Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugges Utrechtse jaren (II)

Strijd om een lidmaatschap
In de tijd na zijn ontslag als proponent was Kohlbrugge langzamerhand tot het inzicht gekomen dat de oude gereformeerde leer volkomen overeenstemde met Gods Woord. Hoewel hij daardoor niet van Luther en diens geschriften vervreemdde, was Kohlbrugge van mening dat hij de Hersteld Lutherse gemeente niet meer oprecht zou kunnen dienen als hij weer als proponent zou worden aangesteld (dit leek hem nog altijd niet ondenkbaar). Daarom wendde hij zich tot de Amsterdamse rechtzinnige hervormde predikant J. Kortenhoef Smith met het verzoek, hem na het afleggen van belijdenis als lidmaat van de hervormde gemeente aan te nemen. Ds. Kortenhoef Smith had echter enige bedenkingen. Na overleg met een ambtgenoot liet hij weten dat Kohlbrugge eerst bij de Hersteld Lutherse kerkenraad een attest van goed gedrag moest vragen om dit vervolgens aan de kerkenraad van de Amsterdamse hervormde gemeente te overleggen. Kohlbrugge bracht hiertegen in, dat de Hersteld Luthersen hem zo’n attest niet konden geven zonder hun handelwijze jegens hem te herroepen. Waarom kon hij niet op de gewone manier worden aangenomen? Maar ds. Kortenhoef Smith was niet te vermurwen en gaf Kohlbrugge in overweging, het in Utrecht te proberen; daar was hij immers gepromoveerd.
In het begin van 1830 sprak Kohlbrugge in Utrecht met ds. S.van Beuningen, de oudste hervormde predikant ter plaatse. Hij voelde zich echter niet vrij in dit gesprek melding te maken van zijn contacten met ds. Kortenhoef Smith. Ds. Van Beuningen, die Kohlbrugge goed kende, was meteen bereid hem aan te nemen. Een bewijs van goed gedrag vond hij eigenlijk niet nodig, maar een getuigenis van enkele leden van de Utrechtse hervormde gemeente leek hem toch wenselijk voor het geval dat iemand bezwaren zou opperen. Een afspraak voor het afleggen van belijdenis werd al gemaakt. Wel zou ds. Van Beuningen Kohlbrugge eerst aan de kerkenraad voorstellen. Voor Kohlbrugge was het een grote teleurstelling, toen hij eind februari 1830, kort voor zijn verhuizing naar Utrecht, van de predikant vernam, dat de kerkenraad een testimonium van goed gedrag verlangde, afgegeven door de Hersteld Lutherse gemeente. Ook vroeg de kerkenraad (die onkundig was van het gesprek met ds. Kortenhoef Smith) zich af waarom Kohlbrugge niet in Amsterdam aangenomen wilde worden. Kohlbrugge reageerde in een brief, verzonden uit Amsterdam op 27 februari. Wat betreft het verlangde testimonium probeerde hij duidelijk te maken, hoe moeilijk het zou zijn aan deze wens te voldoen. Op de vraag, waarom hij zich niet bij een hervormde predikant in Amsterdam had vervoegd, antwoordde Kohlbrugge dat – afgezien van persoonlijke en huiselijke motieven voor een verhuizing naar Utrecht – het hem in de gegeven omstandigheden het meest wenselijk voorkwam, niet te blijven wonen in de plaats waar hij vroeger op de Hersteld Lutherse kansel gestaan had. Het leek hem een goede gedachte het lidmaatschap van de Hervormde Kerk te ontvangen in de academiestad, waar hij in het vorige jaar het doctoraat in de theologie had verkregen.
Er volgden nog enkele brieven over en weer, maar de kerkenraad bleef een attest van goed zedelijk gedrag eisen. Daarom vervoegde Kohlbrugge zich op 3 juni 1830 bij het consistorie van de Hersteld Lutherse gemeente in Amsterdam. Er zal wel wat in zijn gemoed zijn omgegaan, toen hij bij die gelegenheid de predikanten Jacobi en Uckerman weer ontmoette. Kohlbrugge deelde mee dat hij lid wilde worden van de hervormde gemeente van Utrecht en vroeg voor zichzelf en zijn vrouw een attestatie met een verklaring van goed zedelijk gedrag. Ds. Uckerman wees hem erop dat het bij het consistorie geen usance was, iemand die tot een andere belijdenis overging, een attest van goed zedelijk gedrag te geven. Aan het verzoek om een bewijs van lidmaatschap kon echter wel worden voldaan. Een dag later ontving Kohlbrugge het gevraagde attest, ondertekend door ds. D.R. Uckerman. Met een brief, gedateerd 8 juni 1830, zond hij dit aan de Utrechtse kerkenraad. Hij herhaalde zijn verzoek, of zijn vrouw en hij belijdenis konden doen en als lidmaten van de hervormde gemeente worden aangenomen.
In dezelfde brief vroeg Kohlbrugge mede namens zijn vrouw de doop aan voor hun op (26 april geboren) eerste zoon Gerrit. In antwoord hierop liet de kerkenraad op 11 juni schriftelijk weten dat zij hun kind de volgende zondag konden laten dopen, mits een “onbesproken lidmaat” van de gemeente daarbij als getuige aanwezig zou zijn. Het doopbriefje diende door de wijkpredikant te worden getekend. Kohlbrugge vermeldt een en ander in zijn eerdergenoemde boek Het lidmaatschap en tekent daarbij aan: “wij moesten dus ons kind laten doopen als stonden wij in den Voorhof der Heidenen”. De doop werd bediend in de Geertekerk, de wijkkerk van de Kohlbrugges, die toen nog in de Twijnstraat woonden (pas in mei 1832 verhuisden ze naar de Plompetorengracht). Voorganger in de dienst was de Utrechtse hoogleraar Jodocus Heringa. Tevoren had Kohlbrugge een gesprek met hem. Professor Heringa wees erop dat hij nogal wat veranderingen aanbracht in de vragen van het doopformulier en vroeg of Kohlbrugge daarop zou antwoorden. “Dat zal ik zien, professor!”, aldus Kohlbrugge. Heringa zei daarop: “Ik geloof niet dat de kinderen in Adam der verdoemenisse onderworpen zijn”. Kohlbrugges reactie was: “Ik wel, professor”. Heringa: “Hoe zal het dan? ik lees: het vonnis des doods”. Kohlbrugge: “Professor! Genesis II lees ik: ten welken dage gij daarvan eet, zult gij den dood sterven; dat verklaar ik van den tijdelijken, geestelijken en eeuwigen dood, en op die verklaring laat ik mijn kind doopen, en de uwe laat ik aan u over”. Kohlbrugges redenering was: het formulier spreekt niet van “de leer die in de Kerk alhier geleerd wordt”, maar van “de leer die in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt”, waarmee niet de persoonlijke opvatting van de predikant wordt bedoeld.
Wat betreft Kohlbrugges verzoek, of zijn vrouw en hij als lidmaten konden worden aangenomen, liet de kerkenraad weten, dat daarop zo spoedig mogelijk geantwoord zou worden. Dit antwoord kwam pas twee maanden later, in een brief van 10 augustus 1830. De kerkenraad berichtte Kohlbrugges verzoek te hebben voorgelegd aan de Algemene Synode van de Hervormde Kerk. De Synode had verwezen naar het “erkende gebruik” dat een bewijs van lidmaatschap, afgegeven door een ander protestants kerkgenootschap, tevens een attest van goed zedelijk gedrag moest behelzen.
In die tijd sprak Kohlbrugge een ouderling die lid was van de Utrechtse kerkenraad. Hij vroeg hem: “Wat heeft men toch tegen mij?”. Het antwoord luidde: “De ouderlingen hebben niets tegen u, maar de jongere predikanten drijven het zo, omdat zij bang zijn dat u predikant zal worden”. Als Kohlbrugge bijvoorbeeld advocaat geweest was, had men hem geen strobreed in de weg gelegd.

Drs. M. den Admirant, ’s-Gravenhage