Terug naar Ecclesianet.nl

Het christelijk geloof en de politiek (XIV)

De christenen en Rome (III)

‘Slechte’ en ‘goede’ keizers

Claudius’ opvolger, Nero, leed aan grootheidswaanzin, bewonderde de oosterse godsdiensten en liet zich als een god gelden. Met hem kwamen niet alleen de Joden, maar ook de christenen in conflict. Zoals bekend beschuldigde hij hen ervan de brand te hebben aangestoken die in 64 na Chr. een aanzienlijk deel van Rome verwoestte. Hij was de eerste die de christenen uitdrukkelijk onderscheidde van de Joden en hen bruut vervolgde.

De keizers na hem (Vespasianus en Titus) gingen weer in het spoor van Augustus. Dat gold niet voor Domitianus, de zoon van Vespasianus en de broer van Titus. Onder zijn bewind werden de christenen in Klein Azië vervolgd en werd Johannes verbannen naar Patmos. Na Domitianus braken er rustiger tijden aan voor de christenen, ook al waren er soms hevige lokale vervolgingen.

Waar hingen de christenvervolgingen mee samen? In het geval van Nero waren de christenen niet zo bekend dat hun afwijzing van de keizercultus de directe oorzaak was van de vervolgingen. Veelmeer was het voor Nero gemakkelijk hen te beschuldigen van een brand, die zijn eigen naam in diskrediet had gebracht. Hij speelde daarmee in op een sentiment van haat tegen een nieuwe, vreemde oosterse sekte die in Rome de kop op stak. Wel is het mogelijk dat Nero aan zijn hof in aanraking was gekomen met enkelen die sympathie hadden voor het christelijk geloof, waardoor hij iets geproefd heeft van de geest waarin de christenen dachten en van waaruit ze handelden. Dat deze ‘geest’ volkomen haaks stond op wat hij voor ogen had, is wel duidelijk. Onder zijn bewind is de apostel Petrus gekruisigd en de apostel Paulus gedood. De vervolgingen onder Domitianus lijken wel direct in verband te staan met de keizercultus. In de Openbaring aan Johannes, die waarschijnlijk onder zijn keizerschap geschreven werd, ziet de verbannen apostel op Patmos Christus als de wereldheiland, als de Zoon des mensen, die alle macht heeft in de hemel en op de aarde. De majesteit waarin Christus verschijnt, vormt een directe verwijzing naar de goddelijke eer die de keizer voor zich opeiste. Erik Peterson heeft er in zijn fraaie boekje Zeuge der Wahrheit op gewezen dat de attributen die Zijn glorie markeren dezelfde zijn als waarmee de keizer zich graag afgebeeld zag. Jammer is dat hij (zoals vaker in de christelijke literatuur en zo leeft het ook bij het kerkvolk) de indruk wekt alsof de christelijke kerk voortdurend met een vijandige keizercultus te maken had. Dit is niet zo. Na Domitianus braken tijden aan, waarin de keizers zich niet officieel als goden lieten vereren. Dit gold voor Trajanus en Hadrianus, beiden voorbeeldige heersers, die veel ruimte gave aan de senaat en het volk en zelfs voor Marcus Aurelius, die volstrekt geen vriend was van de christenen en hen wantrouwde.

Argwaan: gebrek aan loyaliteit

Toch werden ook onder hun bewind zo nu en dan christenen vervolgd. De keizercultus was daarvan niet de directe oorzaak. De vraag rijst waarin deze dan wèl gezocht moet worden. Een antwoord daarop is te vinden in een brief van Plinius de jongere uit ong. het jaar 100 aan keizer Traianus. Daarin vertelt hij met een zekere minachting over mensen die bij de christelijke sekte horen, die bij hem in zijn functie van rechter zijn aangebracht voor verhoor. Hij vraagt aan de keizer goedkeuring voor zijn gedragslijn, die inhield dat hij de christenen onderwierp aan een verhoor, bij hen aandrong om het geloof af te zweren en daar blijk van te geven. Dit laatste door “een afbeelding van de keizer te vereren evenals de beelden van de goden en om Christus te lasteren.” De keizer antwoordde met een zekere tevredenheid over het optreden van Plinius, al voegde hij eraan toe dat het niet nodig was om de christenen te vervolgen, d.w.z. actief onderzoek te doen wie er christen was. Als ze aangegeven werden kon men hen toetsen door van hen te vragen aan de Romeinse goden te offeren. Wie dat deed kon rekenen op vrijlating, ook als men christen geweest was.

Uit de brief van Traianus kunnen we veel afleiden. Doorgaans werden de christenen niet actief vervolgd. Vaak kwamen de lokale autoriteiten hen op het spoor door opstootjes van de bevolking. In dat geval werd hun loyaliteit naar het Romeinse Rijk onderzocht. Toets-steen daarbij kon zijn het vereren van de keizer en de Romeinse goden. De kwestie was dus dat bij vervolgingen van de christenen twee zaken speelden: weerzin van de gewone bevolking (men kan dit al zien in Handelingen der apostelen) die de nieuwe sekte ‘niet kan plaatsen’ en de verdenking die zij op zich laadden van niet loyaal te zijn aan het Romeinse Rijk. Doordat de keizers niet uit waren op vervolgingen, maar wel de mogelijkheid open lieten van een veroordeling door de lokale autoriteiten op grond van het christen-zijn als zodanig, was de situatie van de christenen in het Rijk vaak ondoorzichtig, iets dat hun positie niet ten goede kwam. Ze waren afhankelijk van de nukken van de bevolking en van de autoriteiten. Dat was zeker het geval op het eind van de tweede eeuw na Chr. onder de keizers Marcus Aurelius en Commodus. Op het eind van de derde eeuw kwam het echter onder de keizers Decius (249 – 251) en Diocletianus (284 – 305) tot een wezenlijke confrontatie met de christenen. Decius was de eerste keizer die een systematische vervolging begon in het hele imperium. Dat werd in zijn tijd door oorloggeweld geteisterd, iets dat hem op scherp zette waar het het voorbestaan van de oude Romeinse cultuur betrof. Hij keerde zich tegen de christenen van wie hij onvoorwaardelijke erkenning van zijn goddelijke status eiste. De christenen konden dit onmogelijk doen.1

De eigenlijke reden: twee evangeliën

De vraag rijst wat nu de eigenlijke oorzaak was van de conflictueuze situatie in het Romeinse Rijk tot Constantijn de Grote in 313 na Chr. zijn tolerantie-edict afkondigde. De brief van Plinius laat één ding in ieder geval zien: het feit dat de autoriteiten aan de loyaliteit van de christenen t.o.v. het Romeinse Rijk twijfelden. Dit hing ongetwijfeld toch ergens samen met de Romeinse Rijksideologie.

Het is opmerkelijk dat nieuwe keizers zich als heilbrengers lieten huldigen door de bevolking. Elke nieuwe keizer liet proclameren dat zijn keizerschap een nieuwe tijd van heil te zien zou geven. Deze aankondiging werd: ‘Evangelie’ genoemd. De christenen kenden een soortgelijke boodschap. Maar deze ging over Christus, die de vervulling was van de profetie van Israël. Hij had niet zomaar een apotheose ondergaan, een soort vergoddelijking na zijn dood, maar Hij was opgestaan uit de dood en door God aangewezen als zijn Zoon, aan wie alle macht gegeven was. Dat is de kardinale boodschap van de eerste christenen geweest, waar Paulus in Romeinen 1: 3 bij aansluit! Dat is hét Evangelie, dat degenen die er zich aan gewonnen geven doet deelhebben aan een rijk dat niet vergaat, maar waarvan de toegang verleend is door Degene die gekruisigd is: een eeuwig rijk. Heel goed voelde de overgrote niet-christelijke meerderheid in het Romeinse Rijk aan dat in de belijdenis van de christenen de macht van de keizer in een ander licht kwam te staan: voor de christenen was de keizer niet meer dan een mens, die de macht die hij bezat had gekregen ter wille van het volk, uit de hand van de Schepper, die niemand minder dan zijn Zoon had aangewezen als de eigenlijke heilbrenger. Hier lag het gevoelige punt in de verhouding van de christenen tot het rijk. Zij konden en wilden de keizers aanvaarden. Zij voelden zich loyale burgers van het Romeinse Rijk, maar hun eigenlijke loyaliteit lag bij Christus, hun burgerschap was in de hemelen. Dit was een vreemd element in de Romeinse wereld: een nieuwe boodschap.

Tegelijk werd juist deze boodschap voor velen in dit Rijk een boodschap van heil en vreugde. De wereld was oud en vermoeid aan het worden. De ene keizer na de andere proclameerde zich als de eigenlijke heilbrenger. Zij bleken sterflijke mensen te zijn die niet konden waarmaken wat ze beloofden: zij brachten geen heil. Heel fraai schrijft de eerlijke en beroemde Italiaanse historicus Santo Mazzarino (die nota bene marxist was): “Elke keizer had zijn eigen ‘evangelie’, en tussen deze vele ‘evangeliën’ kon er niet één uitgetild worden die als fundament kon dienen voor een geestelijke omwenteling. Voor de vermoeide romeinshellenistische wereld die diepweg naar een geestelijke omwenteling verlangde, verscheen echter een ‘evangelie’ dat niet ‘deelbaar’ was in de tijd, maar dat zich ‘aan het eind der tijden’ presenteerde, een evangelie, dat de verwachting van het heil niet liet verkleinen tot een puur ritueel jaarlijks herdenken van de dag waarop de keizer zijn macht had aanvaard, maar dat een echte verlossing verkondigde die leidt tot het eeuwige leven.”

Een korte samenvatting

We kunnen wat in de laatste artikelen naar voren is gebracht samenvatten met de woorden van Santo Mazzarino: “In het grote imperium was er slechts één volk – zonder twijfel het meest vermoeide (en daarom het rijkst aan religieus leven) – dat vreemd stond aan de ideologie van de keizercultus: het Joodse volk.” In dit volk leefde een messiaanse verwachting, dat zich bij sommigen uitte in gewelddadigheid (de zeloten). In dit volk verscheen echter ook Christus, “die in navolging van de Doper (Johannes) de nabijheid van het Koninkrijk der hemelen predikte, dat uitliep op de gedachte van het ‘nieuwe verbond’, in het bloed van Jezus zelf, de Gezalfde. In Jeruzalem veroordeelde het sanhedrin Jezus: en de procurator van Judea, Pontius Pilatus gaf uitvoering aan deze veroordeling door middel van de kruisiging.” “Het drama”, aldus Santo Mazzarino, “van het Joodse volk bewoog zich zo naar een nieuwe wending.” Welke? “Tegenover de ‘klassieke’ grieks-romeinse heilsverwachting (die vorm kreeg in de ‘evangeliën’ van Augustus en de ‘gelukkige tijden’, die zij aankondigden) stelde de kleine en toch grote Joodse ‘sekte’ van de Nazareeërs een nieuw ‘evangelie’ van verlossing, gefundeerd in de aankondiging van het Rijk van God, een verlossing die teweeg werd gebracht door middel van een geestelijke omwenteling die haar stempel ontving in Christus’ vlees en bloed.”

De geestelijke omwenteling heeft een enorme wending gebracht in de Romeinse wereld en in de wereldgeschiedenis. Santo Mazzarino ziet daarom de ‘geschiedenis van Jezus’ als hét middelpunt van de Europese geschiedenis en hij typeert Paulus om die reden als de belangrijkste figuur in de 1e eeuw na Chr., belangrijker dan welke keizer ook maar!2

 

Tot slot: het oplichten van Christus als de Zoon des mensen

Santo Mazzorino legt er nadruk op dat het Evangelie van Christus niet per se haaks staat op de gehoorzaamheid aan de keizer. Het woord van Christus “Geef God wat van God is en de keizer wat van de keizer is”, bewijst het. Zodra echter de keizer zich goddelijke eer aanmatigde, kwam hij in conflict met christenen (en de Joden). Dit gebeurde vooral in de eerste eeuw ten tijde van keizer Nero en van Domitianus, en in de derde eeuw bij de keizers Decius en Diocletianus.

In deze moeilijke tijden is de kerk niet verdwenen. Ook toen was er een troostwoord! We zagen dat Johannes op Patmos Christus in zijn glorie zag, met imperiale trekken. Erik Peterson wijst erop dat juist in tijden waarin de kerk zwaar onder druk kwam, iets oplichtte van Christus’ majesteit en macht! “Dan wordt het begrijpelijk dat Christus niet alleen maar als de koning van de toekomstige wereld in hymnen geprezen wordt, maar dat Hem ook in de acclamaties van de kerk majesteit en macht toegedacht wordt.”3 Met andere woorden: in tijden van grote nood lichtte er iets op van Christus als de Zoon des mensen, die alle macht ontvangen had, en die macht tot gelding brengt in de wereldgeschiedenis ter wille van zijn kerk. Dat gaf de gemeente de kracht om hoopvol te getuigen. Zelfs toen de vervolgingen na 250 het heftigst waren en er velen waren die afvallig werden, was dit voor anderen een bron van troost en kracht. Hún geloof was niet tevergeefs. Slechts na enkele tientallen jaren brak de tegenstand. Constantijn kondigde na zijn slag bij de Milvische brug zijn beroemde tolerantie-edict van Milaan (313) af, waardoor de christenen ruimte kregen hun geloof in het openbaar te belijden. Het oude Romeinse Rijk was gezwicht voor de geestelijke omwenteling die onder grote delen van het volk op gang was gekomen.

Het Evangelie van Christus had de levens van velen inmiddels veranderd: eeuwigheidsleven had zich aan hen meegedeeld. Daardoor waren zij onuitputtelijk in liefde voor de naaste en straalde er zelfs tijdens de grootste vervolgingen vreugde en dankbaarheid van hen uit. Dit heeft de kaders van het oude Romeinse Rijk doorbroken. De felle vervolgingen in de derde eeuw waren de laatste stuiptrekkingen geweest van een oude wereld.

H. Klink, Hoornaar

Noten

1 Zie voor een mooi overzicht m.b.t. de verschillende keizers en voor de achtergrond van de vervolgingen: Jacques Moreau, La persécution du christianisme dans l’empire romain, Parijs, 1956.

2 Santo Mazzarino, L’Impero romano, Bari 2004, p. 157 vv. Het is opvallend dat een eerlijk historicus als Mazzarino (1916 - 1987), die door vakgeleerden in Italië tot op de dag van vandaag geroemd wordt, wijst op de centrale betekenis van Christus en Paulus op de wereldhistorie. Hij was in staat om een doorlichting te geven van de betekenis van het Evangelie, op een manier, die theologen zich maar heel moeilijk eigen maken. Zijn historische belichting van het Evangelie doet denken aan de geschriften van W. Aalders en Martin Hengel.

3 Erik Peterson, Zeuge der Wahrheit in: Ausgewählte Schriften (Echter Verlag, Würzburg, 1994), Band 1, S. 126. Zie ook in dezelfde band: Christus als Imperator.