Terug naar Ecclesianet.nl

Ds. L. Kievit in Putten (1945) (II, slot)

In sommige straten moesten ze hun bezoeken huis aan huis afleggen. Ze kwamen ook bij een vrouw die haar man kort voor de oorlog had verloren, van wie één zoon ver weg was gegaan en van wie nog één zoon bij haar thuis woonde. Tijdens het bezoek sloeg zij plotseling het vloerkleed weg, liet een luik zien, en zei: ‘Hieronder zat mijn zoon verscholen. Ik heb hem er haast aan z’n haren moeten uittrekken. Ik heb hem gezegd: je moet je melden en doe het nu maar, want de Duitsers hebben gezegd dat ze het hele dorp platbranden en dan verbrand je hier levend. Hij is gegaan en ik heb hem nooit meer teruggezien. Het huis is niet afgebrand. Kunnen jullie zoiets begrijpen?’, riep ze. ‘Ik hoor haar nog schreeuwen’, zei Kievit dertig jaar later in het interview met De Tijd.

Ds. Kievit probeerde wat te zeggen maar de vrouw zei tegen hem: ‘Och man, je bent nog zo jong en je hebt niks meegemaakt.’ Schuitemaker had tot dan toe gezwegen, maar nu boog hij zich wat voorover en zei voor het eerst wat. ‘Vrouw, heb ik ook niks meegemaakt?’ ‘Ja Dirk’, zei ze, ‘jij bent ook een jongen kwijt.’ ‘Ja twee’, zei hij toen. ‘En hoeveel had je er?’ ‘Twee.’ ‘O Dirk’, zei ze, ‘dat is haast nog erger. Twee jongens en twee kwiet, kun je dat begriepen?’ Toen zei Schuitemaker: ‘God had één Zoon en Hij wilde Hem kwijt voor jou en voor mij, voor jouw en mijn kinderen. Kun je dat begrijpen?’

Schuitemaker kon dat zeggen, omdat hij zelf immers zijn twee zonen had verloren. Als Kievit het had gezegd, ‘had dat niets betekend’, zei hij zelf. Bovendien had hij zelf ‘aan zoiets natuurlijk ook veel steun’. ‘Ik ben dat antwoord nooit vergeten, want Schuitemaker richtte zomaar het kruis op in het midden van het gesprek, in het midden van de nood en in het midden van de zorg. En dat alleen het kruis van de Heere Jezus Christus troost en rust kan bieden.’ Voor het interview met De Tijd uit januari 1978 was een concrete aanleiding. De VARA had kort daarvoor een TV-documentaire over de gebeurtenissen van oktober 1944 uitgezonden (Putten op de Veluwe, het spoor terug naar de tragedie van 1944). Die documentaire was niet geheel onverdienstelijk, maar had een bedenkelijke leidraad: dat zoveel Puttenaren in de kampen om het leven waren gekomen, kwam door hun kerk en geloof. De gepredikte lijdzaamheid was een voedingsbodem van berusting en fatalisme geweest en had daarmee aan hun ondergang bijgedragen. Puttenaren geloofden dat alles was voorbeschikt, dat alles ging zoals het moest gaan en dat het daarom geen enkele zin had je tegen je lot te verzetten.

De Puttenaren waren nogal ontstemd over de documentaire. Niet alleen omdat oude wonden werden opengereten, maar vooral vanwege de verkeerde voorstelling van zaken, die, dachten ze, vanuit een anti-kerkelijk vooroordeel moest zijn gegeven. Kievit riep tegenover deze beeldvorming in herinnering dat Putten zich in de oorlog alles behalve passief had opgesteld. Putten had vele onderduikers geherbergd, er waren hier wapendroppings vanuit Engeland geweest en Putten had meegewerkt aan vluchtlijnen voor Engelse vliegers. En van het ‘stomme lot’ had hij nooit gesproken. ‘Wanneer je ervan uitgaat dat het van God komt, kun je er tenminste nog iets mee doen, meer dan met dat stomme lot. Tot God kun je bidden, je kunt met Hem praten, je kunt Hem zoeken.

Hoezeer de houding van Kievit verschilde van het beeld dat in de documentaire werd geschetst, blijkt vooral uit de preken die hij in 1945 in Putten heeft gehouden, met name uit zijn intredepreek over Jesaja 61:2c (26 augustus 1945) en de twee preken over Job 5 die hij een jaar na de deportatie heeft uitgesproken (2 oktober 1945). In deze preken is geen spoor van
valse lijdelijkheid. Het Evangelie is er niet om ‘alle noden en zorgen op de bodem van een weemoedig hart te laten liggen’. En de preken zijn al evenmin een filosofische poging om een theodicee (rechtvaardiging van het Godsbestuur) in elkaar te knutselen. ‘In het boek Job gaat het niet om de oplossing van een raadsel, doch om de onthulling van het Heilige.’ De preken zijn pastoraal en ontdekkend tegelijkertijd, en doen precies wat Schuitemaker deed in het gesprek met die weduwe: zij richten het kruis op in het midden van alle vragen, nood en zorg, en wijzen de weg naar de troost en rust in de Heere Jezus Christus.

In de intredepreek stelde Kievit de vraag aan de orde waarom God hem naar het geteisterde, in leed en rouw gedompelde Putten had gezonden. ‘Wat trekt mij aan in u, wat beweegt de Heere tot u?’ Het was, met het woord uit Jesaja, om de treurigen te troosten. Maar helaas is onze troost vaak niet meer dan ‘een doek van ijdele woorden’ die over de put van de smart wordt gespreid, terwijl die smart daaronder nog even zwart blijft gapen. Onze troost is onmachtig, ‘een spiegelgevecht met de smart. Meer niet.’ Troosten kan daarom niets anders zijn dan de Knecht des Heeren, de Messias, die in deze wereld gezonden is om de treurigen te troosten, aan de gemeente voor te stellen.

Ds. Kievit heeft op een pastorale en geestelijke manier in die moeilijke periode woorden van heil en troost vanuit het Evangelie aan de rouwende Puttenaren mogen spreken. Blijkbaar heeft deze prediking ook een helende uitwerking gehad, kracht geschonken aan de Puttenaren om door te gaan en hun leven te herpakken, hun identiteit te hervinden en te behouden. Enkele jaren later maakte een groep van Puttenaren een reis naar de plaats in Duitsland waar veel weggevoerde mannen om het leven waren gekomen. ‘Toen wij in 1950’, vertelde Kievit in De Tijd, ‘voor het eerst een reis naar het kamp in Duitsland maakten en in Ladelund een gezamenlijke kerkdienst hielden met de Luthers-Evangelische kerk, die veel had gedaan voor het begraven van de slachtoffers en voor de registratie van de namen, zeiden sommige Puttenaren tegen me: u moet niet het Onze Vader bidden, want vergeven kan ik niet. Maar ze groeiden er toch naar toe en daardoor kon het wel. Zeer velen vonden juist in die tijd veel steun in hun geloof in God. De meesten zijn ook behoorlijk door al dat leed heen gekomen, ook al door de grote saamhorigheid en burenhulp over en weer.’

Dr. B.J. Spruyt, Gouda

N.a.v. M. G. M. Mudde, Een goede raad en een grote troost. Onderzoek naar de preken van ds. L. Kievit na de Puttense razzia (1945-1952).

Post scriptum: Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit oktober 1944 in Putten herdacht. De thema’s uit de preken die Kievit zijn bovendien tijdloos – het lijden en het mysterie van Gods beproevingen en kastijdingen. Er is dus altijd goede reden om hierop terug te zien. Maar er is nu een extra reden, en die is gelegen in de publicatie van de bovengenoemde theologische scriptie over de preken van ds. Kievit uit 1945. Deze sciptie, geschreven door de heer M.G.M. Mudde, biedt niet alleen een nieuwe editie van de drie belangrijke preken van ds. Kievit (over Jesaja 61 en Job 5) maar ook een analyse van de inhoud en een toelichting van de historische omstandigheden. Het boekje, dat van harte kan worden aanbevolen, heeft inmiddels al zoveel aftrek gevonden dat een tweede druk in voorbereiding is, dit keer met een bijdrage van prof. dr. W. Balke, die een goede vriend van zowel Kievit sr. als Kievit jr. is geweest. Wie het boekje wil bestellen kan zich in verbinding stellen met de auteur via dit emailadres: mudde-kievit@solcon.nl.