Terug naar Ecclesianet.nl

Belangwekkende studies over het Nieuwe Testament

Inleiding

Decennia lang is in de vorige eeuw het landschap van de nieuwtestamentische wetenschap gestempeld door Rudolph Bultmann. Volgens Bultmann weten we van Jezus alleen dat hij aan het kruis stierf. De stof in de evangeliën zegt ons naar diens overtuiging louter iets over de inzichten van de eerste christenen. Aan de persoon van de historische Jezus werd de gnostische verlossingsmythe gekoppeld toen het Palestijnse christendom in contact kwam met het hellenisme. Al bij zijn leven is Bultmann bepaald niet onweersproken gebleven. Sindsdien is alleen maar duidelijke geworden dat zijn inzichten niet alleen strijdig zijn met het klassieke Christendom maar ook academisch onhoudbaar zijn. Met ere mag hier de in 2009 overleden nieuwtestamenticus Martin Hengel worden genoemd. In zijn studie Judentum und Hellenismus toonde hij vanuit de bronnen aan dat ook in het land Israël zelf tal van hellenistische invloeden aanwezig waren. Wij kunnen dan ook het Palestijnse en hellenistische Jodendom en in het verlengde daarvan het Palestijnse en hellenistische christendom niet nauwkeurig van elkaar afbakenen. Het is ook volstrekt onterecht te stellen dat wij niets kunnen weten van de historische Jezus. Dat heeft Hengel in tal van publicaties laten zien.

Iemand die ook deze laatste weg bewandelt, is James D.G. Dunn, één van de meest vooraanstaande nog levende nieuwtestamentici. Voor een drietal van zijn jongste publicaties wil ik de aandacht vragen. Dat betreft allereerst de eerste twee delen van een trilogie die de titel meegekregen heeft Christianity in the Making. Het eerste deel Jesus Remembered opent met een aantal methodische overwegingen waarbij Dunn zijn werkwijze uitlegt. Vervolgens wordt de synoptische traditie behandelt. Het tweede deel Beginning from Jerusalem behandelt het boek Handelingen, de brieven van Paulus (niet de pastorale brieven), het getuigenis van Petrus (Dunn is er niet zeker van of de eerste brief van Petrus van de hand van de apostel zelf is) en dat van Jacobus. In het laatste deel zullen de overige nieuwtestamentische geschriften aan de orde komen en daarbij zullen met name de johanneïsche geschriften aandacht krijgen. Inmiddels schreef Dunn ook een beknopte nieuwtestamentische theologie waarbij hij zich richt op het geïnteresseerde gemeentelid.

Los van de evangeliën krijgen wij geen enkel zicht op de persoon van Jezus

Duidelijk is dat Dunn een zeer erudiet geleerde is. Verheugend is zijn visie dat wij los van de evangeliën nooit zicht krijgen op de persoon van Jezus. Jezus is niet los van de evangeliën verkrijgbaar. Daar waar geleerden poogden een beeld van Jezus te schetsen op grond van een door hen gereconstrueerde versie van Jezus’ leven en optreden, zei dat meer over de bewuste geleerde zelf dan over de persoon van Jezus. Dunn maakt onderscheid tussen ‘events’ (gebeurtenissen), ‘facts’ (feiten) en ‘data’ (gegevens). De gebeurtenis is het eerste. Het feit is een deel van de gebeurtenis. De historicus heeft alleen toegang tot de data. Op grond daarvan poogt hij vast te stellen of er sprake is van een historisch feit. De gebeurtenis als zodanig kan nooit weer worden herhaald.

De titel van het eerste deel van de trilogie van Dunn maakt duidelijk dat wij naar zijn vaste overtuiging met Jezus in contact komen zoals zijn discipelen Hem herinnerd hebben. De persoon, het optreden en het onderwijs van Jezus zijn de aanleiding tot het ontstaan van de nieuwtestamentische kerk. Dat gegeven alleen al maakt dat wij uit moeten gaan van een groot stuk continuïteit. De persoon van Jezus en het allereerste christendom kunnen ook nooit los van de context van het Jodendom van de Tweede Tempel worden verstaan.

Dunn benadrukt dat literair gezien de evangeliën antieke biografieën zijn. Dat betekent dat zij als genre al een claim doen op historische betrouwbaarheid. Een antiek biograaf had niet de gewoonte alles te vermelden wat hij wist over de persoon die hij beschreef. Het was hem erom te doen een model voor zijn lezers neer te zetten. In een heel bijzondere zin geldt dat in de evangeliën voor Jezus. Dunn beklemtoont dat de stof van synoptische evangeliën eerst mondeling is overgeleverd. Die overlevering begon al voor Pasen. Hij vraagt zich af of er ooit een schriftelijke bron is geweest die het gemeenschappelijke materiaal van de evangeliën Mattheüs en Lukas bevatte, een bron die in de nieuwtestamentische wetenschap als Q bekend staat. Dunn houdt open dat dit meer is dan een aanduiding voor gemeenschappelijk stof. Daarbij is maar de vraag of deze stof ooit zelfstandig, dat wil zeggen los van andere tradities over Jezus, is overgeleverd. Ook de apostolische brieven vooronderstellen de mondelinge traditie over Jezus. Uit 1 Kor. 7 blijkt dat de apostel Paulus een nauwkeurig onderscheid tussen een inzicht dat hij van de verhoogde Christus ontving en zijn onderwijs vóór Zijn hemelvaart maakt.

De historische Jezus en de Christus der Schriften

In de nieuwtestamentische wetenschap zijn de historische Jezus en de Christus der Schriften vaak erg uit elkaar getrokken. Wie vanuit het Nieuwe Testament zelf denkt, zal spreken over Christus op aarde (denk aan een boek met die titel van prof. dr. J. van Bruggen) en de verhoogde Christus in de hemel. Het is verheugend te bemerken dat Dunn kritisch ten opzichte van de genoemde tweedeling staat. De bijzondere plaats die Jezus kreeg in de kerk na Pasen gaat terug op het onderwijs van Christus vóór Pasen. Jezus was meer dan een Joodse wijsheidsleraar en wonderdoener. Hij wist zich de Messias. Als Hij terughoudend was in het gebruik van die titel, komt dit vanwege de politieke invulling die hieraan voor zijn kruisdood en opstanding kan worden gegeven. Jezus heeft zichzelf getekend als de vervulling van de gestalte van hem die is als een mensenzoon in Dan. 7:13-14. Als mensenzoon vervult Hij taken die alleen aan God toe komen. Jezus sprak God zonder enige restrictie als Vader aan en wist zich de Zoon van God. Dunnn brengt ook naar voren dat Jezus zelf in zijn onderwijs over de verlossende betekenis van zijn kruisdood heeft gesproken. Heel in het bijzonder denkt Hij dan aan de woorden van Jezus dat Hij zijn leven zal geven tot een losprijs voor velen en aan zijn woorden bij het laatste avondmaal: ‘Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed.’ Als deze woorden aan Jezus worden ontzegt, omdat Hij zo niet over zijn kruisdood kan hebben gesproken, is er sprake van een cirkelredenering.

Het tekort van de historische benadering

Ik meen dat Dunn in zijn publicaties van de laatste jaren meer dan in eerdere publicaties de hoge christologie van het gehele Nieuwe Testament onderstreept en laat zien dat die christologie tot Jezus zelf teruggaat. Wel moet en kan hier nog duidelijker gesproken worden. Dat Dunn dit niet doet heeft te maken met het feit dat hij de beperkingen van de historische benadering niet verdisconteert. De Amerikaanse filosoof Plantinga heeft in een baanbrekend artikel over de aard van de Bijbelwetenschap onderscheid gemaakt tussen de historisch-kritische methode en de traditionele Schriftuitleg. Bij de laatste vorm van Schriftuitleg wordt de overtuiging dat God in de Bijbel tot ons spreekt en de Bijbelboeken door Gods Geest geïnspireerd zijn ook in de wetenschappelijke benadering van de Schrift meegenomen. Door het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest mag je als gelovige zeker zijn van de betrouwbaarheid van historische informatie in de Bijbel.

Dunn wil niet louter als historicus tewerk gaan bij het lezen van het Nieuwe Testament. Hij beseft dat ieder zijn vooronderstellingen meebrengt en dat de aard van de nieuwtestamentische geschriften met zich meebrengt dat zij niet op afstandelijke en (schijnbaar) objectieve wijze kunnen worden benaderd. Toch spreekt hij vaak aarzelend, te aarzelend ook, omdat hij het geloof toch enigszins tussen haakjes zet in zijn wetenschappelijk bezig-zijn. Opvallend is in dit verband dat hij begint met de doop van Jezus in de Jordaan en niet bij zijn maagdelijke geboorte. Als hij zegt dat de evangelisten zich dat niet in rechtstreekse zin herinnerd hebben is dat waar, maar er is toch ook het getuigenis van Maria?! We mogen geloven en weten dat de discipelen via Maria van deze zaak hebben vernomen. Als het gaat om de opstanding, gaat Dunn uit van het historisch karakter ervan. De oudste christelijke getuigenissen laten ons eenparig zien dat de volgelingen van Jezus van het lichamelijke karakter van de opstanding van hun Meester overtuigd waren. Zij getuigden van verschijningen en niet van visioenen. In de lijn van Barth kan Dunn echter ook zeggen dat de opstanding een gebeurtenis is die zich onttrekt aan de geschiedenis als wetenschap. De vraag is dan: wat wordt daarmee bedoeld? Immers als je overtuigd bent door de historische gegevens van het Nieuwe Testament ben je ook overtuigd van het feitelijke en historische karakter van de opstanding en is het niet mogelijk te stellen dat je wel als gelovige maar niet als historicus overtuigd bent.

Het allervroegste christendom

Dunn geef vrij hoog op van de historische betrouwbaarheid van het boek Handelingen. Hij ontkent dat de toespraken in Handelingen niet terug gaan op historische situaties maar slechts creaties van Lukas zijn. Al zijn de toespraken gemodelleerd het oorspronkelijk materiaal blijft duidelijk herkenbaar. Terecht stelt Dunn dat de missionaire gerichtheid van het allervroegste christendom haar onderscheidde van het Jodendom in het algemeen van de Tweede Tempel. Bijzonder is vooral dat men als heiden christen kon worden en volwaardig lid van zijn gemeente kon zijn zonder alle wetten van Mozes te onderhouden. Duidelijk is dat Paulus hierin een grote plaats heeft gehad en dat diens zienswijze niet zonder slag of stoot is overgenomen.

Wel meen ik dat Dunn Paulus en Petrus teveel uit elkaar trekt, als hij feitelijk een blijvende tweespalt aanneemt. Daarbij gaat hij ervan uit dat de brief aan de Galaten na het apostelconvent is geschreven. Naar mijn overtuiging zijn er meerdere redenen om aan te nemen dat deze brief de oudste brief van Paulus is en maakt het apostelconvent duidelijk dat een aanvankelijke tweespalt tussen de apostelen overwonnen werd. Ook de vele onderlinge contacten die er waren kunnen als argument worden genoemd. Zo wordt ook duidelijk waarom al in heel vroeg stadium het overgrote deel van de boeken van het Nieuwe Testament als canoniek werden aanvaard. In de tweede eeuw na Chr. Worden de contouren van de canon al heel duidelijk zichtbaar. Kennelijk ervoeren de eerste christenen de eenheid in de boodschap in deze geschriften. Het zal duidelijk zijn dat bij de inzichten van Dunn een aantal kritische vragen zijn te stellen, maar ook dat men winst kan boeken met het leze van  zijn geschriften. Christianity in the Making vooronderstelt dat men behoorlijk is ingevoerd in de nieuwtestamentische wetenschap en is allereerst bedoeld voor hen die een theologie opleiding volgen of gevolgd hebben. Dat ligt anders voor New Testament Theology: An Introduction.

P. de Vries, Boven-Hardinxveld

Christianity in the Making Volume 1. Jesus Remembered, uitgave Eerdmans, Grand Rapids, Michigan/Cambridge, U.K. 2003; ISBN 0-8028-3931-2;hb. 1019 pp.; prijs $ 58; Christianity in the Making Volume 2. Beginning from Jerusalem, uitgave Eerdmans, Grand Rapids, Michigan/Cambridge, u.K. 2009; ISBN 9780-8028-3932-9; hb. 1347 pp..; prijs $ 80; New Testament Theology: An Introduction, Library of Biblical Theology, uitgave Abingdon Press, Nashville, Tennessee; ISBN 978-0-687-34120-7; pb. 232 pp.; prijs $ 22.