Terug naar Ecclesianet.nl

Hij is opgestaan, Hij is hier niet

Marcus 16:6

Hij wàs daar wel, in het graf, in de dood.
Hij is daar niet meer, niet meer in het graf, niet meer in de dood.
Jezus de Christus, de Messias in het graf, in de dood.
Jezus, de Zoon des mensen, Gods Zoon in het graf, in de dood.
Zijn vrienden hadden dat voor onmogelijk gehouden.
Zij hadden zich voor die gedachte afgesloten.
Hoewel Hij meermalen had gezegd dat het zo ver komen zou.
Het kruis, het toppunt van verachting en lijden – zij wilden daarvan niet horen.
De dood, het einde van Zijn goede woorden en weldadige daden – daar wilden zij niet aan.
Nu het alles werkelijkheid is geworden, zijn zij verslagen.
De Meester is gestorven en begraven.
Met een wending houden zij geen rekening.
Dat deden Jezus’ vijanden wèl.
Vandaar het zegel op het graf, de wachters erbij.
Maar dit alles is het laatste niet.
Het lijden, de strijd, het offer, is het laatste niet.
Het is een doorgang tot de heerlijkheid.
Wie bij God behoort, moet in deze wereld lijden.
Wie als geen ander bij God behoorde, moest als geen ander lijden.
Maar als het lijden volbracht is, Gods wil en het woord van Israëls profeten
vervuld zijn, de dood zijn werk heeft gedaan, dàn is het woord aan God.
Hij spreekt Zijn “ja” en “amen” op het gehele leven op aarde van Zijn Kind.
Het “neen” van deze wereld is voor haar een voldongen feit.
Maar niet voor God.
Hij roept Zijn Kind tot leven.
Hij wekt Het op en Jezus staat op.
Niet om tot het oude leven terug te keren, maar om in het nieuwe leven in te gaan.
Door lijden, kruis en dood voert Zijn weg tot heerlijkheid.
Die weerloos leed en in verlatenheid stierf, blijkt Overwinnaar.
Zijn geloof is niet beschaamd.
Op de Paasmorgen staat Hij in het glorielicht.
Hij, de Levende, die Zich genoemd heeft: de Opstanding en het Leven.
Onpeilbaar diep is het lijden dat Hij vrijwillig op Zich nam.
Onvoorstelbaar zijn de vreugde en de eer die de Vader Hem schenkt.
Daarvan spreekt als eerste Gods bode in de vroegte van de Paaszondag.
Dit hoorden de vrouwen bij het graf, zij het eerst.
Daarvan jubelden de leerlingen: de Heer is waarlijk opgestaan.
Dit belijdt en daarvan zingt en daarvoor dankt de Kerk der eeuwen.

De dag rijst rood in het verschiet,
de hemel zingt het hoogste lied,
de aarde juicht uit alle macht,
de hel barst los in jammerklacht.

Omdat de Koning komt en stoot
de deuren open van de dood,
bevrijdend uit de lange nacht
het volk dat in het duister wacht.

Die lag besloten met een steen,
een wacht soldaten er omheen,
stijgt uit het graf en triomfeert
in al zijn pracht. De Heer regeert.

Nu zijn de tranen en de pijn
voorbij. De dood zal niet meer zijn.
Een stralende engel kondigt aan:
De Heer is waarlijk opgestaan.

Wij bidden, Heer van al wat leeft,
die ons het feest van Pasen geeft.
bevrijd ons toch van alle nood,
en van het woeden van de dood.

U, Heer, zij alle heerlijkheid,
die uit de dood verrezen zijt.
U met de Vader en de Geest
zij lof voor eeuwig op het feest.

Naar Aurora lucis rutilat (Ambrosius?)
vert. J.W. Schulte Nordholt
Gez. 171 van Gezangboek Ev. Broedergemeente

Ds. L.J. Geluk, Rotterdam