Terug naar Ecclesianet.nl

Terug

Midden op de brug stond ze stil naar beneden te kijken. Rustig stroomde de rivier onder haar door naar het Wes­ten, in de richting van de zee. Golven waren er nauwe­lijks, alleen was er nog wat schuim te zien op de klei­ne waterkoppen die een vrachtschip had veroorzaakt. Wanneer zij naar links of naar rechts keek was het sil­houet van de grote stad te zien: hoge kantoorgebouwen, woontorens, moskeeën en een enkele kerk. Zij moest denken aan de smalle rivier die stroomde langs het klei­ne dorp waar zij was geboren, ver naar het Oosten. Daar had zij dikwijls gewandeld met haar moeder en gespeeld met haar vriendinnetjes. Er was daar een klein zandstrand en het was leuk om op een mooie dag met blote voeten een eindje het water in te lopen. Maar je moest uitkijken, want het water stroomde snel, veel snel­ler dan hier. Weer keek zij naar beneden. Het grauwe water diep onder haar maakte haar nog somberder dan zij al was. Zij zuchtte en slikte, maar dat kon enkele tra­nen in haar ogen niet tegenhouden.

Zij voelde zich eenzaam, verschrikkelijk eenzaam. Zij schrok. Kwam daar iemand op haar af? Maar nee, het was maar een vrouw die haar haastig voorbij liep. Zij liep met stevige pas. “Die gaat vast naar huis”, dacht Sofja. Maar ik? “Waar moet ik naar toe?” Zij was zo vreemd in deze stad, zo vreemd in dit land. Van die moeilijke taal kende zij nog steeds maar weinig woor­den. Hoe lang was zij hier al? Zij telde: morgen was zij precies tien maanden hier. Zij huiverde, want het was hier boven het water kouder dan in de stad. Tien maan­den, ja want het was tegen het eind van februari dat zij hier vol positieve verwachtingen was gekomen. Een vroe­gere vriendin had haar opgezocht en enthousiast ver­teld van iemand die meisjes zocht voor mooi werk in het Westen van Europa. Ze zou er goed verdienen, genoeg om van over te houden en dan aan haar moeder te stu­ren.

Ach, haar moeder. Zij hield zo veel van haar. Nooit vroeg haar moeder aandacht voor zichzelf. Nooit zat zij te klagen. En toch had zij het zo zwaar. Haar man was jong gestorven en met vijf kleine kinderen was zij ach­tergebleven. Sofja was de oudste. Zij kon zich haar va­der nog goed herinneren. Nooit zou zij het moment ver­geten, dat een meester haar kwam roepen toen zij in de eerste klas van de lagere school zat. Heel onbeholpen had hij gezegd: “Sofja, ik heb een akelig bericht voor je. Je vader is op zijn werk verongelukt. Nu heb je geen va­der meer. Ga nu maar naar je moeder, dan hoor je hoe het precies is gebeurd.” Nog hoorde zij het schreien van haar moeder toen zij in huis kwam. Nog zag zij hoe en­kele dagen later de priester bij het graf van haar vader stond en de gebeden zei. Nog voelde zij de sfeer van zwaar verdriet de dagen daarna. Soms probeerde zij haar moeder te troosten, maar zij werd dan zelf zo ver­drietig.

Haar moeder. In gedachten zag zij haar bezig met haar kleine kinderen. Altijd bezig, en zo arm. De kleine winkel leverde zo weinig op. Soms beloofden de men­sen te betalen wat zij kochten, maar dat geld kwam nooit. Juist daarom had Sofja gezegd: “Moeder, Tatia­na heeft mij verteld van werk, ver weg, nog voorbij Po­len en Duitsland. Daar kan ik veel verdienen. Ik zal geld naar u sturen en over een paar jaar kom ik weer terug.” Moeder wilde er niets van weten. Maar Sofja had door­gezet. Zij was immers al 17 en zij zou werk krijgen in een groot warenhuis. Voor een kamer werd gezorgd. En ’s avonds zou zij leren om straks voor de klas te kunnen staan.

Het afscheid was ontroerend geweest. Moeder was heel verdrietig. Haar broertje en zusjes waren een beetje trots op haar, omdat zij zo’n verre reis ging maken. Nog maar enkele keren had Sofja in de trein gezeten. Dat was dan steeds geweest om naar de stad te gaan, die een half uur rijden van haar dorp lag. Maar nu ging zij zo veel verder. Zij had geld gekregen van de mijnheer die door haar land reisde om jonge meisjes te zoeken voor dat werk ver weg. In twee niet eens zo grote kof­fers zaten al haar spullen. Ook haar boeken waaruit zij leren wilde. Haar moeder had haar brood en koeken en nog wat andere lekkere dingen meegegeven voor onder­weg. Haar hart had gebonsd in haar keel toen zij aan het loket haar kaartje kocht. De beambte had haar ver­wonderd aangekeken en alleen maar gezegd: Zo …? Had die soms meer geweten vroeg zij zich nu af, terwijl zij op die grauwe decemberdag op de brug stond boven de rivier?

Al die herinneringen tuimelden over elkaar heen. Van dat leren ’s avonds was niets gekomen. En dat werk! Zij voelde zich bedrogen, maar durfde dat niet aan haar moeder te schrijven. Die zou daar zo van schrikken en vreselijk bedroefd worden.

Bijna twee dagen had zij in de trein gezeten. Vele ke­ren moest zij overstappen en wachten. Toen was zij ein­delijk aangekomen. Het adres was niet zo moeilijk te vin­den geweest, want thuis al zij had een kleine plattegrond van de stad gekregen. Die zat bij het reisgeld dat aan haar was gestuurd. In een smalle, vieze straat bleek haar kamertje te zijn. Drie trappen moest zij op. Een Aziatisch meisje dat daar ook woonde, had haar opgevangen en in gebroken Engels gezegd dat er straks een mijnheer zou komen om haar verder wegwijs te maken. Want zij zou nu die mijnheer opbellen om te vertellen dat Sofja was aangekomen.

Toen zij weer alleen was in dat schamele vertrek, was zij eerst op het bed gaan liggen, doodmoe als zij was. En de emoties waren losgekomen. Hard had zij liggen huilen. Maar niet zo lang, want die mijnheer kon immers dadelijk komen. Dus had zij haar tranen gedroogd en was begonnen haar koffers uit te pakken. Zij was daar bijna mee klaar, toen de deur openging en een vreemde mijnheer binnen kwam. Van haar taal kende hij wel een aantal woorden en de rest ging in het Engels dat zij een beetje kon spreken. Hij had haar gezegd dat het hem speet dat er in dat warenhuis op het moment geen werk voor haar was. Maar waarschijnlijk kwam er binnenkort wel een plaatsje vrij. Op de kledingafdeling. Zou dat iets voor haar zijn? Natuurlijk moest zij dan eerst worden in­gewerkt. Maar hij had wel direct ànder werk voor haar. Zij moest nu eerst maar even uitrusten en wat gaan eten in het restaurantje om de hoek. Morgen zou hij om een uur of tien terugkomen.

Het was iets later geworden. Hij had haar meegenomen in zijn dure auto om haar iets van de stad te laten zien. Zij was verbaasd over de drukte in de straten en al die fietsers. Bussen reden er en zomaar treinen door de stra­ten. Nee, had die mijnheer gezegd, dat zijn geen treinen maar ‘trams’. Zij was een beetje bang geworden van al dat verkeer, maar nu was zij daar wel aan gewend. Toen was hij met haar naar een huis gegaan, met veel kamers. In elke kamer was een meisje. Sommigen kwa­men uit dat vreemde land, anderen ergens uit Azië. Uit haar land was niemand. Toen had die mijnheer gezegd: “Dit is jouw kamertje en als er klanten komen, moet jij het hun naar de zin maken.” Met grote, bange ogen had zij hem aangekeken. Hij had gelachen. Maar dat lachen was niet vriendelijk geweest. Toen was hij wegge­gaan. Een oudere vrouw lette op de meisjes en zorgde ervoor dat zij koffie kregen, of thee en eten. Zij wist niet hoe zij het had. Zij begreep er niets van. Zij zou toch in dat warenhuis gaan werken? Dat was haar toch be­loofd? Stil had zij zitten kijken, bedroefd. Zij voelde zich ellendig. Toen was er een man gekomen, de eerste. Zij had geschreeuwd, maar was machteloos. Anderen wa­ren daarna gekomen. Eens kwam een jonge man, die een klein slapend kind meebracht toen hij haar opzocht. “Liefje”, had hij enkele keren tegen haar gezegd, “lief­je”. O!

Aan al die dingen stond zij te denken op de brug. Zij werd al kouder en ellendiger. De tranen stroomden haar over de wangen. Zij voelde zich onteerd, vernederd en vertrapt. Koopwaar. Zij wilde niet langer. Het had al veel te lang geduurd. Zij had nog lang gehoopt dat zij in dat warenhuis zou gaan werken. Zij was in zo’n warenhuis wel eens binnengelopen en had daar dames gezien, die op de kledingafdeling werkten. Dat zou zij ook graag doen. Enkele keren had zij die mijnheer daarnaar ge­vraagd, als zij hem eens zag. Hij had er zich dan steeds vanaf gemaakt en gezegd: “Misschien …”

Zij wilde terug naar haar land, naar haar moeder. Zij had gespaard. Misschien was het net genoeg om de reis te betalen. Maar zij schaamde zich zo. Zij zou aan haar moeder moeten vertellen hoe het was geweest in dat ver­re land. Zou moeder haar begrijpen? Zou zij haar doch­ter niet verachten? En haar broertje en zusjes zouden het te weten komen. En ieder in het dorp. Zij zou het huis niet meer uit durven. Zij schaamde zich ook voor God. Te lang was zij toch maar in dit leven gebleven. Van de Kerk en de Bijbel wist zij niet heel veel, maar zij wist wel dat God dit alles niet goed vond. Soms had zij gebeden en gevraagd of Hij haar helpen wilde. Maar hoe moest dat dan? Het was of zij vastgebonden was aan dit verschrik­kelijke leven in dit vreemde land. Zij wilde niet, maar moest. Zij had wel gelezen dat er vroeger slaven waren. Zo’n slavin voelde zij zich ook. En zij vond het zo erg, dat zij zich niet alleen in dit leven had geschikt, maar het soms ook nog wel spannend had gevonden…

Zou zij in het water springen? Dan was het alles over. Maar haar moeder! Wat zij zou verdrietig zijn als zij dat zou horen. Nee, Sofja wist het niet meer. Hoe lang had zij op de brug gestaan? Een kwartier? Een half uur? Zij zou het niet weten. Het deed er ook niet toe. Weer schrok zij toen iemand vlak langs haar heen liep en haar aankeek. Zij kwam in beweging. Langzaam liep zij de brug af. In de straten was veel verlichting. Slingers waren er en groene bomen met ballen en klokken erin. In haar dorp had zij zulke dingen nog nooit gezien. Het was Kerstfeest, had men in het huis waar zij werkte verteld. Bij haar thuis vierde men dat in januari. Ja, dan waren zij ook dikwijls naar de Kerk gegaan. Nu begonnen er klokken te luiden. Dat geluid maakte Sofja niet blij. Het was alsof elke slag tegen haar aankwam en haar pijn deed.

Zij liep een kleine straat in. Het was er stil, alleen een fietser zag zij, die zijn fiets tegen een paal zette en een huis binnenging. Toen zij daar langs kwam, hoor­de zij zingen. Zou zij naar binnen gaan? De deur stond nog open. Zij keek naar binnen en iemand wenkte haar. “Kom, maar”, zei hij, “you are welcome”. Hij keek haar vriendelijk aan en bracht haar naar een grote kamer, waar zo’n veertig, vijftig mensen waren. Bijna allen wa­ren donkere mensen, uit Afrika. Zij zongen blijde liede­ren. Iemand stond op en ging spreken. Dat moest wel de priester zijn, zoals in haar dorp. Maar in zijn zwarte pak zag hij er heel eenvoudig uit. Hij sprak in het En­gels. Sofja kon het aardig goed volgen, want hij sprak langzaam en duidelijk. Hij bad eerst en ging toen uit de Bijbel lezen. Daarna sprak hij de mensen toe en vertelde hij wat Kerstfeest betekent. Sofja wist dat wel, maar zoals zij het nu hoorde was het helemaal nieuw voor haar. De woorden van die donkere man pakten haar. Zij hoorde van God, die medelijden heeft mensen in hun ellende. Die daarom in Zijn Zoon naar hen toe gekomen is en hen op te zoeken en een nieuw leven te geven. Ja, zij zat in de ellende. En zij wilde weg uit dat oude leven, een nieuw leven in. De voorganger zei nog veel meer mooie dingen over God, die mensen verandert en als een her­der hen wil leiden. Zij moest toen denken aan de gan­zen, die zij eens had moeten verzorgen. Het was een hele troep en zij moest goed op die dieren letten. Zij was toen ook een soort herder, had de boer gezegd. Maar naar een herder moet je wel luisteren, zei de voorgan­ger. Je moet doen wat hij zegt. Ja, dat begreep Sofja. Zij moest niet langer aan die mijnheer gehoorzaam zijn die haar had bedrogen, maar aan God die in deze kamer-kerk tot haar sprak. Er werd weer gezongen. Een oude vrouw hield haar het boek voor. Meezingen kon Sofja niet, maar zij las wel de woorden over de Vader die lief­de heeft voor Zijn kinderen en bij Wie zij allen welkom zijn, wat er ook is gebeurd, hoe ellendig ze ook zijn. Weer stroomden tranen uit Sofja’s ogen, maar in dit ver­driet was ook een beetje vreugde.

Na de dienst heeft die oude vrouw haar aangespro­ken. Zij begreep al gauw hoe Sofja eraan toe was. Zij heeft haar meegenomen naar haar simpele woning. Daar heeft Sofja alles aan haar verteld. Die oude vrouw uit Afrika heeft toen haar hand op Sofja’s hoofd gelegd en gezegd dat zij mocht blijven tot zij naar haar land ging. En zij zei: “Als de hemelse Vader jou in genade en liefde heeft aangezien, zal jouw moeder het ook doen.”

Na enkele dagen is Sofja teruggereisd, maar haar land, haar dorp, haar moeder

Jacob Bevelander Cornelisse