geworden, valt niet te ontkennen. Waar men bij Kohlbrugge bijna maar één woord hoort, hoort men bij Calvijn regelmatig twee woorden.

Barth noemt nog een ander punt van kritiek: de visie op de Bijbel. Kohlbrugge hing een strenge, volstrekt niet organische, maar zo men wil echt mechanische inspiratieleer aan. De Heilige Schrift is naar zijn opvatting geheel en al Gods Woord, van het eerste vers van Genesis tot het laatste van Openbaring. Calvijn is, zegt Barth, als Bijbeluitlegger ongetwijfeld vrijer, opener en minder krampachtig dan Kohlbrugge, bij wie men de indruk krijgt dat hij de Bijbel soms geweld wil aandoen. Van de Romeinenbrief tot het boek Esther getuigt de Bijbel en moet hij getuigen van Kohlbrugge’s eigen genadeleer.2

Positief is wat Barth aan het slot opmerkt. Bij geen enkele van de in zijn boek besproken theologen is hij in de verleiding gekomen, hem naar de maatstaf van een reformator te kritiseren. “Het geeft Kohlbrugge’s grootheid aan, dat dit bij hem onvermijdelijk is.”

Geestverwantschap
Vooral door de dialectische theologie heeft het gedachtegoed van Kohlbrugge in de twintigste eeuw meer bekendheid en waardering gekregen. Diverse theologen hebben gewezen op de geestverwantschap tussen Kohlbrugge en Barth. Noordmans vestigde er de aandacht op, evenals Haitjema en Miskotte, die reeds in de jaren twintig door Barth geraakt werden.3

Professor dr. Th. L. Haitjema4, kerkelijk hoogleraar in Groningen, introduceerde als een der eersten Barths dialectische theologie in ons land. In de winter van 1925/’26 hield hij voor predikanten een zestal academische colleges over Karl Barth en de jong-Zwitserse theologie. Deze voordrachten werden gebundeld en in 1926 onder de titel Karl Barth uitgegeven. Volgens Haitjema was terecht al dikwijls gewezen op de overeenkomst tussen tussen Kohlbrugge en Barth. Vooral na de radicale frontverandering in de tweede druk van Barths Römerbrief werd deze overeenkomst onloochenbaar. De geestverwantschap bleef trouwens ook voor Barth zelf niet verborgen, toen hij van de geschriften van Kohlbrugge kennisnam.

In een andere publicatie van zijn hand zegt Haitjema: “Als Karl Barth ons de leer van de drie gestalten van het Woord Gods, namelijk als het geopenbaarde, het geschreven en het gepredikte Woord gaat ontvouwen, dan trekt hij daarmee alleen maar in het volle licht, wat Kohlbrugge eigenlijk ook had bedoeld, als hij van de Schrift als de enige bron en norm der geloofswaarheid van de mens aller tijden sprak.”5

Een andere theoloog, die al in een vroeg stadium de geestverwantschap tussen Kohlbrugge en Barth ontdekte, was ds. K.H. Miskotte.6 Als predikant te Kortgene (Noord-Beveland), waar hij van 1921 tot 1925 de hervormde gemeente diende, las hij in 1923 Barths Römerbrief. Na een grondige bestudering van dit geschrift stuurde hij de auteur begin januari 1924 een brief, waarin hij hem opmerkzaam maakte op het werk van Hermann Friedrich Kohlbrugge. “Mijns inziens”, aldus Miskotte, “is uw kritiek op alle theologie en uw leer van het geloof voorbereid in het woord van deze begenadigde. Meer dan Kierkegaard en Kutter heeft hij die merkwaardige toon van paradoxale zekerheid, die ons bij Luther zo weldadig aandoet (….). In eenvoudige vorm bevatten zijn bijna talloze preken de dialectiek van de rechtvaardiging.”7

Heiko Miskotte was van huis uit bekend met Kohlbrugge’s geschriften. Voor zijn moeder, Titia Haan, een pleegdochter van de kohlbruggiaanse dominee Kornelis Havinga, behoorden de preken en Schriftuitleggingen van Kohlbrugge tot de geregelde lectuur. In Miskotte’s studententijd was Kohlbrugge één van de theologen die hem het meest boeiden. Diens diepe prediking sprak hem aan, al had hij wel kritiek op zijn theologie. Later was hij van plan een dissertatie te schrijven over de heiligingsleer van Kohlbrugge. Toen hij daarmee bezig was, kwam hij tot de ontdekking dat het contrast met de bijbels-reformatorische leer van Kohlbrugge het duidelijkst naar voren komt bij Joodse denkers. Dit was voor hem reden, als onderwerp voor zijn proefschrift te kiezen: Het wezen der Joodsche religie. In deze studie, waarop hij in december 1932 te Groningen cum laude promoveerde, vergeleek hij de heilsleer van Kohlbrugge met de Joodse godsdienstfilosofie.

Waardering voor Kohlbrugge toonde ook een bekend theoloog in de Gereformeerde Kerken in Nederland, prof. dr. G.C. Berkouwer.8 In een in 1948 gehouden referaat stelde hij vast dat Kohlbrugge’s naam weer op veler lippen was en dat er tal van studies over de betekenis van diens prediking en theologie verschenen. Duidelijk was dat die toegenomen belangstelling samenhing met de invloed van Barths dialectische theologie. Berkouwer sloot zich in zijn oordeel over Kohlbrugge aan bij dr. A. Kuyper, die hem wel “minder veelzijdig” dan de Hervormers noemde, maar toch sprak van “de schat, ons in Kohlbrugge’s prediking geschonken.”9

Toen zich in de tweede helft van de 20ste eeuw grote veranderingen voltrokken in kerk en theologie, verminderde bij velen de belangstelling voor Kohlbrugge’s prediking. Zijn betekenis voor de theologie, met name op het terrein van rechtvaardiging en heiliging, wordt echter nog steeds erkend. In Berkhofs bekende werk Christelijk geloof krijgt Kohlbrugge’s zienswijze dan ook de aandacht die ze verdient.10 En in het boek van prof. dr. A. van de Beek over de belangrijkste theologen uit de 19de en de 20ste eeuw, Van Kant tot Kuitert, wordt ook Hermann Friedrich Kohlbrugge genoemd als een van de bijna 50 personen die de theologische discussies in die periode het meest hebben beïnvloed.11

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage


Noten

  1. Karl Barth. Theologisch geboortebewijs in een briefwisseling tussen 1913 en 1930, meegelezen door dr. J.M. Hasselaar, Kampen 1986, blz. 124.
  2. Karl Barth, Die protestantische Theologie im 19. Jahrhundert, Zollikon/Zürich 1947, S. 579-587. Zie ook: Drs. A. de Reuver, Karl Barth in het spoor van Kohlbrugge?, in: Dr. W. Aalders e.a., Barth-Kohlbrugge-Miskotte. Ontwikkeling of breuk? Kampen 1984, p. 37-50.
  3. Ook volgens A. de Reuver valt een geestverwantschap niet te loochenen. Vele bladzijden uit Barths geschriften herinneren aan Kohlbrugge en ademen dezelfde geest. Barth en Kohlbrugge stellen het debâcle van de natuurlijke theologie en religie aan de kaak. Toch is Barths theologie in haar geheel een andere dan de reformatorische en die van Kohlbrugge. Barth kan dan ook geen volgeling van Kohlbrugge worden genoemd, a.w., blz. 38 e.v.
  4. Theodorus Lambertus Haitjema (1888-1972), behorend tot de confessionele richting in de Nederlandse Hervormde Kerk, was predikant in De Meern (intrede 1914), Hoogmade en Rijpwetering (1916) en Apeldoorn (1918). In 1923 werd hij benoemd tot kerkelijk hoogleraar te Groningen met als leeropdracht: de geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk en haar leerstellingen, de dogmatiek en het Nederlands hervormd kerkrecht.
  5. Dr. Th.L. Haitjema, De nieuwere geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming, ’s-Gravenhage 1964, blz. 181.
  6. Kornelis Heiko Miskotte (1894-1972) was na zijn theologische studie te Utrecht hervormd predikant te Kortgene (intrede 1921), Meppel (1925), Haarlem (1930) en Amsterdam (1938- 1945). In 1945 werd hij benoemd tot kerkelijk hoogleraar te Leiden om onderwijs te geven in dogmatiek, ethiek, kerkrecht en zendingswetenschap. Dit ambt vervulde hij tot december 1959. Hij woonde daarna te Voorst in de oude dorpspastorie, die vroeger bewoond was door ds. H.J. de Groot.
  7. Dr. K.H. Miskotte, Karl Barth, inspiratie en vertolking: inleidingen, essays, briefwisseling. Verzameld werk, deel 2. Kampen 1987, blz. 430.
  8. Gerrit Cornelis Berkouwer (1903-1996) was gereformeerd predikant te Oudehorne en te Watergraafsmeer. In 1940 werd hij tevens buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Berkouwer was voorzitter van de synode die in 1944 prof. dr. K. Schilder afzette. In 1945 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar aan de VU.
  9. Het referaat, gehouden op 14 juli 1948 in een wetenschappelijke samenkomst van de Vrije Universiteit, verscheen in druk onder de titel Kohlbrugge in onze tijd. Berkouwers oordeel over Kohlbrugge stak gunstig af bij dat van zijn Kamper collega prof. dr. K. Dijk, die in 1952 nog beweerde dat het kwaad van de lijdelijkheid in de 19de eeuw “onder invloed van Kohlbrugge en Ledeboer” in ons land gevoed en verbreid is (Zie: dr. K. Dijk, Van eeuwigheid verkoren, Delft, blz. 150).
  10. Dr. H. Berkhof, Christelijk geloof, 9de druk, Kampen 2007, o.a. blz. 429, 442, 465.
  11. Dr. A. van de Beek, Van Kant tot Kuitert, Kampen 2006, blz. 57-60.