Terug naar Ecclesianet.nl

Maria (I)

In de tijd rondom Kerst worden wij elk jaar weer getroffen door de grote betekenis van Maria. Zij is de moeder des Heren geweest, ofwel, zoals men het in de vroege kerk uitdrukte: zij was Theotokos, de moeder Gods. In dit artikel wil ik iets schrijven over de levensomstandigheden van Maria en over haar achtergrond. Daardoor krijgen we meer zicht op het gewicht van de cruciale woorden die zij sprak tot de engel, bij de annunciatie (het moment dat zij in Nazareth de boodschap kreeg dat uit haar de Heiland der wereld geboren zou worden), nl. de woorden: “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar Uw woord.” Ik richt mij daarbij vooral op wat de bijbelse archeologie recent aan het licht gebracht heeft en op enkele studies over de betekenis van de Septuaginta (LXX ), die onlangs zijn gepubliceerd.

In Nazareth

Om met het eerste te beginnen. In 2004 publiceerde de inmiddels overleden paleontoloog Casten Thiede zijn boek Jezus und Tiberius. Zoals veel van Thiedes boeken bevat het boek speculatieve elementen. Desondanks valt er veel van hem te leren. In dit boek vraagt hij ondermeer aandacht voor het volgende. Enkele jaren geleden wilde een jong echtpaar onder hun winkel, ongeveer 500 meter noordelijk van de Verkondigingskerk in Nazareth een kelder aanleggen. Toen men de vloer openbrak, stootte men daarbij op de resten van een groot badhuis, compleet met verwarmingssysteem en waterleidingen. Aanvankelijk wist men niet hoe de vondst te duiden, maar duidelijk was dat iets belangrijks was ontdekt. Archeologen konden deze veronderstelling alleen maar bevestigen: hun huis bleek te zijn gebouwd op een oud Romeins badhuis, dat er volgens de deskundigen die er onderzoek deden aangelegd moet zijn voor het begin van onze jaartelling, dus voor de tijd van Jozef en Maria en de geboortegeschiedenis. De vondst is van groot belang! Immers: als deze gegevens kloppen – en er zijn veel argumenten voor aan te voeren – dan moeten de gangbare opvattingen over Nazareth bijgesteld worden. Tot voor kort ging men er in de Bijbelwetenschappen van uit dat Nazareth een vrij afgelegen, betrekkelijk rustig dorp was. Het was dan wel zo dat de veel grotere hellenistische stad Sepphoris op slechts 5 kilometer van het dorp lag, maar iemand als Albrecht Alt ging ervan uit dat de uitwisseling met deze stad niet groot was, gezien de heuvelrug die tussen beide plaatsen lag. Nazareth was veel meer ontsloten naar het zuidwesten dan naar het noordoosten! Door deze vondst blijkt plotseling dat Nazareth niet van de buitenwereld geïsoleerd was. Het was zelfs zo dat er een contingent soldaten lag – en dat voor lange tijd, vandaar de aanleg van een zeer groot badcomplex!

Het is belangrijk dit te weten. Het kan immers niet anders of de aanwezigheid van soldaten uit het Romeinse leger moet het dorp beïnvloed hebben. Het is meer dan waarschijnlijk dat deze soldaten in contact stonden met de hellenistische stad Sepphoris. En zo is Nazareth dus veel meer ontsloten geweest, dan veelal tot voor kort gedacht werd. Dit feit maakt het meer dan waarschijnlijk dat iemand als Martin Hengel het bij het goede eind had, toen hij veronderstelde dat Jozef als timmerman betrokken was bij de enorme bouwactiviteiten in Sepphoris die kort na de geboorte van Christus plaatsvonden. Ook Jozef en Maria zijn dus enigszins vertrouwd geweest met de grote hellenistische wereld, zoals dat voor andere dorpen en steden in Galilea gold.

De inschrijving

Daar komt nog iets bij. In hetzelfde boek vertelt Carsten Thiede dat in een van de grotten van de Dode Zee in 1960 een groot aantal papyrusresten gevonden werd. De vondst was spectaculair, omdat er zich maar liefst vijftien brieven van Bar Kochba, de leider van de Joodse opstand rond 130 na Chr. bij bevonden. Maar ook andere documenten trof men aan: koopakten, huwelijksakten. Het interessantst is Papyrus Yadin 16, een belastingsoorkonde, waarop melding gemaakt wordt van een vrouw Babata en haar man Judanes. Deze papyrusvondst werpt verhelderend licht op de kerstgeschiedenis. De gevonden documenten bevatten vakuitdrukkingen die ook Lucas gebruikt. Ze maken duidelijk waarom niet alleen Jozef, maar ook Maria een lange reis moest maken om ingeschreven te worden. Men kan eruit opmaken dat Babata gehuwd was met Judanes en dat zij, evenals haar man, een eigen stuk grond bezat. Dit land lag op een behoorlijke afstand van de plek waar zij woonden. Het belastingbureau waar zij zich moesten inschrijven, bevond zich in Rabbath, ongeveer 40 km van de plek waar zij woonden. Aangezien ook zij eigenares was van een stuk grond, moest ook zij zich laten inschrijven. Het was zo geregeld dat een inschrijving van een vrouw alleen dan rechtsgeldig was, als zij een man bij zich had als voogd, een soort zaakwaarnemer. Er was geen bezwaar als dat haar man was. Vandaar dat niet alleen Bataba, maar ook Judanes meeging naar Rabbath, hetgeen vermeld staat in de stukken. Waarschijnlijk zal hij ook de inschrijving van zijn eigen stuk grond daar geregeld hebben. Thiede concludeert: veel gegevens (en termen) komen overeen met wat we lezen in Lucas. Het is op grond daarvan dat hij vermoedt dat een van de redenen dat Maria Jozef vergezelde op de weg naar Bethlehem, gelegen was in het feit dat ook zij een stukje grond in Bethlehem bezat, evenals Jozef. Vandaar dat zij – getuige Mattheüs – een langere tijd in de buurt van Bethlehem gebleven zijn.

Als dit zo is, dan moeten we Maria en Jozef rekenen tot de ‘middenstand’ van de bevolking in Palestina, iets waar ook het timmermansberoep van Jozef op lijkt te duiden. Het timmermansberoep – een tektoon – stond vrij hoog aangeschreven in Palestina.

Het geloof van Maria

Het bovenstaande is van betekenis omdat het ons duidelijk maakt dat Jozef en Maria niet zo geïsoleerd leefden als wel gedacht wordt. Er was meer contact met de ‘buitenwereld’ dan men doorgaans veronderstelt. En dit is van betekenis voor het verstaan van de aankondiging van de geboorte zoals we die aantreffen in Lucas 1 en de reactie van Maria erop. Ik besef dat wij deze geschiedenis alleen met grote schroom tegemoet kunnen treden. Toch waag ik het haar in verband te brengen met het bovenstaande.

Wat namelijk in Lucas 1 opvalt, is de overgave waarmee Maria instemt met wat de engel zegt. Zij antwoordt de engel, die haar vertelt dat zij zwanger zal worden, terwijl zij geen omgang heeft met een man, met die wonderlijk grootse woorden “Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.”

Deze reactie is groots! Want let wel: deze reactie onderscheidt haar van de ‘ongelovige’ Zacharias, die als hij de engel ontmoet heeft in de tempel, met allerlei tegenwerpingen komt. Het onderscheidt haar zelfs van Saraï, die, zoals we lezen in het OT een schampere lach niet kan onderdrukken, als zij in hoge ouderdom te horen krijgt dat zij een zoon zal krijgen. Maria gelóóft! Hoe is zij zover gekomen? Ik veronderstel dat een heel belangrijke reden daarin gelegen is dat zij de Schriften kende. Zij heeft geweten van de profetie van Jesaja. Zij heeft geleefd, zoals Rembrandt haar weergeeft op een van zijn schilderijen: met de Bijbel op schoot. Was zij, zo vraag ik, op de hoogte van de profetie uit Jesaja, zoals die vertaald is in het Grieks, in de Septuaginta, waar uitdrukkelijk staat: “Zie een maagd zal zwanger worden en een zoon baren”? Het staat er in het Griekse vertaling veel nadrukkelijker dan in het oorspronkelijke Hebreeuws. Is zij op de hoogte geweest van deze vertaling en heeft ze aan deze tekst gedacht, zoals ook de engel Jozef aan deze tekst herinnert, getuige Mattheüs 1? Het zou goed kunnen. Zeker als we bedenken dat Nazareth ontsloten gebied was, waar de hellenistische wereld bepaald niet onbekend was.

Dr. H. Klink, Hoornaar