Terug naar Ecclesianet.nl

Euthanasie op verzoek

Een nieuwe kliniek

Onlangs was prominent in het nieuws dat per 1 maart a.s. in Den Haag een kliniek geopend gaat worden met ambulante artsen, die op verzoek euthanasie toepassen. Zij doen dat niet alleen bij ernstig lichamelijk zieken, maar ook bij mensen die levensmoe zijn of in psychische nood verkeren. Veel is daar over te doen geweest. In het dagblad Trouw van 11 februari stond naar aanleiding hiervan een zeer lezenswaardig artikel van de theologe mevrouw Christa Anbeek.

In deze bijdrage legt zij mijns inziens de vinger op de zere plek in de argumentatie van veel mensen die de opening van een dergelijke kliniek toejuichen. Centraal staan de waarden vrijheid, zelfbeschikking en zelfontplooiing. Het mensbeeld dat achter deze waarden schuilgaat, is dat van een autonoom, afzonderlijk individu, dat vanuit een eigen positie een weg door het leven uitstippelt en daarbij kiest wat het wel en niet wil. Maar zo eenduidig is het leven niet. Elk mens is in de eerste jaren van zijn bestaan totaal afhankelijk van de welwillendheid en goedheid van anderen. Wij worden niet geboren als een ‘ik’, maar geconstitueerd als een persoon die we zijn in en door relaties met anderen. Die anderen kunnen goed voor ons zijn of slecht.

Waar mw. Anbeek op wijst is dus op een beperkte blik op de werkelijkheid van het menselijke leven. Daardoor wordt ruimte gegeven aan de gedachte dat het leven alleen dan waardevol is als wij mondig en autonoom zijn en niet meer menswaardig genoemd kan worden als dat niet het geval is. De schrijfster laat in haar artikel zien dat wij mensen in ieder geval zwak, kwetsbaar en afhankelijk zijn. Dat is inherent aan het mens-zijn.

De kwetsbaarheid van ons leven

Vaak beseffen we deze broosheid niet. Ineens echter kan onze kwetsbaarheid, die er sowieso is, aan het licht komen. Nooit vergeet ik een van mijn eerste pastorale bezoeken aan een ernstig zieke jonge man, die aan kanker leed. Ik zag hem voor het eerst zittend op een bank. Boven hem hing een foto van een jaar geleden. Je zag een krachtige, lenige jongeman, die zijn meisje, met wie hij toen nog niet getrouwd was, een duin optrok. Daaronder zat dezelfde persoon, zonder het haar dat hij een jaar geleden nog volop had, met een ingevallen gezicht, broodmager. Hoe ernstig hij er aan toe was, bleek in het half uur dat ik bij hem was. De telefoon ging waarin de behandelend arts hem vertelde dat beterschap niet meer mogelijk was. Toen hij de hoorn neerlegde, zat daar een gebroken mens die zich probeerde groot te houden, maar dat niet lang volhield. Niet alleen toen was hij zwak en kwestbaar, dat was hij ook een jaar geleden. Het enige verschil was dat nu bleek hoezeer dat het geval was.

Enkele maanden later hoorde ik van een man van rond de dertig. Fier was hij die ochtend naar zijn werk gegaan. Zijn vrouw bracht, zoals elke ochtend een van de kinderen naar school. Ze deed dat met de fiets, met een kleiner kind achterop. Ze werd door een automobilist die uit een bocht vloog geschept. Zij overleed, het kind overleefde het ongeluk. Toen de man thuis kwam, weg: gooide hij zijn aktetas in de hoek en riep hij: “wat heb ik er nog aan!” Hij deed er jaren over weer enigszins de oude te worden. Enkele uren daarvoor kon hij zich nog laten gelden, nu moest hij geholpen worden, getroost, gesterkt. Meer dan ooit bleek hoe afhankelijk hij was van factoren waar hij geen greep op had, waaronder het leven van zijn vrouw.

Wij zijn per definitie kwetsbaar. Vaak wordt ons dat bij het oud worden klemmend duidelijk. Veel vragen gaan dan spelen, vooral die naar de zin van het leven.

Christus’ jubel en de nèpioi

De bijbel kent veel uitdrukkingen om onze broosheid te beschrijven. In het Oude Testament lezen we (Psalm 39): Immers is elk mens, hoe vast hij ook staat, enkel ijdelheid. In het Nieuwe Testament lezen we dat Christus spreekt over nèpioi, dat wil zeggen: de kleinen, de kinderkens.

Christus doet dat in Mattheus 11, waar Hij ongelooflijke dingen zegt: Ik dank U, Vader, Here van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen verborgen hebt voor de wijzen en verstandigen, maar aan de kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader. En niemand kent de Zoon dan de Vader en niemand kent de Vader dan de Zoon en die de Zoon het wil openbaren. Komt tot Mij allen die vermoeid en belast bent en Ik zal u rust geven….

Wie zijn deze nèpioi? Uit het tekstverband kunnen we opmaken dat het degenen zijn die zich met het oog op de vragen van het leven machteloos zijn gaan voelen. Even hiervoor was sprake van een zekere mislukking van Jezus‘ werk in Galilea. Het reveil dat er tot stand gekomen was, dreigde in te zinken. Daar kwam bij dat Johannes de Doper door Herodes gevangen gezet was. In zijn uitzichtloze situatie had de twijfel in die mate toegeslagen dat zelfs hij leerlingen naar Jezus stuurde om Hem te vragen of Hij werkelijk de beloofde Heilbrenger was. En dat terwijl hij Hem zelf bij de Jordaan als zodanig had aangewezen.

Daar bij de Jordaan had hij gestaan als een krachtige persoonlijkheid. Als een profeet, ja als de belangrijkste van de profeten had hij gepreekt. Met vurige ogen en veel overtuiging. Niet voor niets zegt Jezus tegen de schare: “Wat bent u gaan zien bij de Jordaan? Een riet, dat door de wind wordt heen en weer bewogen? Nee, een krachtig iemand. Een profeet? Ja, Ik zeg u: meer dan een profeet!” Maar nu? Zelfs hij is kwetsbaar en onderhevig aan twijfel en wanhopige gedachten. Zoals Johannes zullen er in zulke kritische momenten meer geweest zijn in de omgeving van Christus.

Mattheus, die zijn Evangelie zo kundig gecomponeerd heeft, legt er grote nadruk op dat Jezus tóen de woorden jubelde, die ik aanhaalde: “In die tijd jubelde Jezus in de geest: Ik dank U Vader, Here des hemels en der aarde, dat U deze dingen aan kinderkens en niet aan de wijzen en verstandigen, hebt geopenbaard.” Waarom jubelde Hij? Omdat uitgerekend toen, toen velen de moed lieten zakken, voor zijn oog iets open ging van het geweldige heilswerk waartoe Hij geroepen was: Alle dingen zijn Mij door de Vader gegeven.

Deze woorden doen denken aan de Zoon des mensen uit Daniël 7 die van God alle macht kreeg over de hemel en de aarde. Er blijkt uit dat Christus in de moeilijke situatie waarin Hij gekomen was met de Vader overlegd heeft hoe Hij verder moest gaan. Meer nog dan eerder werd Hem duidelijk hoe verreikend het heilswerk is dat God Hem in handen heeft gegeven. Het omvatte de hemel en de aarde – alle dingen! En hoewel de weg erheen door het lijden ging, had Hij het er graag voor over. Want in de verte gloorde de opstanding. In dit perspectief dat Hij zelf van de Vader kreeg, wilde Hij de kleinen (nèpioi) laten delen om hen zo te troosten! Dat bedoelde Hij toen Hij zei: U hebt het aan de kleinen, de zwakken geopenbaard. En Hij jubelde erom! Daarom was Jezus zo verheugd en riep Hij de vermoeiden en belasten op om tot Hem te komen. Dit perspectief zou hen rust geven!

In het hoofdstuk dat volgt, zien we hoe Jezus de kleinen dit perspectief geboden heeft. De nèpioi zijn degenen die als een geknakt riet aan de kant van een weg of een sloot staan. De doorsnee mensen die er langs lopen hebben wel oog voor de ‘krachtige’ rietstengels met hun in de wind wuivende pluimen. Maar wat stelt een geknakt riet voor? Je bent geneigd het een laatste zet te geven, waardoor het – vooral in het droge Midden- Oosten – ineens breekt. Christus doet dat niet, maar richt het op.

De nèpioi zijn als een walmende vlaspit. De olie in een lampje is opgeraakt of er is sprake van zuurstofgebrek. Het lont zelf begint vlam te vatten, het gaat smeulen en walmen. Elke vrouw loopt erheen om het te doven. Christus doet dat niet. Hij zorgt ervoor dat de vlam weer tot leven komt!

Het is opvallend hoe in deze eenvoudige beeldspraak impliciet verwezen wordt naar de realiteit van de vergeving, van de opstanding uit de doden en het nieuwe leven dat Christus geeft. Daarin laat Hij de nèpioi delen. Daarbij gaat Hij met zo’n zorg en teerheid uit liefde voor de Vader te werk dat er in deze hopeloze levens iets gaat gloren van wat Hij zelf als heilsgeheim in zich omdraagt. Zo komt er nieuwe zuurstof en nieuwe olie bij de walmende vlam, die het zonder perspectief moest stellen en zo richt zich de pluim van de rietstengel, die naar beneden hing, op. Het is voor Hem een vreugde geweest dat te doen! De wijzen en verstandingen gingen eraan voorbij, maar de ‘kleinen’ niet.

De gevolgen van de secularisatie

Eeuwenlang heeft de christelijke kerk na Christus’ opstanding en hemelvaart deze boodschap gebracht aan zieken, aan zwakken en aan zondige mensen. Eeuwenlang is uit dit perspectief geleefd en zijn in dit perspectief duizenden in vrede gestorven. Het gaf hun kracht het lijden te dragen, ook al omdat ze omgeven werden door christenen, die iets van Christus barmhartigheid, zijn omgaan met het geknakte riet en de walmende vlaspit kenden en zich dit eigen hadden gemaakt. Dit was het geval in gewone huizen, maar ook in ziekenhuizen en verpleeginrichtingen.

Een van de gevolgen van de secularisatie is, dat men daar nauwelijks meer weet van heeft. Het perspectief van het christelijke geloof is weggevallen. De consequentie van dit alles is dat voor de ‘wijzen en verstandigen’ de menselijke autonomie de enig overblijvende menselijke waarde is. De gevolgen zijn enorm. Werkelijke troost kan men in zo’n samenleving niet vinden, omdat van enig perspectief dat boven de dood uitgaat, geen sprake meer is. Dat maakt velen hulpeloos wanhopig, zeker als ze wat ouder worden en idealen wegvallen en als blijkt dat het leven niet bieden kan wat men ervan verwacht. Bovendien: in een samenleving waarin autonomie het hoogste goed wordt, gaat de zwakke zich juist snel overbodig voelen, hetgeen de wens om te sterven sterk kan bevorderen. Het lijkt dan humaan om de hulpeloze mens, als hij dat wenst, te helpen om de gewenste dood zonder al te veel pijn te versnellen. In werkelijkheid is het een laatste consequentie van een denken, waarbij het geloof is afgezworen. Arme samenleving, die van het Evangelie niet meer weet!

Wat de kerk kan betekenen

Des te meer reden is er in zo’n tijd voor christelijke barmhartigheid. Ze doorgrondt de mens in zijn nood. Ze weet van de nood van het schepsel-zijn dat niet zonder God kan. Ze weet ook van de nood van deze tijd, met zijn talloze vragen rond de geschiedenis en de zin van het leven, vragen die zich vooral aan ons opdringen als wij zwak zijn. Maar ze weet ook van Christus, die het werk van het heil met vreugde op zich nam en die als zodanig teer te werk ging, vanuit de liefde van God: Het geknakte riet zal Ik niet verbreken.

Ze weet dat deze Christus gegeven is alle macht in de hemel en op de aarde. Als de kerk eens zou leven uit deze realiteit en bij machte zou zijn om deze boodschap in haar actualiteit met overtuiging naar voren te brengen in een theologie die toegesneden is op de wereld van nu! Veel mensen zouden er in onze samenleving die steeds cynischer wordt, wèl bij varen.

H. Klink, Hoornaar